Digibron.nl

Verslag Diakenenkonferentie 1965

Bron: Ambtelijk Contact
Datum: dinsdag 1 juni 1965
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 3

Dit juni-nummer van Ambtelijk Contact is geheel gewijd aan de Diakenenconferentie 1965, die op 29 april in Apeldoorn is gehouden en waar de ambtelijke zorg voor de bejaarden het centrale thema is geweest. Dit thema werd belicht door drs J. W. de Koning, die sprak over de sociologische aspecten van de bejaardenzorg, de heer J. Matse, directeur van de Stichting Landelijk orgaan van de gereformeerde gezindte voor de bejaardenzorg, die sprak over nieuwe ontwikkelingen in de bejaardenzorg en door ds H. P. Brandsma, die in een slotwoord aandacht schonk aan de pastorale aspecten.

Opening

De conferentie werd geopend door de heer K. Geleynse uit Wildervank, voorzitter van het Comité voor ouderlingen- en diakenenconferenties met de volgende woorden:

Hartelijk welkom broeders in dit, voor ons reeds bekende kerkgebouw. Het is al jaren de gewoonte dat de landelijke diakenen-konferentie niet door de voorzitter van het comité (een ouderling) wordt geleid maar door een comité-liddiaken te weten de heer C. Drieënhuizen. Het spijt mij dat ik u vanmorgen moet vertellen dat broeder Drieënhuizen al enkele weken ziek is en dus vandaag niet aanwezig kan zijn.

Ongetwijfeld is hij in gedachten bij ons temeer daar wij een zo bij uitstek diakonaal onderwerp gaan behandelen. Wij hopen en bidden dat onze broeder spoedig weer geheel hersteld mag zijn en ook zijn ambtelijke arbeid dan weer zal mogen verrichten.

Wij houden onze konfeientie aan de vooravond van Koninginnedag en in het verlengde daarvan ligt de dag waarop wij als volk van Nederland dankbaar mogen gedenken hoe God ons voor 20 jaar bevrijdde uit de hand van de vijand die ons land in de meidagen van 1940 overviel en vijf jaar lang op velerlei wijze verdrukte en tyranniseerde.

Laten wij in deze dagen van dankbaar gedenken ter opening van onze konfe-rentie de psalm zingen welke ons in dit verband altijd weer bijzonder aanspreekt n.I. Psalm 124; alle verzen.

Spontaan en met overtuiging wordt hierna deze psalm gezongen, waarbij Ds. v. d. Schaaf op het orgel voortreffelijk begeleidt.

Na het lezen van het 5e hoofdstuk uit de „Klaagliederen van Jeremia” en Psalm 124 gaat de voorzitter voor in gebed en vervolgt dan zijn openingswoord als volgt:

Mannen broeders,

Toen wij als komité voor het organiseren van Ouderlingen- en Diakenkonferen-ties deze voorjaarsvergadering moesten bespreken was het niet zo eenvoudig een onderwerp te vinden. Natuurlijk zijn er onderwerpen genoeg te noemen maar op een dag als deze willen we altijd graag luisteren naar- en spreken over zaken waarmee we als ambtsdagers in deze tijd gekonfronteerd worden. Het lijkt mij een goede gedachte dat wij vandaag gaan spreken over de zorg voor onze bejaarde broeders en zusters vooral nu dit onderwerp, naar de agenda meldt, van verschillende kanten door verschillende sprekers zal worden belicht. Het zou onjuist zijn als ik in mijn openingswoord op deze toelichting of de bespreking vooruit zou lopen. Niet alleen dat ik daartoe onvoldoende deskundig ben maar als „invaller” ontbrak mij ook de tijd van voorbereiding.

Laat ik iets mogen zeggen over de psalm welke wij samen gelezen en gezongen hebben. Ongetwijfeld is daardoor ook bij u weer die verschrikkelijke tijd van de bezetting voor de aandacht gekomen. Zeer velen onder u zullen zich nog dankbaar herinneren hoeveel werk er juist in die jaren door de diakenen kon worden gedaan met name toen de honger zich zo sterk deed gevoelen. Wat waren wij als diakoniën op elkander aangewezen en wat is er toen ook onderling veel geholpen.

Met gevaar voor leven en vrijheid gingen de diakenen vanuit de steden naar het platteland om voedsel te halen zo daar nog iets te missen was.

Tóen is onderlinge bijstand verleend in de beste zin des woords.

Welk een vreugde was het, dit voedsel, en ook kleren, dan weer te mogen uitdelen daar waar het zo dringend nodig was.

Een zaak die vele ambtsdragers in die tijd bezig hield was wel de zorg voor onze bejaarde broeders en zusters. Zij konden er niet op uitgaan om voedsel of brandstof te halen. Bij ziekte konden zij geen hulp krijgen en daarbij waren zij vaak met zorg vervuld over kinderen en kleinkinderen.

Menige diaken zal zich echter ook herinneren hoe hij, juist in die tijd, bemoedigd is geworden door het vertrouwen van oudere broeders en zusters. Al konden zij er dan niet op uit gaan, zij konden wel hun handen vouwen en bidden voor allen die in nood verkeerden en hun dankbaarheid voor de zegeningen welke zij mochten ontvangen was vaak ontroerend.

Levendig herinner ik mij hoe een diaken een oude zieke zuster ging bezoeken op een hofje in de Haagse binnenstad.

Hij moest er heen maar was over vele dingen met zorg vervuld. Zou hij nog wel weer thuis komen? Zou daar in die volgende straat geen razzia gehouden worden of zou zijn fiets niet gevorderd worden? En dan … die oude zuster. hoe moest hij daar mee aan? Niets anders kon hij voor haar meenemen dan een grote handpeer. Geen hulp, geen brandstof, alleen maar een peer. Toen hij haar kleine huisje binnentrad waar zij op bed lag was alles kil en somber maar de vreugde straalde uit haar ogen. „Wat is de Here toch goed”, zo zei ze. Juist was er een zuster der gemeente geweest die haar een zakje bruine bonen bracht. Zij kon niet opstaan om ze te koken, ze zou er ook geen brandstof voor hebben, maar ze zag er de zorgende hand des Heren in. Hij zou het ook zeker verder wel maken, en zie: Nu om 10 uur in de morgen al het tweede bezoek en nu kreeg ze een lekkere peer welke zij zo maar kon opeten. Kunt u begrijpen dat die diaken niet veel kon, maar ook niet veel behoefde te zeggen? Zijn zorgen werden zo maar weggenomen. De kinderlijke blijdschap en het vaste vertrouwen op de Here gaven hem weer moed om voort te gaan. Toen hij wegreed op zijn fiets (met massieve banden) waren de omstandigheden op straat nog niets veranderd en was de toestand nog even zorgelijk maar hij zong:

Rust mijn ziel, uw God is Koning …

Vele ouderen zijn toen de jongeren tot steun geweest en is dat ook nu nog niet vaak het geval?

Laten wij vandaag dankbaar gedenken dat het de Here was Die ons 20 jaar geleden de vrijheid weergaf; dat het de Here was Die ons bewaarde voor de ondergang. De Here hield Zijn kerk in stand en daardoor is het mogelijk dat wij ook vandaag nog ons ambtelijk werk kunnen verrichten.

Met nadruk heeft de psalmdichter het gezegd: Ware het niet de Here Die met ons was” en verder: „Geprezen zij de Here Die met ons was”. Geen zelfverheffing dus, geen roemen op eigen kracht. De Here beware ook ons daarvoor en Hij doe ons ootmoedig en oprecht ons werk in Zijn koninkrijk verrichten onder de betuiging:

Onze hulp is in de Naam des Heren, Die hemel en aarde gemaakt heeft.

Onze konferentie gaat vooraf aan „koninginnedag” en „bevrijdingsdag”.

God zegene onze geliefde Koningin en Haar huis en stelle Haar nog vele jaren tot rijke zegen voor ons land en volk. Ik wens u allen een goede vergadering.

In aansluiting op het openingswoord werd staande gezongen:

Wilhelmus van Nassouwe en: Mijn schild en mijn betrouwen