Digibron.nl

De authentieke teksten der belijdenisgeschriften

Bron: Reformatorisch Dagblad
Datum: vrijdag 1 april 1977
Auteur: dr. W. Balke
Pagina: 20 (Onbekend)

Het blijft een hoogst belangrijk feit, dat alle kerken van hervormde of gereformeerde slgnatuur in Nederland dezelfde belijdenisgeschriften hebben. Het zijn de drie formulieren van Enigheid, te weten: de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtsche Leerregels. Zal het ooit zover komen dat de zonen van ditzelfde huis ook weer als broeders samenwonen, dan zal men elkaar in deze Belijdenissen weer terug moeten vinden en herkennen.

Dan zal de belijdenis weer een ,,ghemeyn accoort" moeten zijn. Daar wordt immers de eendracht geboren. En de eendracht van het hart treedt naar buiten in het eenstemmig belijden met de mond. Nieuwe aandacht voor de belijdenis en nieuwe bezinning op de confessie is daarom dringend gewenst. Het is een ware oecumenische activiteit van de eerste orde.

Met grote vreugde kondigen wij daarom de verschijning aan van de tweede druk van De Nederlandse Belijdenisgeschriften in authentieke teksten met inleiding en tekstvergelijking. Eén van de bekwaamste kerkhistorici in Nederland, prof. dr. J. N. Bakhuizen van de Brink te Leiden, heeft zich bijzonder veel moeite getroost om de tweede druk van dit zijn standaardwerk te bezorgen. De eerste druk verscheen in 1940 en wordt nu door de tweede zodanig in de schaduw gesteld, dat de eerste druk als verouderd is te beschouwen.

Het eerste deel bevat inleidende hoofdstukken over de geschiedenis van elk van de drie belijdenisgeschriften. Dit gedeelte werd geheel herschreven en daarmee op het peil gebracht van de hedendaagse stand van het wetenschappelijk onderzoek. Het is interessant vooral om de nieuwere gegevens, die meer licht werpen op het ontstaan en de prille geschiedenis van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

In het hoofdgedeelte worden de authentieke teksten geboden van de drie belijdenisgeschriften. Men komt diep onder de indruk van de uiterste nauwkeurigheid waarmee de auteur te werk is gegaan. Men vindt naast elkaar in vier kolommen de Franse Geloofsbelijdenis, dat is de zogenaamde „Confessio Gallicana"; de Franse tekst van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die ook genoemd wordt „Confesslo Belgica"; de Latijnse tekst van dezelfde belijdenis en ten slotte de Nederlandse tekst daarvan.

De authentieke teksten, zoals die zijn vastgesteld op de Nationale Synode van Dordrecht, worden hier geboden, terwijl in een critisch apparaat de varianten gegeven worden uit de voorafgegane tekstvormen. De kerk heeft veel zorg besteed aan een precieze tekst van haar belijdenis. Dat was ook nodig omdat boekdrukkers niet steeds zonder slordigheid en willekeur te werk gingen en hun uitgave onregelmatigheden vertonen in spelling en woordschikking. Dordrecht maakte een einde aan deze wilde groei.

Ook blijkt dat de oorspronkelijke tekst en vertaling van 1561 en 1562 tweemaal door bevoegde synoden is herzien, in 1566 en 1619. De Nationale Synode van Dordrecht heeft de door haar herziene tekst van de Geloofsbelijdenis gepubliceerd en op het titelblad van deze officiële en ambtelijke uitgave authentiek genoemd: „om voortaan in de Nederlantsche Gereformeerde Kercken alleen voor autentyck gehouden te worden".

Zeer belangwekkend is ook de brief van de opsteller Guido de Bres aan Philips II, Koning van Spanje, die in deze tekstuitgave aan de geloofsbelijdenis voorafgaat. „De Gheloovige die daer in de Nederlanden zijn, welcke na der warachtigher reformacie des Evangeliums ons Heeren Iesu Christi begheeren te leven, aen den onverwinnelicken Koninck Philippus, Haren oversten Heere". Deze brief is een apologie, een verdedigschrift om de zaak van de reformatie in het juiste licht te stellen bij de koning en vrij te pleiten van alle verdachtmaking. De brief doet veel denken aan de brief waarmee Calvijn de Institutie heeft opgedragen aan Frans I, de koning van Frankrijk.

De Heidelbergse Catechismus wordt in drie kolommen gegeven. De eerste kolom bevat de Duitse tekst, de tweede de Latijnse tekst en de derde de Nederlandse tekst. Ook hier zijn de teksten weer met alle vroegere uitgaven vergeleken en worden in het critisch apparaat de varianten weergegeven, zodat men ook hier de geschiedenis van de tekst nauwkeurig op de voet kan volgen.

Bij de Heidelbergse Catechismus zijn ook de voorreden van Keurvorst van de Paltz afgedrukt, die ook zeer de moeite waard zijn. Ten slotte worden de Dordtsche Leerregels in twee kolommen afgedrukt, en wel in een Latijnse en in een Nederlandse tekst. Ook hier ontbreekt de voorrede niet. De tweede druk van De Nederlandse Belijdenisgeschriften wordt verlucht door een tiental illustraties. Het zijn reprodukties van de titelpagina's van oorspronkelijke oude uitgaven, die uiterst zeldzaam zijn. Het werk wordt besloten met een welkom register van persoonsnamen.

Nieuwere gegevens

Vooral in het inleidend gedeelte op de Nederlandse Geloofsbelijdenis zijn veel nieuwere gegevens verwerkt. Niet alleen zijn sinds de eerste druk in 1940 verschillende exemplaren van de Geloofsbelijdenis uit 1561 en 1562 gevonden, waardoor een wijder beeld van haar verbreiding in die eerste jaren ontstaat. Vooral ook het wetenschappelijk onderzoek van dr. G. Moreau te Luik heeft belangrijke gegevens over de reformatiegeschiedenis in de Zuidelijke Nederlanden aan het licht gebracht.

Dr. Moreau schreef een belangwekkende studie over de geschiedenis van het Protestantisme te Doornik („Histoire du Protestantisme à Tournai jusqu' a la veille de la Révolution des Pays-Bas", Paris 1962), een werk dat bij de bestudering van het leven en het werk van Guido de Bres niet over het hoofd mag worden gezien.

In de herfst van 1561 werd er te Doornik, waar Guido de Bres sinds 1659 verblijf hield en de reformatie propageerde, kermis gevierd met als een van de hoogtepunten de processie ter ere van de Kruisverheffing. Vele Calvinisten kwamen 's avonds op straat en zongen de Franse psalmen van Marot en Beza, liefst voor de deur van hoge katholieke geestelijken. Minstens de helft van de bevolking te Doornik was hervormingsgezind. Alle standen en leeftijden deden mee aan die „chanteries", psalmoptochten.

De deelnemers bliezen de straatverlichting uit, droegen zwarte mantels en zelfs maskers om niet herkend te worden. De overheid stond machteloos. Guido de Bres, zeer bepaald niet-revolutionair grootgebracht in de Geneefse reformatie, stond niet achter deze psalmoptochten vanwege het uitdagend karakter en uit vrees voor de kwade gevolgen. Zijn afwijzing was voor velen een teleurstelling.

Van zijn kant stelde hij daar zijn geloofsbelijdenls tegenover. Hij liet deze verspreiden en zelfs aanslaan aan de stadspoorten met de bedoeling dat de overheid en het katholieke volk het niet-revolutionaire karakter van de reformatie zouden begrijpen.

Guido de Bres heeft steeds evenals Calvijn de Dopers om dit principe veroordeeld. Tevergeefs probeerde men Guido de Bres over te halen zich positief op te stellen achter de „chanteries", maar hij volhardde in zijn afkeuring. De door hem gevreesde gevolgen bleven niet lang uit.

Brief

Guido de Bres publiceerde een brief toen inmiddels de inquisitie hard had toegeslagen. Hij beklaagde zich, dat er vervolgingen plaats hadden alsof de gelovigen verstoorders van de openbare rust zouden zijn, omdat zij de „chanteries" niet tegengehouden hadden. „Nooit is (de kracht van) het evangelie afgenomen door vervolgingen. Het dient allerminst tot blussing van het vuur er hout op te werpen, daardoor gaat het alleen maar harder branden. Voor één van ons die gedood wordt, komen er honderd in de plaats, daar zijt gij zelf getuigen van. Houdt daarom met uw geweldplegingen op en dwingt ons niet langer om dingen te doen, die tegen ons geweten ingaan. Wat is er mee gewonnen wanneer gij door uw bedreigingen en verschrikkingen het arme volk Gods tot afgoderij (bedoeld is de Mis) dwingt?"

Dan volgt een waarschuwing: „Wij kunnen het volk niet langer onder de tucht van het geduld houden, zodat het niet opstandig wordt, en ziende dat gij niet ophoudt weldenkende mensen in uw gevangenissen te slepen, vrezen wij, dat daar groot kwaad uit voort zal komen en dat velen, die dat nu prachtig vinden, het eenmaal zullen berouwen. Vertrouwt niet op uw gewapende dienaren, rekent maar dat velen, die zich nu mooi voordoen en op uw kosten worden onderhouden, u de rug toe zullen keren als het nodig is... God is onze getuige... hoezeer wij de opstandigheid van het volk vrezen...!

„Daarom vermanen wij hen om geduldig te zijn en tot God te bidden voor alle vervolgers, om hulp te verwachten van Boven, die ons is beloofd en de wraak over te laten aan Hem aan wie dat alleen toekomt, dat is aan God en Hij zal allen die ons vervolgen aan Zich onderwerpen. En wij willen dat gij weet, mijnheren, ...dat de landen in uiterste treurnis zijn. Daarom hebt medelijden met het arme volk. U is opgedragen het te hoeden en te verdedigen tegen de verdrukkers... Maar als gij er niet van wilt afzien, dan bidden wij God, dat Hij de genade verlene om onze vervolgingen geduldig te verdragen tot de eer van Zijn naam, en ons genade geve om standvastig te sterven in onze onschuld en hemel en aarde zijn getuigen, dat gij ons onrechtvaardig uitroeit" (Zie Bakhuizen, blz. 5; Moreau, p. 168s.).

Duidelijk is hoezeer Guido de Bres tot het uiterste loyaal wilde blijven aan de wettige overheid en de reformatie van elke blaam van revolutionaire gezindheid vrij wilde pleiten. In z'n weigering om tot radikalisme door te slaan was Guido de Bres typisch calvijns.

Deze door Guido de Bres geschreven brief werd samen met de gedrukte Geloofsbelijdenis in een verzegeld pakje over de muur geworpen van de citadel te Doornik in de nacht van 1 op 2 november 1561. Deze gebeurtenis is het die zo'n grote bekendheid aan de geloofsbelijdenis gegeven heeft. De dreigende toon in de laatste passage van de geschreven brief wijkt af van de brief aan Philips II die bij de Geloofsbelijdenis werd afgedrukt. De gebeurtenissen te Doornik: de terreurdaden van de inquisitie hebben blijkbaar op Guido de Bres, die zelf steeds terughoudend bleef, een verschrikkelijke indruk gemaakt.

Verbreiding

De boekdrukkunst heeft een geweldige bijdrage geleverd tot de verbreiding van de reformatorische beginselen. Een goede vriend van Guido de Bres was de drukker Abel Clémence. Hij was afkomstig uit Normandlë en na een kort verblijf in Genève waar hij als drukker werd ingeschreven in 1558 heeft hij zich gevestigd in Rouen waar hij toen goede kansen zag om door zijn uitgeversarbeid de reformatie te ondersteunen.

In 1561 verschenen bij Abel Clémence drie geschriften: de eerste Franse uitgave van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, een Frans psalmboek van Clément Marot en Theodore de Bèze en een belijdenisgeschrift met weerlegging van dwalingen van de hand van Theodore de Bèze.

Het leek er in die tijd in Frankrijk op dat er een keer ten goede van de reformatie zou komen. Er waren reeds meer dan 2050 hervormde gemeenten. Tegen die achtergrond moeten de inspanningen van Abel Clémence gezien worden om door goede publikatles (en wat kan beter dit doel dienen dan een helder geformuleerde belijdenis?) het volk te bereiken.

Overigens bleef het niet bij één uitgave van de Confessie Belgica. Er verscheen nog een editie daarvan in 1561. Nu was Jean Frellon te Lyon de uitgever. Frellon heeft met deze uitgave blijkbaar de Frans- Zwitsers van de eenheid van het geloof van de verschillende nationale gereformeerde kerken willen overtuigen.

Verder zijn er nog twee uitgaven van de Geloofsbelijdenis uit 1562 gevonden waarvan de uitgever en drukker nog niet vastgesteld zijn. Wel staat vast dat er met name te Antwerpen en in de vluchtelingengemeente te Londen grote belangstelling was voor de Geloofsbelijdenis.

De vroegste Nederlandse vertaling van de confessie stamt uit 1562. Deze is door vele herdrukken gevolgd. De eerste Latijnse vertaling is gemaakt in 1566. Festus Hommius, die een grote rol speelde op de Dordtse Synode gaf een eigen Latijnse vertaling. Er is zelfs een Griekse vertaling, verzorgd door de bekende dichter en predikant Jacobus Revius in 1623.

Heidelbergse Catechismus

De eigenlijke auteur van de Heidelbergse catechismus is Zacharias Ursinus. Maar grote invloed in het ontwerp heeft de keurvorst Frederik van de Paltz zelf gehad. De catechismus werd vastgesteld in een vergadering van de theologische faculteit van Heidelberg samen met alle superintendenten en de voornaamste dienaren van de kerk eind 1562.

De vergadering werd voorgezeten door de keurvorst zelf, die er ook theologische invloed uitoefende. Op 19 Januari 1563 ging het besluit tot invoering van de catechismus aan alle kerkedienaren en schoolmeesters uit.

Ook van de geschiedenis van de Heidelbergse Catechismus geeft prof. Bakhuizen van de Brink een uitvoerig overzicht met verwijzingen en opgave van alle belangrijke literatuur. De eerste druk verscheen begin februari 1562. Al heel snel, voor 5 maart, volgt een tweede druk. Hierin komen uitbreidingen voor van vraag 36 en vraag 80 over het onderscheid tussen het Avondmaal en de Mis. Ongeveer een maand hierna verscheen de Catechismus opnieuw met een uitbreiding, nl. het anathema bij vraag 80. Deze laatste uitgave wordt als de definitieve beschouwd. Caspar Olevianus verzond er exemplaren van in Latijnse zowel als Duitse tekst aan Calvijn en aan Bullinger.

De Nationale Synode van Dordrecht heeft haar 147ste en 148ste zittingen aan de beoordeling van de Catechismus gewijd. Bij deze gelegenheid hebben de Engelse deputaten, die van de buitenlanders het eerst het woord namen, de Catechismus geprezen, „in 't bijzonder segghende dat noch de hare, noch de Fransche Kercken sulcken bequamen Catechismum hebben". Teruggekeerd in Londen hebben de Engelse afgevaardigden verslag uitgebracht van de Dordtsche Synode en zij hebben gezegd: de Hollanders hebben een leerboekje zo rijk van inhoud, dat het met geen tonnen goud te betalen is.

Acte van Approbatie

In de 179ste zitting heeft de Synode een „Acte van Approbatie over de Confessie ende Catechismo" vastgesteld, die op 30 mei aan de Generale Staten werd aangeboden. Hierin wordt geconcludeerd: „dat in de voors. Schriften de Somma ende gronden van de ware salichmakende Leere schriftmatelyck, grondelyck ende zeer bequamelyck begrepen ende verclaert worden. Dat oock de voors. Schriften overeenkomen met de Belydenissen van alle de ware Gereformeerde kerkeken, die in deze tyden de suyverheyt der Evangelische Leere belyden. Ende dat daeromme de voors. Leere inde Gereformeerde kercken van Nederlandt behoort onverandert ende ongeschent behouden ende den Nacomelingen overgelevert te worden".

„Waertoe beyde so d'Uytheemsohe Theologen, als insonderheyt de Gedeputeerde der Nederlantsche Kercken den Hooch Mogende Heeren Staten Generael der Vereenichde Nederlanden, als ware Voedsterheeren derselve kercken gantsoh dienstelyck ende oock zeer onderdanichlyck versoecken ende bidden, dat hare Hooch Mogen, gelieve dese rechtsinnige Leere inde voorseyde Confessie ende Catechismo begrepen met hare authoriteyt zo langher so meer in hare landen te handthaven, voortplanten, bevestighen, ende beschermen, ende niet te gedooghen, dat in deselve Leere eenighe inbreuck ofte vervalschinghe dedaen en worde, noch dat eenighe andere Leere inde publycke kercken haerer landen soude geleert ofte gedreven worden".

De Dordtsche Leerregels

Het derde Nederlandse belijdenisgeschrift, dat de kerken der reformatie in Nederland bezitten is het Oordeel van Dordrecht over de vijf punten van de Remonstranten. De tekst van de Canones is eveneens op 30 mei 1619 aan de Generale Staten aangeboden door Bogerman, Faukelius, Hommius, Polyander en Rolandus.

Het Oordeel evenals de approbatie door de Synode van de Confessie en de Catechismus was op 6 mei in de Grote Kerk te Dordrecht „ter presentie vande volle Synodale vergaderinge, ten aenhooren van veel duysenden van menschen met groote blyschap, gebeden, ende dancksegginge tot Godt" gepromulgeerd.

Zeer waardevolle uitgave

Wij hebben van Prof. Bakhuizen van de Brink een nieuw standaardwerk ontvangen over de drie Nederlandse belijdenisgeschriften waarvoor wij hem zeer erkentelijk zijn. In dit bronnenboek worden wij bij de officiële en authentieke teksten gebracht terwijl de inleidingen met de niet te versmaden litteratuuropgaven ons de weg wijzen hoe wij deze belijdenisgeschriften hebben te interpreteren en te verstaan.

De auteur heeft aan dit werk de uiterste zorg besteed en allen die de belijdenis liefhebben en deze in ere willen houden een grote dienst bewezen. Kortom, een onmisbaar standaardwerk dat nog zeer vele jaren toonaangevend en gezaghebbend zal blijven.

Het is een voorrecht dat de hoogbejaarde Prof. Bakhuizen, die de leeftijd der zeer sterken bereikte, dit werk mocht voltooien, terwijl de uitgever Ton Bolland te complimenteren is met de verzorgde uitgave, die van een solide donkerblauwe band werd voorzien.

Het stemt eveneens tot dankbaarheid dat de Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek door een forse subsidie deze uitgave mogelijk gemaakt heeft, zodat het werk voor de prijs van ƒ 45,- verkrijgbaar is geworden. In de huizen van allen die de Nederlandse belijdenisgeschriften willen hooghouden, mag daarom dit werk niet ontbreken.

En het zal voor Prof. Bakhuizen een rijke vrucht op zijn arbeid zijn, wanneer de heruitgave van dit tekstboek ook tot nieuwe aandacht voor de belijdenls zal leiden en wanneer de nieuwe aandacht voor de Formulieren van Enigheid ook wezenlijk zal bijdragen tot het herstel van de enigheid des geloofs binnen het zo jammerlijk verbrokkelde Gereformeerde Protestantisme.

Prof. dr. J. N. Bakhuizen van de Brink, De Nederlandse Belijdenisgeschriften In authentieke teksten met inleiding en tekstvergelijking. Tweede druk. Uitg. Ton Bolland, Amsterdam 1976, VIII 297 blz. prijs ƒ 45,-, met 10 Illustraties).