Digibron.nl

B. NIEUWE EN HERZIENE BIJLAGEN

Bron: Ambtelijk Contact
Datum: zaterdag 1 januari 2005
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 7

1. BIJLAGE 5A

Instructie voor deputaten voortijdige ambtsbeëindiging predikanten

De synode besloot:

de instructie voor deputaten als volgt vast te stellen:

Instructie voor deputaten voortijdige ambtsbeëindiging predikanten

Artikel 1

Er is een deputaatschap voor de voortijdige ambtsbeëindiging van predikanten (DVAP). De generale synode benoemt de leden van dit deputaatschap, ten getale van minimaal vijf. Daarbij zal bij voorkeur één lid benoemd worden uit de kring van deputaten voor onderlinge bijstand en advies en één uit de kring van deputaten voor kerkorde en kerkrecht. De generale synode benoemt de voorzitter in functie. Het deputaatschap kent twee secties: een sectie uitkeringen en een sectie begeleiding.

Artikel 2

De deputaten hebben tot taak:

a. het uitvoeren van de uitvoeringsregeling DVAP, door de generale synode vastgesteld. Zij hebben daarbij ook tot taak voorstellen tot wijziging van deze uitvoeringsregeling aan de generale synode te doen, wanneer daar aanleiding voor is; b. het begeleiden van een predikant naar ander werk na voortijdige ambtsbeëindiging, een en ander conform het bepaalde in de uitvoeringsregeling.

Artikel 3

De deputaten onderhouden in het kader van hun in artikel 2 genoemde taken contact met de classicale vergaderingen, met de betrokken deputaatschappen en met deputaten voor onderlinge bijstand en advies.

Artikel 4

De deputaten zijn gerechtigd in het kader van de uitoefening deze in artikel 2 onder b genoemde taak ter zake deskundigen in te schakelen. De kosten van deze deskundigen komen voor rekening van deputaten voor onderlinge bijstand en advies.

Artikel 5

De deputaten brengen van al hun werkzaamheden verslag uit aan de generale synode.

2. BIJLAGE 5B

Uitvoeringsregeling deputaten voortijdige ambtsbeëindiging predikanten

De synode besloot de volgende uitvoeringsregeling vast te stellen:

Uitvoeringsregeling deputaten voortijdige ambtsbeëindiging

1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Toepassingsgebied

1.1 Deze regeling is van toepassing op het treffen van een financiële regeling voor en de begeleiding van Christelijke Gereformeerde predikanten die worden losgemaakt van hun gemeente, predikanten die repatriëren en niet op korte termijn een beroep ont vangen, ex legerpredikanten wier wachtgeldregeling eindigt, predikanten naar art. 6 K.O. wier benoeming eindigt en die geen aanspraak (meer) hebben op een wachtgeld uitkering of uitkering krachtens een sociale verzekeringswet en op gewezen predi kanten, die zijn afgezet of zijn overgegaan tot een andere staat des levens.

1.2 Op gewezen predikanten die hun ambt eigenmachtig hebben neergelegd zijn slechts de bepalingen in §1 en § 5 van toepassing.

1.3 In deze regeling wordt verstaan onder “DVAP” en “deputaten” respectievelijk het deputaatschap voortijdige ambtsbeëindiging predikanten en de leden van dit deputaatschap.

Artikel 2 Besluiten

2.1 Besluiten over het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, de uitkeringsduur en het einde van de uitkering als bedoeld in § 2 en § 3 worden genomen door de classis van de gemeente waaraan de betrokken predikant laatstelijk verbonden was, of door het deputaatschap waaronder de desbetreffende predikant laatstelijk ressorteerde en bij gebreke van een dergelijk deputaatschap door het deputaatschap onderlinge bijstand en advies.

2.2 Voordat de classis of het deputaatschap de in het vorige lid omschreven besluiten neemt, wint zij advies in bij DVAP. DVAP kan de classis of het in de vorige volzin bedoelde deputaatschap ook verzoeken een bepaald besluit te nemen.

2.3 Besluiten over de verrekening van inkomsten als bedoeld in § 2 en § 3 worden door DVAP genomen.

2.4 Besluiten over de begeleiding van (gewezen) predikanten als bedoeld in § 4 worden door DVAP genomen.

2 DE UITKERING VAN LOSGEMAAKTE EN GEREPATRIEERDE PREDIKANTEN

Artikel 3 Het recht op uitkering

3.1 Losgemaakte predikanten, van het zendingsveld of uit Israël gerepatrieerde predikanten, ex legerpredikanten wier wachtgeldregeling eindigt, predikanten naar art. 6 K.O. wier benoeming eindigt en die geen aanspraak (meer) hebben op een wachtgelduitkering of uitkering krachtens een sociale verzekeringswet hebben aanspraak op een uitkering met inachtneming van het in deze paragraaf bepaalde.

3.2 Het recht op uitkering ontstaat:

- in geval van losmaking, met ingang van de dag volgend op het besluit van de classis inhoudende de losmaking;

- in geval van repatriëring, met ingang van de eerste dag nadat de predikant gerepatrieerd is en er een periode van drie maanden vermeerderd met de nog openstaande verlofdagen verstreken is;

- in geval van exlegerpredikanten, met ingang van de dag volgend op het verstrijken van de duur van de wachtgelduitkering;

- in geval van predikanten naar artikel 6 K.O. wier benoeming eindigt, met ingang van de dag volgend op het verstrijken van de duur van de wachtgelduitkering of uitkering krachtens een sociale verzekeringswet.

Artikel 4 Uitkeringsduur

4.1 De duur van de uitkering is gebaseerd op de leeftijd van de betrokken predikant op het moment van het ontstaan van het recht op uitkering en bedraagt:

bij een leeftijd tot en met 30 jaar 6 maanden;

bij een leeftijd van 31 tot en met 36 jaar 12 maanden;

bij een leeftijd van 37 tot en met 42 jaar 18 maanden;

bij een leeftijd van 43 tot en met 48 jaar 30 maanden;

bij een leeftijd van 49 tot en met 54 jaar 42 maanden;

bij een leeftijd van 55 tot en met 64 jaar 48 maanden.

4.2 In afwijking van het in het vorige lid bepaalde, bedraagt de uitkeringsduur in maanden nooit meer dan 2 maal het aantal volle jaren dat de predikant, te rekenen tot aan het moment van het ontstaan van het recht op uitkering, in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland dienst heeft gedaan, zulks met een minimum van 6 maanden.

4.3 Op de met inachtneming van lid 1 en lid 2 berekende uitkeringsduur komt de duur van een wachtgelduitkering of een uitkering krachtens een sociale verzekeringswet, als bedoeld in artikel 3 lid 2 in mindering.

Artikel 5 Einde van het recht op uitkering

5.1 Het recht op uitkering vervalt:

a. Bij het bereiken van de maximale uitkeringsduur;

b. Op de datum van bevestiging als predikant van een gemeente of op de ingangsdatum van een voltijds dienstverband buiten de kerken, al dan niet naar artikel 6 K.O.;

c. Vanaf het moment dat de betrokken predikant geen lid meer is van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland;

d. Vanaf het moment dat het recht op een emeritaatuitkering ontstaat;

e. Bij de weigering een passend beroep of andere passende arbeid te aanvaarden;

f. Indien geen ernstige pogingen worden ondernomen tot het gaan verrichten van van passende arbeid, hetzij binnen hetzij buiten de kerken;

g. Indien de in § 4 bedoelde aanwijzingen en instructies van deputaten niet worden opgevolgd;

h. Indien de betrokken predikant aanspraak zou kunnen maken op een wachtgelduitkering of een sociale verzekeringsuitkering, maar dit geweigerd heeft of dit heeft nagelaten of aan hem te wijten is dat een dergelijke uitkering door de uitkeringsinstantie is geweigerd;

i. Bij overlijden van de predikant.

5.2 Op predikanten die bij de aanvang van de uitkeringdeleeftijd van 61 jaarhebben bereikt, zijn de in het vorige lid onder f en g vermelde beëindiginggronden niet van toepassing.

Artikel 6 Hoogte van de uitkering

6.1 Gedurende het eerste jaar van de uitkeringsduur bedraagt de uitkering 80% van de uitkeringsgrondslag. Gedurende de daarop volgende periode bedraagt de uitkering 70% van de uitkeringsgrondslag.

6.2 De uitkeringsgrondslag is gelijk aan het traktement dat de betrokken predikant op 1 januari van het jaar van het ontstaan van het recht op uitkering genoot of zou genieten vermeerderd met de in de laatste volzin van dit lid genoemde posten, waarbij onder traktement wordt verstaan de som van het door de kerkenraad toegekende traktement en vermeerderd met vakantietoeslag, zulks met een maximum van 115% van het door deputaten financiële zaken voor de betrokken predikant op grond van zijn dienstjaren geadviseerde minimumtraktement. Het aldus berekende traktement wordt verhoogd met (a) 50% van de som van de door de predikant werkelijk verschuldigde premie ziektekostenverzekering en het eigen risico of, indien dat lager is, het bestede gedeelte van het eigen risico, met (b) een kostenvergoeding van 500 euro per jaar en met (c) een vergoeding voor het gemis van het gebruik van de ambtswoning, die gelijk is aan de fiscale bijtelling van de laatstelijk bewoonde ambtswoning of de woonvergoeding die werd genoten indien geen ambtswoning beschikbaar was.

6.3 In afwijking van het aan het slot van lid 2 bepaalde blijft bij de berekening van de uitkeringsgrondslag de vergoeding voor het gemis van het gebruik van de ambtswoning achterwege gedurende de periode dat de betrokken predikant tijdens de uitkeringsperiode de ambtswoning bewoont.

6.4 Het in lid 2 bedoelde traktement wordt jaarlijks per 1 januari aangepast aan de wijzigingen die deputaten financiële zaken in hun tabellen doorvoeren.

Artikel 7 Verhuiskosten

7.1 De predikant die zijn ambtswoning dient te verlaten heeft aanspraak op een verhuiskostenvergoeding van euro 3.750,00, tenzij hij in verband met het aanvaarden van een beroep of een functie elders aanspraak kan maken op een verhuiskostenvergoeding.

Artikel 8 Verrekening van inkomsten

8.1 Op de in deze paragraaf bedoelde uitkering strekken de door de betrokken predikant verkregen inkomsten uit welken hoofde dan ook, met uitzondering van inkomsten uit vermogen, in mindering overeenkomstig het in lid 2 bepaalde.

8.2 Voorzover de in lid 1 bedoelde inkomsten een bedrag gelijk aan 15% van de uitke ringsgrondslag niet te boven gaan, vindt geen verrekening plaats. Van het meerdere boven 15% van de uitkeringsgrondslag wordt drie vierde gedeelte in mindering ge bracht op de uitkering.

8.3 De predikant is verplicht DVAP alle informatie te verstrekken die nodig is om te beoordelen of en in hoeverre verrekening dient plaats te vinden.

8.4 Wanneer de predikant, na een herhaald verzoek van DVAP, in gebreke blijft de in lid 3 bedoelde informatie te verstrekken, schort DVAP de betaling van de uitkering op totdat de informatie alsnog verstrekt is.

Artikel 9 Kosten

9.1 De kosten van de uitkering worden gedurende het eerste jaar van de uitkeringspen-ode gedragen door de gemeente of het deputaatschap waaraan de betrokken predikant laatstelijk verbonden was en bij gebreke daarvan door deputaten onderlinge bijstand en advies. Na het eerste jaar komen de kosten voor rekening van laatstgenoemd deputaatschap, doch ten hoogste tot het bedrag dat door DVAP als uitkering is geadviseerd. Een eventueel surplus komt voor rekening van de classis of het deputaatschap dat de uitkering op een hoger bedrag heeft vastgesteld dan door DVAP is geadviseerd.

3 DE UITKERING VAN AFGEZETTE EN TOT EEN ANDERE STAAT DES LEVENS OVERGEGANE PREDIKANTEN

Artikel 10 Het recht op uitkering

10.1 Aan een predikant die is afgezet of die is overgegaan tot een andere staat des levens kan op diens verzoek op diaconale gronden een uitkering worden toegekend ter voorziening in het levensonderhoud van hem en zijn gezin.

10.2 Een uitkering als in het vorige lid bedoeld kan alleen worden toegekend wanneer de betrokkene met zijn kerkenraad of deputaatschap is verzoend en wanneer hij lid is gebleven van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland.

Artikel 11 Uitkeringsduur

11.1 De duur van de uitkering bedraagt zes maanden, te rekenen vanaf het moment van afzetting of overgang tot een andere staat des levens.

11.2 De in het vorige lid vermelde termijn wordt verlengd tot maximaall2 maanden voor de betrokkene die op het moment van het besluit tot afzetting of overgang tot een andere staat des levens tussen dertig en veertig jaar oud is en tot maximaal 24 maanden voor de betrokkene die op dat moment de leeftijd van 40 jaar heeft bereikt, mits hij tot op het moment van afzetting of overgang tot een andere staat des levens minimaal 5 jaren in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland dienst heeft gedaan.

11.3 In afwijking van het in lid 2 bepaalde bedraagt de uitkeringsduur in maanden maximaal 2 maal het aantal volle jaren dat de betrokkene als predikant in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland heeft dienstgedaan.

Artikel 12 Einde van de uitkering

12.1 Het recht op uitkering vervalt:

a. Bij het bereiken van de maximale uitkeringsduur;

b. Vanaf het moment van het aanvaarden van een voltijds dienstverband;

c. Vanaf het moment dat de betrokkene geen lid meer is van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland;

d. Vanaf het moment dat het recht op een emeritaatsuitkering ontstaat;

e. Bij de weigering passende arbeid te aanvaarden;

f. Indien geen ernstige pogingen worden ondernomen tot het gaan verrichten van passende arbeid;

g. Indien de betrokkene aanspraak zou kunnen maken op een wachtgelduitkering of een sociale verzekeringsuitkering, maar dit geweigerd heeft of dit heeft nagelaten of aan hem te wijten is dat een dergelijke uitkering door de uitkeringsinstantie is geweigerd.

h. Bij overlijden van de betrokkene.

Artikel 13 Hoogte van de uitkering

13.1 De uitkering bedraagt 1,5 maal de voor de betrokkene, gelet op diens gezinsomstandigheden geldende bruto bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) per 1 januari van het jaar waarin het besluit tot afzetting is genomen of de betrokkene tot een andere staat des levens is overgegaan.

13.2 De in lid 1 bedoelde uitkering wordt jaarlijks per 1 januari aangepast aan de wijziging van de bijstandsnormen.

13.3 Indien de gezinssituatie van de betrokkene wijzigt en dit zou leiden tot toepassing van een andere bijstandsnorm wanneer de betrokkene een bijstandsuitkering zou hebben gehad, wordt de uitkering aangepast met ingang van het moment van de wijziging.

Artikel 14 Verrekening van inkomsten

14.1 Op de in deze paragraaf bedoelde uitkering strekken de door de betrokkene en diens partner verkregen inkomsten uit welken hoofde dan ook, exclusief daadwerkelijke inkomsten uit vermogen tot 2.000 euro, in mindering.

14.2 De betrokkene is verplicht DVAP alle informatie te verstrekken die nodig is om te beoordelen of en in hoeverre verrekening dient plaats te vinden.

14.3 Wanneer de betrokkene, na een herhaald verzoek van DVAP, in gebreke blijft de in lid 2 bedoelde informatie te verstrekken, schort DVAP de betaling van de uitkering op totdat de informatie alsnog verstrekt is.

Artikel 15 Kosten

15.1 De kosten van de uitkering worden gedurende het eerste jaar van de uitkeringsperiode gedragen door de gemeente of het deputaatschap waaraan de betrokken predikant laatstelijk verbonden was en bij gebreke daarvan door deputaten onderlinge bijstand en advies. Na het eerste jaar komen de kosten voor rekening van laatstgenoemd deputaatschap, doch ten hoogste tot het bedrag dat door DVAP als uitkering is geadviseerd. Een eventueel surplus komt voor rekening van de classis of het deputaatschap dat de uitkering op een hoger bedrag heeft vastgesteld dan door DVAP is geadviseerd.

4 BEGELEIDING

Artikel 16 Begeleiding

16.1 DVAP begeleidt de in artikel 3.1 bedoelde predikanten naar ander (ambts) werk. In uitzonderingsgevallen begeleidt DVAP ook de in artikel 10.1 bedoelde gewezen predikanten naar ander werk.

16.2 De begeleiding is er op gericht dat de betrokkene op zo kort mogelijke termijn een passend beroep als bedoeld in artikel 4 of 6 K.O. dan wel andere passende arbeid kan aanvaarden.

16.3 De begeleiding bestaat uit:

a. persoonlijke (echter niet de pastorale) begeleiding van de betrokkene;

b. het gezamenlijk verkennen van de mogelijkheden om het in lid 2 gestelde doel te bereiken;

c. het zonodig verkennen van de mogelijkheid, wenselijkheid en/of noodzakelijkheid van bij — of omscholing;

d. alle overige activiteiten die naar het oordeel van DVAP nodig zijn om het in lid 2 omschreven doel te bereiken.a.

16.4 De begeleiding vangt aan op een zo vroeg mogelijk in overleg met de betrokkene vastgesteld moment, doch niet later dan 3 maanden na het ontstaan van het recht op uitkering.

16.5 DVAP kan bij de begeleiding desgewenst de hulp van deskundige derden inroepen. Artikel 17 Verplichtingen

17.1 De betrokkene is, voorzover hij de leeftijd van 61 jaar nog niet heeft bereikt, verplicht zich door DVAP te laten begeleiden en de in dat kader door DVAP en eventueel door DVAP ingeschakelde derden verstrekte aanwijzingen en instructies die kunnen leiden tot het verkrijgen van een beroep of ander passend werk, dan wel het verbeteren van de positie op de arbeidsmarkt op te volgen.

17.2 De betrokkene, zijn voormalige kerkenraad, classis of deputaatschap zijn gehouden DVAP alle gewenste informatie te verstrekken over het ontstaan en het voortduren van de situatie waarin de betrokkene verkeert.

Artikel 18 Vergoeding opleidingskosten

18.1 Op verzoek van de betrokkene kan DVAP besluiten door betrokkene gemaakte opleidingskosten te vergoeden binnen de grenzen van hetgeen in dit artikel daarover is bepaald.

18.2 Opleidingskosten komen voor vergoeding in aanmerking wanneer een duidelijke indicatie bestaat dat de betrokkene een reële kans op ander (al dan niet ambtelijk) werk heeft en de te volgen studie, cursus of opleiding bijdraagt tot het vergroten van de kans op werk.

18.3 Een aanvraag voor vergoeding van opleidingskosten zal alleen tot honorering kunnen leiden wanneer de aanvraag wordt gedaan en de toezegging tot vergoeding is verkregen voordat de betrokkene met de opleiding, studie of cursus begonnen is.

18.4 De vergoeding bedraagt ten hoogste 75% van de directe opleidingskosten (derhalve niet van eventuele reis- en verblijfkosten en gederfde inkomsten) met een maximum van 4.000 euro.

18.5 Van de toegekende vergoeding zal 50% betaalbaar worden gesteld bij overlegging van het betalingsbewijs van (de eerste termijn van) de cursuskosten van de te volgen opleiding, studie of cursus en 50% nadat de opleiding, studie of cursus met goed gevolg is afgesloten.

18.6 Wanneer de opleiding, studie of cursus niet met goed gevolg doorlopen is als gevolg van nalatigheid van de betrokkene, is hij gehouden de reeds uitbetaalde vergoeding terug te betalen.

Artikel 19 Kosten

19.1 De kosten van het inschakelen van deskundige derden als bedoeld in artikel 16 lid 5 en de cursuskosten als bedoeld in artikel 18 zijn voor rekening van het deputaatschap onderlinge bijstand en advies.

5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 20 Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule

20.1 Indien zich een situatie voordoet waarin deze regeling niet voorziet, zullen de beslissingsbevoegde classis of het beslissingsbevoegde deputaatschap, na advies van DVAP een besluit nemen dat zoveel mogelijk recht doet aan de bedoeling van deze regeling, bij voorkeur door aansluiting te zoeken bij de wel in deze regeling geregelde situaties.

20.2 Indien onverkorte toepassing van deze regeling in een individueel geval, gelet op alle omstandigheden van het geval, zou leiden tot een situatie van onaanvaardbare en onevenredige hardheid, kunnen de betrokken classis of het betrokken deputaatschap, na advies van DVAP afwijken van strikte toepassing van deze regeling.

Artikel 21 Ingangsdatum en overgangsregeling

21.1 Deze regeling wordt van kracht op de dag dat zij door de synode is vastgesteld.

21.2 De regeling is met ingang van het van kracht worden ook van toepassing op de in artikel 1 bedoelde predikanten en gewezen predikanten die vóór het van kracht worden van de regeling zijn losgemaakt, ontslagen, afgezet of zijn overgegaan tot een andere staat des levens.

21.3 In afwijking van het in het vorige lidbepaalde, blij ven onder eerdere regelingen ontstane aanspraken op een uitkering, voor wat betreft de duur en de hoogte van die aanspraken bestaan voorzover de nieuwe regeling tot een inkorting van die aanspraken zou leiden.

(Door de invoeging van bijlage 5A en 5B vindt er een omnummering plaats van de oude bijlage 5 tot en met 16: bijlage 5 wordt bijlage 6, bijlage 6 wordt bijlage 7…etc. tot en met bijlage 16: wordt 17)

3. BIJLAGE 16 (WAS IN OUDE NUMMERING 15)

Instructie voor de commissie van redactie van ‘De Wekker’

De synode besloot:

Uitgaande van het besluit om de formele relatie tussen het curatorium en de redactie van De Wekker te beëindigen, de instructie van De Wekker als volgt vast te stellen: Instructie voor de commissie van redactie van De Wekker

Art. 1. Het weekblad De Wekker, orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, is eigendom van de kerken en bedoelt leiding te geven aan het kerkelijk leven.

Art 2. De commissie van redactie bestaat uit zoveel leden als de generale synode benoemt. De synode benoemt de hoofdredacteur en de waarnemend hoofdredacteur in functie. De hoofdredacteur bepaalt in overleg met de commissie van redactie de inhoud van het blad.

Art. 3. De commissie van redactie is bevoegd zich te doen bijstaan door adviseurs.

Art. 4. Op elke generale synode wordt een rapport ingediend over de afgelopen periode. Daarin legt de commissie van redactie verantwoording af van haar beleid.

Art. 5. De commissie van redactie legt aan de generale synode verantwoording af van haar financieel beleid.

4. BIJLAGE 18

Regeling voor deputaten ‘Kerk en Israël’

De synode besloot:

1. goedkeuring te hechten aan de samenvoeging van de ‘Regeling voor de Evangelieverkondiging onder Israël’ (bijlage 17) en de ‘instructie voor de Evangelieverkondiging onder Israël’ (bijlage 18) tot de ‘Regeling voor deputaten Kerk en Israël’;

2. deze regeling als volgt vast te stellen:

Regeling voor deputaten Kerk en Israël

Algemeen deel

Art. 1 Ten einde gestalte te geven aan de roeping van de kerken om zich met de verkondiging van het Evangelie te richten tot Israël worden door zowel de particuliere synoden als door de generale synode deputaten benoemd, onder de naam “deputaten kerk en Israël”.

Art. 2 Door iedere particuliere synode wordt een tweetal deputaten met hun secundi aangewezen. Zij hebben zitting voor de tijd van twee jaar, tenzij zij in die tijd het ressort van hun particuliere synode verlaten.

De generale synode benoemt een eerste secretaris en een tweede secretaris, alsmede een eerste en een tweede penningmeester. Dezen treden op elke generale synode af en zijn opnieuw herkiesbaar, zulks binnen de bepalingen van de maximale zittingstijd, door de generale synode vastgesteld.

De generale synode kan adviseurs aan het deputaatschap toevoegen.

De deputaten worden door de generale synode gemachtigd en geïnstrueerd. Zij zijn gehouden een verslag van hun werkzaamheden te geven aan elke particuliere en generale synode.

Art. 3 De deputaten zijn geroepen de geestelijke en stoffelijke belangen van de Evangelieverkondiging onder Israël te behartigen.

Zij zijn gemachtigd om bij de uitvoering van hun opdracht samen te werken met het bestuur van de Gereformeerde Zendingsbond in de Nederlandse Hervormde Kerk en het Instituut voor Gemeenteopbouw en Theologie van de Christelijke Hogeschool Ede, in het “Centrum voor Israëlstudies”, zich daarbij gebonden wetend aan de met het oog daarop vastgestelde “Samenwerkingsovereenkomst”.

Art. 4 De zorg voor de bibliotheek en het archief ten behoeve van de Evangelieverkondiging onder Israël is aan de deputaten opgedragen. Zij benoemen functionarissen voor het beheer daarvan volgens deze regeling.

Art. 5 De penningmeester van het deputaatschap heeft onder verantwoordelijkheid van de deputaten het beheer van de gelden. Hij zorgt voor een goede bewaarplaats en eventuele belegging van de gelden.

De benodigde gelden voor de generale kas worden bijeengebracht door giften, schenkingen, erflatingen en collecten, met name door de Paascollecte. De deputaten hebben het recht, indien nodig, een extra collecte van de kerken te vragen, zulks na toestemming van deputaten financiële zaken.

Deputaten zijn krachtens art. 84 van de Kerkorde en binnen de grenzen van deze regeling bevoegd tot:

a. het in ontvangst nemen van gelden, waaronder legaten en erfstellingen;

b. het verrichten van betalingen.

Het beheer van de generale kas is toevertrouwd aan de penningmeester van deputaten. Hij ontvangt zijn instructies van deputaten financiële zaken en doet uitbetalingen binnen de door de generale synode goedgekeurde begrotingen.

De penningmeester doet jaarlijks rekening en verantwoording aan de deputaten in een door hen vastgestelde vergadering. Dezen zullen alleen hun goedkeuring geven na de goedkeurende verklaring van de accountant die jaarlijks wordt aangezocht om de boeken na te zien.

De deputaten doen eens in de drie jaar rekening en verantwoording aan de generale synode.

Bijzonder deel

Art. 6 Bij de uitvoering van de roeping tot Evangelieverkondiging onder Israël zijn binnen de orde van Christus’ kerk de volgende elementen van belang:

a. de diensten;

b. de samenwerking tussen zendende kerk(en) en deputaten;

c. het opzicht over de leer en de christelijke tucht.

De diensten

Art. 7 De diensten zijn tweeërlei:

a. de kerndienst, zijnde de ambtelijke dienst des Woords in prediking, sacramentsbediening, zielzorg en catechese;

b. de nevendiensten, zijnde het toezicht op de beoefening van de christelijke barmhartigheid en het geven van onderwijs.

Dit alles voor zover dat in de gegeven situatie mogelijk is.

Art. 8 De toelating tot de dienst des Woords en der sacramenten voor de Evangelieverkondiging onder Israël van hen die het ambt van dienaar des Woords in de Christelijke Gereformeerde kerken nog niet hebben bekleed, geschiedt overeenkomstig art. 4 van de Kerkorde.

Art. 9 De beroeping van een dienaar des Woords voor de Evangelieverkondiging onder Israël die reeds aan een van de Christelijke Gereformeerde kerken verbonden is, geschiedt overeenkomstig art. 5 van de Kerkorde.

Art. 10 Zij die volgens de voorgaande artikelen beroepen zijn, zullen opgeleid worden voor de dienst van de Evangelieverkondiging onder Israël. De wijze waarop dit geschiedt, wordt geregeld door de deputaten binnen het samenwerkingsverband van het Centrum voor Israëlstudies. Hiervan wordt verslag gedaan aan de generale synode.

Art. 11 Vóór de uitzending tot de Evangelieverkondiging onder Israël zullen de deputaten zich overtuigen van de goede uitslag van de opleiding volgens art. 10 door een examen dat de volgende vakken omvat:

1. kennis van de geschiedenis en de cultuur van het joodse volk en de joodse religie,

2. met name in betrekking tot het terrein waar de beroepene zal arbeiden;

3. geschiedenis van de Evangelieverkondiging onder Israël;

4. theorie daarvan naar gereformeerde beginselen;

5. de elenctiek in betrekking tot de joodse godsdienst.

De deputaten kunnen gehele of gedeeltelijke vrijstelling van dit examen verlenen.

Art. 12 Na aanneming van het beroep zal voor een kandidaat het peremptoir examen plaatsvinden naar art. 4 van de Kerkorde door de classis waaronder de roepende kerk ressorteert en zonodig het examen naar art. 11 van deze regeling.

Art. 13 Na gunstige uitslag van de in voorgaande artikelen genoemde examens zal de bevestiging van de beroepene plaats hebben in de kerk door welke hij voor de Evangelieverkondiging onder Israël beroepen is, volgens het formulier daartoe door de generale synode vastgesteld (zie Acta 1974, art. 141).

Art. 14 De dienaar des Woords blijft ook op het terrein waar hij arbeidt de dienaar van de zendende kerk. Hij ontvangt zijn instructies voor het werk van de raad van de zendende kerk en de deputaten (binnen het samenwerkingsverband van het Centrum voor Israëlstudies) en vraagt in twijfelachtige gevallen advies inzake zijn arbeid aan die raad en aan de deputaten.

Art. 15 Tot de taak van de dienaar des Woords behoort dat hij het Evangelie verkondigt onder Israël en onder de zegen des Heren meehelpt aan de bouw van de kerk van de Here Jezus Christus ter plaatse waarheen de kerk hem zendt.

Art. 16 Het verlenen van emeritaat aan de dienaar des Woords en, in geval van overlijden, de onderhouding van zijn eventuele weduwe en wezen zal geschieden volgens de bepalingen van art. 13 van de Kerkorde.

Art. 17 De regelingen verzorging van de nevendiensten, alsmede de vaststelling van de instructie van hen die in deze nevendiensten werkzaam zijn, wordt overgelaten aan de zendende kerk in overleg met de deputaten (binnen het samenwerkingsverband van het Centrum voor Israëlstudies) volgens bepalingen door de generale synode vastgesteld.

De samenwerking tussen zendende kerk(en) en deputaten

Art. 18 De uitzending van een dienaar des Woords voor de Evangelieverkondiging onder Israël geschiedt door de plaatselijke kerk, hetzij met, hetzij zonder medewerking van andere plaatselijke kerken.

Art. 19 De kerken verlenen door haar deputaten medewerking aan de zendende kerk tot

het uitzenden van een dienaar des Woords voor de Evangelieverkondiging onder

Israël.

Art. 20 De raad van de zendende kerk en de deputaten (binnen het samenwerkingsverband van het Centrum voor Israëlstudies) zullen zo dikwijls bijeenkomen als door de kerkenraad of door de deputaten zal nodig geacht worden. De kerkenraad kan zich doen vertegenwoordigen door gecommitteerden.

De deputaten hebben het recht van alle stukken die betrekking hebben op deze arbeid kennis te nemen en hun oordeel ter kennis te brengen van de kerkenraad die in overleg met en in tegenwoordigheid van de deputaten deze arbeid behartigt.

Art. 21 Het werk van de beroeping en uitzending van een dienaar des Woords voor de Evangelieverkondiging onder Israël geschiedt door de zendende kerk uit een voordracht door de kerkenraad en de deputaten vastgesteld.

De beroepsbrief en de instructie worden vastgesteld door de kerkenraad en de deputaten (binnen het samenwerkingsverband van het Centrum voor Israëlstudies).

Art. 22 De zendende kerk is verplicht haar dienaar die haar in het Evangelie dient, een behoorlijk honorarium voor levensonderhoud te waarborgen, alsmede een redelijke kostenvergoeding.

De financiële verplichtingen die hieruit voortvloeien worden overgedragen aan deputaten kerk en Israël.

Art. 23 Het arbeidsveld van de uit te zenden dienaar wordt door de zendende kerk aangewezen op advies en met goedkeuring van de deputaten (binnen het samenwerkingsverband van het Centrum voor Israëlstudies), die daartoe de machtiging van de generale synode behoeven.

Indien ingeval van dringende noodzaak van arbeidsveld veranderd moet worden, treden de kerkenraad en de deputaten (binnen het samenwerkingsverband van het Centrum voor Israëlstudies) handelend op onder verantwoordelijkheid aan de generale synode.

Het opzicht over de leer en de christelijke tucht

Art. 24 De bij de dienst te gebruiken Bijbelvertalingen, catechetische leer- en dienstboeken, formulieren voor doop en avondmaal enz. worden door de dienaar aan de kerkenraad van de zendende gemeente voorgelegd en met advies van deputaten (binnen het samenwerkingsverband van het Centrum voor Israëlstudies) goedgekeurd.

Art. 25 Hettoezicht op de belijdenis en wandel van de dienaar voor de Evangelieverkondiging onder Israël berust bij de raad van de zendende kerk, in geval de betreffende dienaar het ambt bekleedt in de Christelijke Gereformeerde kerken.

Indien hij zondigt ten opzichte van leer of leven en de zendende kerk daarvan zekerheid krijgt, zal zij hem overeenkomstig de daarvoor in de Kerkorde vervatte bepalingen behandelen.

Slotbepaling

Art. 26 De artikelen van deze regeling kunnen door de generale synode gewijzigd, vermeerderd of verminderd worden. Daartoe mogen de deputaten voorstellen indienen.

5. BIJLAGE 21 (KOMT IN PLAATS VAN BIJLAGE 21 EN 22)

Instructie voor deputaten diaconaat

De synode besloot:

De instructie voor het deputaatschap ‘Diaconaat’ als volgt vast te stellen:

Art. 1. De generale synode benoemt maximaal tien deputaten en een secundusdeputaat voor ondersteuning van de kerken in het diaconaat.

Art. 2. De generale synode wijst voorzitter, secretaris en penningmeester aan. Zeven deputaten zijn elk lid van één van de zeven werkgroepen.

Art. 3. Deputaten benoemen leden voor de verschillende werkgroepen, die hen bijstaan om hun taken uit te voeren.

Art. 4. Deputaten krijgen als opdracht:

a. de kerken, kerkleden en in het bijzonder de diaconieën voorlichting en adviezen te geven over algemeen diaconale en maatschappelijke aangelegenheden en over hulpverlening wereldwijd;

b. de kerken en in het bijzonder de diaconieën voorlichting en adviezen te geven over de plaats van de kerk in de samenleving;

c. de hulpverlening vanuit de kerken aan kerken en christelijke instellingen in binnen- en buitenland in noden van onderscheiden aard te coördineren en te stimuleren vanuit de gemeenschap met Christus en de daaruit voortvloeiende roeping;

d. bij calamiteiten de kerken en kerkleden op te wekken hun roeping te vervullen tegenover de naaste in nood;

e. contacten te onderhouden met Classicale Diaconale Commissies;

f. zich te bezinnen op de vragen en de consequenties van de maatschappelijke context voor ons kerk en christen zijn, waarbij het met name gaat om vragen rond de verdeling en de kwaliteit van arbeid en welvaart en de daarmee samenhangende sociale verhoudingen en voorzieningen in Nederland en wereldwijd;

g. diaconieën en andere diaconaal werkenden toe te rusten via Classicale Diaconale Commissies, in het bijzonder diakenen voor hun taak op kerkelijke vergaderingen;

h. contacten te onderhouden met hulporganisaties en hulpverlenende instellingen in eigen kerkelijk leven of daarbuiten en voor zover nodig met overheidsinstellingen;

i. de kerken te vertegenwoordigen in interkerkelijk overleg of overleg van andere aard bij diaconale aangelegenheden, en in internationale diaconale contacten.

Art. 5. Ten behoeve van de hulpverlening zijn deputaten gemachtigd jaarlijks een collecte in de kerken te doen houden en zo nodig op de diaconieën een beroep te doen.

Art. 6. Deputaten kunnen de generale synode voorstellen doen voor zover die liggen binnen de grenzen van hun werkterrein.

Art. 7. Deputaten mogen niet treden in het werk van de plaatselijke diaconie (kerkenraad) en van de meerdere vergaderingen.

Art. 8 Een algemene collecte in de kerken ten behoeve van plaatselijke en regionale belangen mag alleen worden uitgeschreven door deputaten.

Art. 9. Deputaten zijn krachtens artikel 84 K.O. en binnen de grenzen van hun instructie bevoegd tot het in ontvangst nemen van gelden, waaronder legaten en erfstellingen, en tot het verrichten van betalingen.

Art. 10 Deputaten zullen hun archiefstukken overeenkomstig de aanwijzingen van de afdragen aan het archief van de synode.

Art. 11 Deputaten zullen hun administratieve werkzaamheden laten verrichten door het Dienstenbureau.

Art. 12 Deputaten verplichten zich aan iedere generale synode een begroting te doen toekomen.

Art. 13 Deputaten zijn van al hun handelingen en van hun financieel beheer verantwoording schuldig aan de generale synode.

(Bijlage 23 wordt: 22; bijlage 24 wordt: 23 enz. tot en met bijlage 29: wordt 28.)

6. NIEUWE BIJLAGE 29 (ART 5O K.O.)

Instructie voor deputaten kerkorde en kerkrecht

De synode besloot:

De instructie voor het deputaatschap kerkorde en kerkrecht als volgt vast te stellen:

Art. 1 De generale synode benoemt deputaten kerkorde en kerkrecht.

Art. 2 Het getal van de deputaten is bepaald op tenminste zeven.

Art. 3 De taak van deputaten is:

a. het verzorgen van de uitgave van de kerkorde;

b. het bevorderen van de naleving van de kerkorde door het ontwikkelen van een doelmatig informatief beleid en het (doen) ontwikkelen van toerustingsmateriaal ten behoeve van ambtsdragers en gemeenteleden en voor publicatie daarvan gebruik te maken van kerkelijke bladen zoals De Wekker en Ambtelijk Contact;

c. het verzamelen en in kaart brengen van aandachtspunten met betrekking tot (de uitgave van) de kerkorde die vanuit de kerken worden ingebracht;

d. het zich bezinnen op deze aandachtspunten en op actuele kerkordelijke vragen die om regelgeving in de kerkorde vragen;

e. het uitbrengen van kerkrechtelijk advies (zonder dat daar rechten aan kunnen worden ontleend).

Art. 4 Deputaten verantwoorden in het voorwoord van de kerkorde weglatingen en toevoegingen in de kerkorde.

Art. 5 Deputaten ontvangen van deputaten vertegenwoordiging de opdracht welke besluiten van de generale synode in de kerkorde dienen te worden opgenomen of te worden weggelaten.

Art. 6 Deputaten hebben het recht de generale synode voorstellen te doen met betrekking tot de zaken die in hun rapport aan de orde worden gesteld.

Art. 7 Deputaten brengen van al hun werkzaamheden verslag uit aan de generale synode.

7. BIJLAGE 33A

Klachtenprocedure ingeval van misbruik van pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties

De synode besloot:

Het wijzigingsvoorstel klachtenprocedure (met toelichting) goed te keuren en als volgt vast te stellen:

Klachtenprocedure

I Begrippenomschrijving

Art. 1 In dit besluit wordt verstaan onder:

a. misbruik van gezagsrelatie:

iedere uiting van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag, opzettelijk of onopzettelijk, door een pastorale of andere kerkelijke medewerker, aangesteld binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, waardoor ten opzichte van een gemeentelid, vanuit de gezagspositie, vertrouwen geschonden wordt en de grens van persoonlijke integriteit overschreden wordt en welke derhalve op gespannen voet staat met datgene wat ons in Gods Woord wordt voorgehouden ten aanzien van de omgang met de naaste.

Dit kan seksueel getinte uitingen betreffen, maar ook ander intimiderend gedrag;

b. klacht:

een bij de klachtencommissie of bij een kerkenraad(slid) door een klager schriftelijk naar voren gebracht bezwaar betreffende een onder a, bedoelde uiting;

c. klager:

degene die voor zichzelf een klacht indient bij de klachtencommissie of een kerkenraad(slid).

Ten behoeve van een minderjarige, degene die onder curatele of onder bewind gesteld is of degene ten aanzien van wie een mentorschap is ingesteld kan diens wettelijk vertegenwoordiger optreden.

Een minderjarige die voldoende in staat is zijn eigen belangen te behartigen kan ook zelfstandig een klacht indienen.

d. aangeklaagde:

de pastorale of andere kerkelijke medewerker tegen wie de klacht is gericht; (zie ook toelichting)

e. (klachten)commissie:

de door de generale synode benoemde landelijke commissie, die bevoegd is een, al dan niet via kerkenraad of meldpunt binnengekomen, klacht in behandeling te nemen;

f. meldpunt:

een centraal punt, waar deskundige medewerkers terzake van misbruik van gezagsrelaties en klachtenprocedure informatie en advies kunnen geven. Deze medewerkers kunnen zonodig verwijzen naar de klachtencommissie en een intensievere vorm van hulpverlening. Tevens kunnen zij een klager of aangeklaagde begeleiden tijdens en na de procedure van de klachtencommissie;

g. vertrouwenspersoon:

degene die op verzoek van een klager of aangeklaagde diens belangen mede behartigt, dan wel als diens vertegenwoordiger of gemachtigde optreedt. Dit kan een medewerker van het meldpunt zijn.

(zie ook toelichting bij art. 1)

II. Taak, bevoegdheid en samenstelling klachtencommissie

Art. 2 De door de generale synode benoemde klachtencommissie, voluit geheten klachtencommissie inzake misbruik van pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties, heeft tot taak de bij haar of bij een kerkenraad binnengekomen klachten te bezien op ontvankelijkheid, en deze in dat geval nader te onderzoeken en te beoordelen op de al dan niet gegrondheid ervan.

In zich voordoende gevallen wordt advies uitgebracht over de afdoening van de zaak aan de kerkenraad van de gemeente waartoe de aangeklaagde behoort.

Na het uitbrengen van het advies cq na de beslissing dat de klacht niet ontvankelijk of ongegrond was is de taak van de commissie geëindigd, behoudens het bepaalde in art. 15.

Art. 3 De klachtencommissie is bevoegd kennis te nemen van een klacht indien de klager, al dan niet door tussenkomst van de kerkenraad of de vertrouwenspersoon, de klacht schriftelijk indient en ook overigens voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 5.

Art. 4 1. De klachtencommissie dient zodanig te zijn samengesteld dat een deskundige en onpartijdige behandeling van klachten zoveel mogelijk gewaarborgd is.

2. De klachtencommissie, die minstens evenveel vrouwen als mannen telt, bestaat minimaal uit zes en maximaal uit acht leden, afkomstig uit alle ressorten van de particuliere synodes en geselecteerd uit het juridisch veld, de hulpverlening en het kerkelijk pastoraat.

Er is een voorzitter en een plv. voorzitter, een secretaris en een plv. secretaris.

3. Daarnaast benoemt de generale synode een aantal deskundigen, zonodig uit andere_kerkgenootschappen, die zich op afroep beschikbaar stellen om eventueel ad hoc in de commissie te participeren.

4. Benoeming van de commissieleden geldt voor drie jaar. Herbenoeming is vier keer mogelijk.

De zittingsduur van een lid, dat is benoemd op een tussentijds opengevallen plaats, is gelijk aan de duur van de resterende zittingsperiode van het lid in wiens plaats de benoeming plaatsvindt.

De generale synode kan een benoeming om dringende redenen ook tussentijds beëindigen.

5. De commissie kan zich laten bijstaan door externe adviseurs, zonodig uit andere kerkgenootschappen, die zich conformeren aan de door de generale synode te stellen voorwaarden.

6. De commissie kan zich laten ondersteunen door secretariële medewerkers.

7. Het karakter van de klachtenprocedure verplicht de leden van de klachtencommissie, de daarnaast benoemde deskundigen, de externe adviseurs en de secretariële medewerkers tot volstrekte geheimhouding.

(zie ook toelichting bij art. 4)

III. Ontvankelijkheid van de klacht en het overleggen van stukken

Art. 5 1. Een ieder die lid is, of geweest is, van een Christelijke Gereformeerde kerk, hetzij als belijdend lid, hetzij als dooplid, hetzij als meelevend lid, kan bij de commissie een klacht indienen tegen degene die misbruik maakte van zijn gezagsrelatie.

2. Iemand, die geen lid is of geweest is van een Christelijke Gereformeerde kerk, kan een klacht indienen indien misbruik van een kerkelijke gezagsrelatie is gemaakt tijdens een functioneel contact met de aangeklaagde of voortvloeiend uit een contact met de aangeklaagde.

3. Een klacht dient zo spoedig mogelijk te worden ingediend, maar blijft ontvankelijk zolang de aangeklaagde op zijn verantwoordelijkheid kan worden aangesproken (zie ook toelichting).

4. Een klacht wordt schriftelijk ingediend bij de commissie. Dit kan zowel rechtstreeks door de klager, als via een (lid van de) kerkenraad en via een vertrouwenspersoon.

5. Een klacht bevat naast de volledige namen, de geboortedatum en het adres van de klager(s), alsmede een dagtekening, ten minste:

a. een omschrijving van de uiting die aangegeven wordt als misbruik van de gezagsrelatie;

b. het tijdstip of de periode waarop deze betrekking heeft;

c. de identiteit van de aangeklaagde(n), met vermelding van adres(sen) en

d. een overzicht van door de klager(s) ondernomen stappen en eventueel daarop betrekking hebbende stukken.

(zie ook toelichting bij art. 5)

IV. Doorzending

Art. 6 1. Indien een klacht wordt ingediend bij een kerkenraad(slid) wordt deze zo spoedig mogelijk ter behandeling doorgezonden naar de klachtencommissie (zie toelichting).

2. De kerkenraad informeert klager over de doorzending naar de commissie en wijst de klager op de mogelijkheid een vertrouwenspersoon in te schakelen.

V. Procedure klachtbehandeling

Art. 7 1. De secretaris van de klachtencommissie bevestigt aan de klager, in principe binnen een week, schriftelijk de ontvangst van de klacht en informeert de klager over de werkwijze van de commissie en wijst voorzover nog nodig op de mogelijkheid een vertrouwenspersoon in te schakelen

2. De secretaris informeert zoveel mogelijk gelijktijdig de aangeklaagde over het feit dat een klacht is binnengekomen en zendt hem een afschrift van de klacht en eventuele andere schriftelijke stukken. Ook de aangeklaagde wordt geïnformeerd over de werkwijze van de commissie en de mogelijkheid een vertrouwenspersoon in te schakelen.

Art. 8 De secretaris en de voorzitter, eventueel aangevuld met andere leden, gaan na of de klacht ontvankelijk is. Is dit niet het geval dan worden klager en aangeklaagde daarover zo spoedig mogelijk, met toelichting, geïnformeerd, evenals, ingeval van doorzending, de betreffende kerkenraad.

Indien de klacht ontvankelijk is wordt de kerkenraad van de gemeente waartoe de aangeklaagde behoort vertrouwelijk op de hoogte gesteld van het feit dat de klachtencommissie de klacht in behandeling heeft. Van dit laatste kan worden afgezien wanneer dit in alle redelijkheid niet dienstig beschouwd wordt, dit ter beoordeling van de klachtencommissie.

Art. 9 1. Is de klacht ontvankelijk dan roept de (plv) secretaris de klachtencommissie bijeen teneinde te overleggen in welke samenstelling van drie of maximaal vier personen de klacht tijdens de hoorzitting behandeld zal worden.

In beginsel zullen dit zijn: de voorzitter of de plv. voorzitter, de secretaris of de plv. secretaris en een of twee leden, geen van allen uit de regio van de particuliere synode(s), waaruit klager en aangeklaagde afkomstig zijn. Aan de behandeling ter zitting nemen zowel mannelijke als vrouwelijke commissieleden deel, zoveel mogelijk uit elk van de drie in art. 4 genoemde velden.

2. De commissie bepaalt binnen 6 weken na ontvangst van de klacht de datum en de plaats(en) waar klager en aangeklaagde door de commissie zullen worden gehoord. De hoorzitting vindt in principe plaats binnen 8 weken.

Art. 10 1. De secretaris zendt klager en aangeklaagde minstens 14 dagen voor de hoorzitting een oproep, met eventuele aanvullende stukken, die op de zaak betrekking hebben, voorzover deze naar de mening van de commissie voor doorzending in aanmerking komen.

2. Tot 10 dagen voor de hoorzitting kunnen partijen nadere stukken indienen. De secretaris zendt deze door aan de andere partij, met de beperking genoemd in het vorige lid.

Art. 11 1. De hoorzittingen van de commissie zijn besloten. De secretaris maakt van iedere zitting een schriftelijk verslag, bestemd voor partijen en de commissie.

2. Klager en aangeklaagde worden in beginsel in eerste instantie afzonderlijk en daarna in eikaars aanwezigheid gehoord.

De klachtencommissie kan ambtshalve of op verzoek beslissen af te zien van het gezamenlijk horen van partijen, met name indien aannemelijk is dat dat een zorgvuldige behandeling zal belemmeren.

3. Op verzoek van een van de partijen kan de hoorzitting worden aangehouden tot maximaal zes maanden na ontvangst van de klacht. De commissie is bevoegd in het belang van het onderzoek of in het belang van een der partijen deze termijn te verlengen.

Zowel klager als aangeklaagde wordt op de hoogte gesteld van aanhouding en verlenging.

4. De commissie is bevoegd personen op te roepen voor een hoorzitting voor het geven van inlichtingen of het afleggen van een verklaring als getuige of deskundige. De commissie is ook bevoegd schriftelijke informatie te vragen.

5. Partijen kunnen de commissie verzoeken getuigen of deskundigen te doen horen. Een verzoek tot het horen van getuigen of deskundigen dient in principe ten minste tien dagen voor de datum van de in art. 10 bedoelde hoorzitting te worden ingediend.

6. Indien de aangeklaagde de klacht ongegrond verklaart kan de klachtencommissie een onderzoek vragen van een terzake deskundige.

Art. 12 1. Indien klager naast de klacht tevens aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit wordt de behandeling van de klachtencommissie in principe opgeschort in afwachting van de resultaten van het onderzoek in de strafzaak. Opschorting is ook mogelijk indien een civiele procedure is gestart samenhangend met de klacht.

2. Indien klager een klacht intrekt, behoudt de klachtencommissie zich het recht voor een onderzoek in te stellen naar de reden van de intrekking.

VI. Beoordeling klacht en beroepsmogelijkheid. Bewaartermijn stukken.

Art. 13 1. De commissie doet zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na de laatste hoorzitting, uitspraak omtrent de gegrondheid van de klacht.

2. Acht de klachtencommissie de klacht ongegrond dan deelt zij dit gemotiveerd schriftelijk mee aan de klager, aan de aangeklaagde en aan de betreffende kerkenraad.

3. Acht de klachtencommissie de klacht gegrond dan deelt zij dit, onder overlegging van een samenvatting van de klacht en de bevindingen tijdens het onderzoek, gemotiveerd schriftelijk mee, onder toevoeging van een advies voor afdoening door de kerkenraad, aan de klager, de aangeklaagde en de kerkenraad van de gemeente waartoe de aangeklaagde behoort.

4. Aangeklaagde en klager kunnen van de al dan niet gegrond verklaring en/of het advies in beroep gaan bij de beroepscommissie klachten. Klager kan bij deze beroepscommissie ook in beroep gaan indien zijn klacht niet ontvankelijk is verklaard, tenzij hij ten aanzien van dezelfde aangelegenheid reeds in beroep ging bij de classis.

Een beroep dient binnen een maand na dagtekening van de uitspraak van de klachtencommissie te worden ingediend onder overlegging van de uitspraak.

5. De op de zaak betrekking hebbende stukken zullen in principe tot 10 jaar na ontvangst van de klacht door de klachtencommissie in het archief van de commissie bij de secretaris bewaard worden. Een schaduwarchief, ondergebracht bij de archivaris van de synode, zal gelijktijdig vernietigd worden. Indien binnen de termijn van 10 jaar een nieuwe aanklacht tegen dezelfde persoon binnen komt blijven ook de eerdere stukken langer bewaard.

VII. Te adviseren maatregelen

Art. 14 1. De klachtencommissie zal bij het uitbrengen van advies zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij de in de Kerkorde van de Christelijke Gereformeerde Kerken (KO) aangegeven tuchtmaatregelen, met dien verstande dat, gezien de gezagsrelatie, de bescherming van het slachtoffer en het voorkómen van nieuwe feiten daarbij een pregnante rol dienen te spelen.

2. In acute situaties dienen door de betreffende kerkenraad, in overleg met de klachtencommissie, voor of hangende het onderzoek, zonodig voorlopige maatregelen getroffen te worden.

VIII. Beslissing kerkenraad en verdere afdoening

Art. 15 1. De kerkenraad van de gemeente waartoe de aangeklaagde behoort beslist binnen een maand na het onherroepelijk worden van de uitspraak van de klachtencommissie, of, indien beroep is ingesteld, na dagtekening van de uitspraak van de beroepscommissie, en informeert hierover schriftelijk de klager, de aangeklaagde en de commissie.

2. De kerkenraad volgt in principe het advies van de klachtencommissie, cq de beroepscommissie.

Indien de kerkenraad op grond van zwaarwegende bezwaren niettemin van het advies zou willen afwijken, dan bericht hij dit eveneens binnen een maand schriftelijk, onder vermelding van de motieven aan de klager, de aangeklaagde en de commissie.

Klager en aangeklaagde kunnen zich ten aanzien van de beslissing van de kerkenraad overeenkomstig art.31 KO binnen een maand beroepen op de classis. Zij kunnen zich ook op de classis beroepen indien de kerkenraad na 2 maanden nog geen beslissing heeft genomen en betrokkenen daarover ook geen redelijke uitleg heeft gegeven.

3. Op initiatief van de betreffende kerkenraad kan ter toelichting op het uitgebrachte advies een gezamenlijk overleg geëntameerd worden.

IX. Inwerkingtreding gewijzigde procedure

Art. 16 De door de generale synode van 2004 vastgestelde gewijzigde procedure treedt op 1 januari 2005 in werking. Klachten waarin vóór 1 december 2004 een uitspraak is gedaan vallen geheel onder de oude regeling.

Toelichting bij de klachtenprocedure van de Christelijke Gereformeerde Kerken

Art. 1 sub a

Bij een andere kerkelijke medewerker, aangesteld binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een gemeentelid dat in een bepaalde functie benoemd is door de kerkenraad.

Voor eventueel misbruik van gezag dient er dan tevens sprake te zijn van een gezagsrelatie ten opzichte van degene die wil klagen.

Art 1 sub d

Het misbruik waarover geklaagd wordt moet geheel of gedeeltelijk hebben plaatsgevonden in de periode waarin betrokkene in functie was, aangesteld binnen een CG kerk en werkzaam in of vanwege de kerk. De klacht kan ook worden ingediend na beëindiging van de functie.

Art. 4

Onpartijdig optreden en geheimhouding:

De commissieleden stellen zich afwachtend en zo objectief mogelijk op. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij geen activiteiten ontplooien tav het formuleren van een klacht (zij kunnen desgevraagd wel verwijzen) en geen aangifte doen van een strafbaar feit indien de wet daartoe niet verplicht.

Informatie naar betrokkenen wordt desgevraagd zo objectief mogelijk geformuleerd. Gezien de geheimhoudingsplicht wordt er naar buiten toe geen enkele mededeling gedaan over een zaak, ook niet over het al dan niet aangemeld zijn (geweest), behoudens hetgeen waartoe de klachtenprocedure verplicht.

Persvoorlichting aan kerkelijke en andere bladen dient niet door leden van de klachtencommissie gedaan te worden.

Art. 5

Klager voert zoveel mogelijk aantoonbare feiten aan, nodig om het gestelde misbruik te bevestigen en legt daartoe reeds aanwezige stukken over en geeft een overzicht van door hemzelf reeds ondernomen stappen en eventueel daarop betrekking hebbende stukken.

Van belang voor de ontvankelijkheid is:

a. of de omschrijving van de uiting valt onder art. 1 sub a èn

b. of voldaan is aan de formaliteiten genoemd in art. 5.

Het alleen stellen dat er misbruik van een gezagsrelatie is geweest is onvoldoende. Het niet (meteen) overleggen van alle stukken hoeft niet om die reden tot niet ontvankelijkheid te leiden. Art. 5, lid 3

Zolang iemand op zijn verantwoordelijkheid kan worden aangesproken omvat twee aspecten: zolang iemand in leven is èn lid is van de CGK.

Art. 6. lid 1

Het is van belang dat een kerkenraad een bij hem binnengekomen klacht niet te lang aan zich houdt. Door een te grote betrokkenheid is de kans groot dat de objectiviteit onvoldoende gewaarborgd wordt, hetgeen ten koste kan gaan van klager of aangeklaagde. Bovendien is het niet denkbeeldig dat klager, aangeklaagde en/of de kerkenraad binnen de gemeente steun gaan zoeken voor eigen standpunt, waardoor er onrust binnen de gemeente ontstaat.