Digibron.nl

Een gesel van God tegen onze zonden

Bron: Reformatorisch Dagblad
Datum: vrijdag 6 december 1991
Auteur: J. G. H. van Ginkel
Pagina: 14 (Onbekend)

Calvijn en Luther hebben het mis gehad. Niet wat hun visie op de verhouding tussen wet en Evangelie betreft, maar wel wat hun visie op de islam betreft. Dat vindt ds. J. Slomp, islam-deskundige van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Hij ervaart de visie van Luther en Calvijn als een soort "koude-oorlogtheologie". Ook noemt hij de reformatoren mede verantwoordelijk voor een aantal vijandbeelden in de westerse samenleving. Anderen in de gereformeerde gezindte vinden daarentegen dat het getuigenis van de Reformatie „blijvend actueel" is. De Lutherkenner drs. K. Exalto, die dit thema eveneens bestudeerde, is van mening dat tegen de islam alleen het wapen van de zuivere bediening van het Evangelie helpt.

Ds. Slomp komt tot zijn conclusies na een uitvoerige analyse van passages over de islam bij Luther en Calvijn. In 1984 publiceerde hij als eerste in het Nederlands taalgebied over "Luther en de wortels van het anti-islamisme". In 1989 schreef hij de studie "Calvin and the Turks" voor de nog te publiceren feestbundel van de Nederlandse hoogleraar Bijlefeld. Deze studie deed hij „uit theologische en historische interesse alsook vanwege het gegeven dat Luther en Calvijn mede het denkklimaat van het Westen hebben gevormd".

Op de knieën

In niet minder dan twaalf geschriften spreekt Luther zich uit over de islam. Hierin zegt hij de Turk te zien als „een straffende hand van God tegen de zonde van de christenheid". Hij verzet zich tegen de pauselijke oproep tot kruistochten tegen de Turken, maar wijst ook de pacifistische prediking af, waarin tegen de gewone mensen wordt gezegd dat een christen geen wereldlijk zwaard mag dragen.

Luther vindt, samen met alle andere reformatoren van zijn tijd, dat de christelijke kerk zich van haar zonden moet bekeren. Daardoor zal de „gesel" van de Turken worden gebroken. Allen vinden dat Europa op de knieën moet. Als Karel V in 1542 boete- en bededagen uitschrijft, geven zij daaraan unaniem gehoor. In deze oproep tot voorbede kon keizer Karel overigens bogen op een middeleeuwse traditie.

Tijdgebonden"

Luthers visie op de islam is volgens ds. Slomp tijdgebonden. De berichtgeving in die tijd was „emotioneel" en „onvolledig", maar wel was het ieder duidelijk dat de Turk een reëel gevaar was aan de Duitse grens. Achter dit dreigende gevaar zag de reformator het beeld van de duivel. Zijn kritiek was tevens sterk gericht op de eindtijd. Wel onderscheidde hij duidelijk tussen religie en politiek. Ook deed hij geslaagde pogingen voor beter bronnenmateriaal. Te denken is aan zijn initiatief tot de Duitse editie van de Latijnse versie van de koran, in 1543. Volgens sommige deskundigen stond voor Luther vast dat de Turken „naar de hel gaan, omdat ze de duivel dienen". Ds. Slomp nuanceert dat. „Luther noemt moslims op zijn hoogst „des duivels heiligen"", zegt hij. Ondanks die kwalificatie kan Luther voor sommige islamitische plichten echter ook respect opbrengen. Moslims vindt hij verstandiger en oprechter dan de priesters en de monniken van Rome. Ook roemt hij hun vriendelijkheid, hun waarheidsliefde, hun eenvoud, hun trouw, hun ernst bij het gebed en hun volhardende ascese. Maar buiten Christus is al hun deugd voor hem „louter schijn".

Minder demonie

Bij Calvijn komt de demonie van de bedreiging en de apocalyptiek ervan veel minder om de hoek, aldus ds. Slomp. Dat komt mede doordat Calvijn in het Zwitserland van zijn dagen veel minder met het Turkse gevaar werd geconfronteerd dan Luther. „De Geneefse hervormer wijst Luthers exegese van Daniël 7 nadrukkelijk af. Calvijn was duidelijk losser van de middeleeuwse levenssfeer. Zijn scholing was gekleurd door de humanistische traditie van zijn dagen", zo meent de predikant. Wel is het hem opgevallen dat Calvijns vrienden hem zeer exact informeren over bewegingen van Turkse troepen. „Dan zegt Calvijn: Het is een schandaal dat moslims op Franse bodem bidden naar Mekka en dat mijn geloofsgenoten tegelijkertijd vervolgd worden".

In de eerste editie van zijn Institutie en in de niet gepubliceerde introductie in zijn eigen Latijnse Bijbel (1551) schrijft Calvijn dat christenen mensen die Christus weinig liefhebben of hem zeer haten, moeten verdragen. Afwijkende christenen, zoals Michael Servet, zijn naar zijn mening gevaarlijker dan de Turken en joden, die de Drieëenheid uit onwetendheid bestrijden.

In de kaart

Volgens ds. Slomp maakt Calvijn hier onderscheid tussen christelijke ketters en heidense ketters. Wel zou de reformator alert zijn gebleven op islamitische tendensen. In zijn kruisverhoor van Servet wordt duidelijk dat hij hem verdacht van het lezen van de koran. Ook confronteerde hij hem met de mening dat zijn ontkenning van de Drieëenheid in feite de islam in de kaart speelde.

Hoe waardeert u het werk van de reformatoren?
„Ik denk dat er een heleboel misvattingen aan hun kant waren. Calvijn had de koran kunnen lezen. De man die zijn Institutie drukte, drukte ook de koran. Luther kende de koran wel. Van de 12.000 woorden zijn er maar 3000 te vertrouwen, schrijft hij. Hij kende ook een aantal middeleeuwse schrijvers over de islam. De bronnen van Calvijn zijn onbekend. Hij voegt uiteindelijk niets nieuws toe. Luther wel. Hij spoort zelfs aan tot lezen van de koran, zij het met het commentaar, om zo de vijand van binnen uit te leren kennen. Ik denk dat Calvijn heel vaak oordelen uitsprak zonder goed kennis te nemen van de islam. Hij zei vaak: Als je de Zoon niet kent, ken je de Vader niet. Maar persoonlijk denk ik dat je niet-trinitarische godskennis niet zomaar kunt afwijzen. Van de joden zeggen we toch ook niet dat ze geen kennis van God hebben?"

Koude-oorlogtheologie noemt u hun opvattingen in uw studie "Calvin and the Turks".
„Inderdaad, wat je ziet, is dat Luther en Calvijn papisten, joden en moslims op één hoop gooien. Ze zitten dus sterk in die koude-oorlogtheologie, zou je kunnen zeggen. Het wordt bij hen een politiek-theologisch wapen. Ik denk dat Luther hier verder was dan Calvijn. Calvijn noemt Mohammed 25 keer, zo heb ik geteld, maar hij zegt over hem niets positiefs. Zijn mening is bovendien onjuist. Hij denkt dat Mohammed de christenen heeft verleid om hem te volgen. Luther weet in ieder geval nog, en Melanchton met hem, dat christenen in moslimlanden beperkte godsdienstvrijheden genoten. De christelijke kerk had het er niet gemakkelijk, maar ze bleef bestaan. In Griekenland werd ze geleidelijk aan zelfs een centrum van verzet".

Rechtvaardiging

U kunt met Calvijn niet meer uit de voeten?
„Ik ben wat ongelukkig met die opmerkingen in Calvijns preken en commentaren. Wat mij opvalt, is dat het criterium van ware en valse godsdienst ook voor Calvijn de rechtvaardigingsleer is. Het gaat hem evenals Luther om het afwijzen van alle werkrechtvaardigheid en werkheiligheid. Dat interpretatieschema leggen ze op de joden, op de papisten en ook op de islam. Van zelfstandig onderzoek is bij Calvijn geen sprake. Als hij over de Turken spreekt, legt hij nooit een link naar soera's over Mozes en Abraham in de koran. Ik kan, denk ik, meer met zijn theologie beginnen. Die biedt parallellen met de islam die Calvijn zelf niet doorhad. Bij voorbeeld de notie van de soevereiniteit van God. En ook zijn aandacht voor het natuurlijk godsbesef (de sensus diviniatis)".

Luthers conclusie was: We moeten de Turken het Evangelie verkondigen. Trok Calvijn die conclusie ook?
„Luther heeft wel gezegd dat het voor de paus beter zou zijn wanneer hij op blote voeten het Evangelie zou gaan preken bij de Turken. En Calvijn zegt dat het Evangelie moet worden verkondigd aan alle volken, dus ook aan de Turken. Calvijn zegt ook: Als een Turk zich bekeert, moeten we hem eerst goed aan de tand voelen of zijn geloof wel echt is. En Luther vindt dat Duitse soldaten zich in Turkse krijgsgevangenschap niet moeten schamen om over Jezus te vertellen. De missionaire gedachte is bij Luther en Calvijn in de kiem duidelijk aanwezig. Van Calvijn is mij bekend dat hij één keer een missionaire actie steunde in Brazilië, maar hij was ook zo betrokken bij kerkopbouw, dat hij aan de uitbouw buiten Europa nauwelijks toekwam".

Aanknopingspunten

Heeft dit missionaire gedachtengoed in de huidige ontmoeting tussen christenen en moslims nog weleen plaats?
„Niet die missionaire spits, maar ik denk dat sommige theologische noties, met name in boek 1 van zijn Institutie, aanknopingspunten bieden voor een theologie van de godsdiensten en voor een gesprek met de moslims. Beide mannen werden echter zo beheerst door de vrees voor de islam en voor de politieke macht van de Turken en door de religieuze strijd met Rome, dat hun perspectief op de islam daardoor wei een beetje is verduisterd. Maar ook in de Raad van Kerken leven natuurlijk verschillende visies".

Waarom bent u dan eigenlijk aan dit specifieke onderzoek naar islampassages bij Luther en Calvijn begonnen?
„Wij hebben op het ogenblik zeven miljoen moslims in Europa. Dan ga je je afvragen waar zich raakvlakken bevinden. Ik denk aan de kruistochten, aan de moren, aan Anselmus van Canterbury, die zijn werk "Waarom God mens werd" ("Cur Deus Homo") inkleedde als een dialoog tussen een christen en een moslim. Dan denk je: Er zijn vast meer van die leuke dingen. De grote islamzendelingen uit de middeleeuwen Raymundus Lullus en Franciscus van Assisi bij voorbeeld. Er zijn ook Spaanse martelaren geweest onder de moslims. Toen de moslims daar op hun beurt te lijden hadden van de inquisitie, ontstond het Barnabasevangelie. En in het Byzantijnse rijk schreven in ieder geval twintig auteurs tegen de islam, zo is laatst ontdekt".

Dominerend negatief

Luther en Calvijn boeien u meer dan enig ander?
„Ik vind het de moeite waard om meer in mijn eigen traditie te kijken dan in bij voorbeeld de rooms-katholieke traditie. Calvijn en Luther nemen weliswaar veel over van middeleeuwse auteurs. Calvijn rust daarbij bijna algeheel op Erasmus en Luther. De rooms-katholieke historicus Weiler heeft aangetoond dat de kennis van Erasmus slechts berust op eerstehandsbeschrijvingen van Venetianen. Dat is op zichzelf nog niet zo vfeemd. Ook de hedendaagse theologie leunt aan tegen de islamwetenschappers aan universiteiten".

Toch zet u heiden bij in de catacomben van de theologie.
„Alleen op deze aspecten dan, laat dat duidelijk zijn. Maar het beeld van de islam bij Luther en Calvijn is dominerend negatief. Zij hebben theologisch bijgedragen tot het verschaffen van materiaal voor vreemdelingenhaat in Europa. Ik wou dat ik het positiever kon zeggen, maar dat kan ik niet. Positief vind ik dat wij van hen kunnen leren dat we de islam serieus moeten nemen en dat de politieke en religieuze stromingen van hun tijd niet aan hen voorbij gingen. Van Luther en Calvijn kun je niet zeggen dat ze apolitiek preekten. Hun preken en commentaren hielden rekening met de angsten en voorstellingen van mensen in collegezalen en kerkbanken. Ze waren daar allebei pastoraal mee bezig. Hun opmerkingen waren niet in de eerste plaats bedoeld om de islam te bestrijden, maar om de gemeente een hart onder de riem te steken".

U eindigt positief?
„Ik denk ook dat we kritisch moeten kijken naar die tijd. Je moet Luther en Calvijn niet heilig verklaren. Je moet niet doen alsof ze een pauselijke onfeilbaarheid hebben. Ze waren mensen van hun tijd. Hun grootste verdienste is dat ze het christendom bevrijd hebben van verdienste, heiligenverering en pauselijke dominantie. Dat was echt een reformatie. Dat heeft natuurlijk ook consequenties voor het godsdienstgesprek met de andere godsdiensten; Van sommige dingen zullen we echter kritisch distantie moeten nemen, zonder dat we het kind met het badwater weggooien. Calvijn geeft met name aanknopingspunten voor een theologie van de godsdiensten. Hij gaat ervan uit dat alle mensen uiteindelijk God dienen. Dat hoort bij Zijn plan met de geschiedenis. Calvijn noemt dat Gods geheime werking (arcana operatio). Dat gebeurt niet theocratisch, maar door Gods Geest".

Die conclusie zou Calvijn waarschijnlijk niet hebben getrokken?
„Calvijn is een beetje christomonistisch in zijn benadering van de Turken. Hij zegt: De Turken roepen overluid: Wij geloven in God de Schepper, maar dat is volgens hem niet voldoende zolang ze God niet erkennen in Jezus Christus. Zij geloven niet in God de Verlosser, zegt hij. Ik denk dat ik daarin niet met hem mee ga. Ik denk dat er zowel bij joden alsook bij moslims godsopenbaring kan zijn, wanneer die niet trinitarisch of christocentrisch is ingekleurd".

Geen bekering

Dat het christendom de opdracht heeft om heel de wereld te bekeren, is volgens ds. Slomp „pretentieus". We moeten niet menen dat God geen bedoeling heeft met „75 procent van de wereldbevolking die niet-christelijk is". Zelf zegt hij nog steeds „evenzeer missioloog als islamoloog" te zijn en het „jammer" te vinden wanneer christenen overgaan tot de islam. „Toen ik in Pakistan begon als zendeling, dacht ik werkelijk nog dat ik de plicht had om iedere moslimse bekeren. Maar met mijn kennisname van de islam veranderde ook mijn visie op de zending", vertelt hij.

De geschiedenis van de christelijke zending, die gelijk opging met de kolonisatie van niet-westerse werelddelen, heeft volgens ds. Slomp bewezen dat deze zending een „grote mislukking" is. Sinds de door William Carey ingezette Great Century is het aantal christenen wereldwijd nauwelijks gestegen. Wel is het christendom universeel geworden en bleken bepaalde zendingsstrategieën effect te hebben. „In die zin is het christendom geslaagd".

Spiegelfunctie

Ds. Slomp vindt het overigens een ramp voor de kerk dat uit het MiddenOosten zp veel christenen zijn weggetrokken. „Dat is slecht voor onze missionaire praktijk, maar ook slecht voor de moslimcultuur. De moslim heeft een kritische christelijke kerk nodig en de christelijk kerk een kritische moskee. Dat geeft een spiegelfunctie, waardoor mensen worden uitgedaagd om goede christenen en goede moslims te zijn". Zij moeten in ieder geval „gastvrij" zijn tegenover elkaar.

De gereformeerde islamoloog sluit niet uit dat irï tijden van economische crises negatieve uitspraken van Luther en Calvijnzullen worden gebruikt voor antiislamitische gevoelens. Dat hebben de 450.000 Turken, Marokkanen en andere moslims in Nederland niet verdiend, vindt hij. Hij pleit „zowel op grond van de Bijbel alsook van de wet" voor godsdienstvrijheid en naastenliefde. Ter wille van dialoog stelde hij onlangs voor om eenmalige giften uit de kerken te geven, als ondersteuning bij de bouw van een moskee.

Geen gemeengoed

Zijn visie is volgens ds. Slomp reeds voor een groot deel gemeengoed in de secties interreligieuze ontmoeting van de Raad van Kerken, de Europese Raad van Kerken en de Wereldraad van Kerken. De Nederlandse stichting Evangelie en Moslims, waarin ook kerken en organisaties uit de rechterflank van de gereformeerde gezindte deelnemen, deelt deze visie gedeeltelijk, zo zegt hij. „Daar is bekering doel, terwijl wij bekering niet uitsluiten". Positief ervaart hij het gegeven dat de stichting de „eigenheid" van de islam steeds duidelijker erkent.

Drs. Exalto, die zich na ds. Slomp eveneens in de islam-passages bij Luther verdiepte, komt echter tot geheel andere conclusies. Luther deed weliswaar nagenoeg niets aan praktische zending onder moslims, maar zijn ontdekking van het Evangelie helpt de christelijke kerk van nu juist op weg. „Wij zullen de moslim zeker wel moeten voorhouden dat Jezus Christus waarlijk Gods Zoon is en dat wij een drieënig God hebben, maar wij zullen hem bovenal moeten voorhouden dat de wet ons niet behoudt, dat wij door de wet niet kunnen zalig worden".

„Loutere afgod"

De Benthuizer emeritus predikant verwijst mede naar Calvijns commentaren, waarin deze de god van de Turken „een loutere afgod" noemt. Bij gereformeerde godgeleerden als Gisbertus Voetius, Petrus van Maastricht, Simon Oomius, Franciscus Ridderus en Godefridus Udemans vond drs. Exalto dergelijke passages. Jodendom en islam worden door hen in één adem genoemd. „Het zijn religies van de wet. Zij verwerpen Christus als Zoon van God en enige Redder".

Niet ontmoeting en dialoog, maar zending is volgens ds. Exalto het blijyend devies. „Luther en Calvijn worden door ds. Slomp in het politieke vlak getrokken. Zij waren echter in de eerste plaats dienaren van het Evangelie. Voorop staat hun religieuze bewogenheid". Ook vindt hij dat ds. Slomp oneigenlijk spreekt over een te ontlenen theologie van de godsdiensten aan Calvijns Institutie. „We moeten God de Schepper niet losmaken van God de Zoon en God de Heilige Geest. Calvijn dacht trinitarisch".

Oproepen en luisteren

Herman Takken, stafmedewerker van de stichting Evangelie en Moslims, sluit zich graag bij deze laatste opvatting aan. Persoonlijk verzet ik me tegen het pleidooi van ds. Slomp voor een theologie van de godsdiensten alsook tegen zijn waardering voor niet-trinitarische godsopenbaring. „Ds. Slomp zegt bekering niet uit te sluiten, maar bij hem is het gevaar reëel dat van de oproep tot bekering helemaal niets meer terechtkomt, ook al weet ik dat hij aan verschillende imams Bijbels heeft uitgedeeld. Dat is natuurlijk ook een stukje getuigenis. Maar dan wel impliciet", zegt hij.

Takken zegt zich beter te kunnen vinden in de benadering van de gereformeerde missioloog Verkuyl. Deze pleit voor een dialoog waarin het getuigenis niet ontbreekt. Ook zegt hij: „Als christenen zullen wij naar moslims moeten leren luisteren. Maar in onze contacten mag de oproep tot de navolging van Christus nooit ontbreken".