Digibron.nl

Waarom verdient hij meer dan ik?

Bron: Reformatorisch Dagblad
Datum: vrijdag 20 december 1991
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 21 (Onbekend)

Het overgrote deel van de inkomens van gezinnen in Nederland wordt gevormd door inkomen uit arbeid. Werknemers in loondienst, ambtenaren, zelfstandigen als de groenteman en de tandarts, allemaal werken ze voor hun loon of salaris. De vraag die we in dit artikel aan de orde willen stellen, is waarom sommigen meer krijgen dan anderen, of dat „rechtvaardig" is en wat er in Nederland gebeurt. Laten we eerst eens beschrijven hoe een inkomensverdeling ontstaat. De economische definitie van primaire inkomen is „de vergoeding voor het gebruik van een produktiefactor". Arbeid is zo'n produktiefactor, en in Nederland verreweg de belangrijkste: van alle primaire inkomens is zo'n 80 procent beloning voor arbeid.

Niet iedereen krijgt even veel primaire inkomen uit zijn arbeid. Sommigen slagen erin om een heel hoog uurloon te krijgen: chirurgen, organisatieadviseurs, informatici en dergelijke beroepen zijn (nog) goed betaald. Anderen krijgen per uur aanzienlijk minder, de caissière bij de supermarkt blijft ver achter bij haar vader de chirurg. De hoogte van het primaire inkomen van een bepaalde persoon wordt voor een deel bepaald door de „markt": bepaalde soorten arbeid zijn schaars en er is toch een behoorlijke vraag naar. Chirurgen bij voorbeeld zijn er niet veel. Maar mensen die een hartoperatie nodig hebben, zijn bereid er veel voor te betalen. Dus zijn chirurgen duur.

Het werk aan een kassa daarentegen is vrij eenvoudig en met enige oefening kunnen de meeste mensen het werk uitvoeren. Veel mensen zijn bereid zulke baantjes aan te nemen, en door dit grote aanbod wordt de prijs laag. Het gevolg van deze marktwering is de primaire inkomensverdeling: de verdeling van het primaire inkomen over personen en gezinnen.

Scheef

Deze inkomensverdeling is echter nogal scheef: mensen als chirurgen zijn erin geslaagd zeer aanzienlijke inkomens te realiseren. Anderen is dit minder goed afgegaan: ze zijn bij voorbeeld arbeidsongeschikt, hebben dus geen arbeid kunnen „verkopen" en hun primaire inkomen is nul. Anderen hadden wel arbeid, maar hebben geen werk kunnen krijgen. Ook hun primaire inkomen is nul.

Groepen mensen met een laag primair inkomen zijn een zorg van de maatschappij. Als we er niets aan zouden doen, zouden ze immers verhongeren of op essentiële terreinen koopkracht te kort komen. Omdat de uitkomst van de primaire inkomensverdeling maatschappelijk niet acceptabel is, beginnen we aan inkomensherverdeling: we heffen hier en daar belastingen en sociale premies en op andere plaatsen geven we uitkeringen en subsidies.

Secundaire inkomen

Als we het primaire inkomen van mensen zonder „te verkopen arbeid" willen aanvullen, hebben we geld nodig. Het ligt het meest voor de hand dat we dit geld wegnemen bij diegenen die veel hebben. We besluiten dit met z'n allen, in de Tweede Kamer. Bijkbaar zijn we als Nederlands volk behoorlijk solidair met diegenen die zich geen prinjair inkome;n konden verwerven.

Het is vanzelfsprekend dat de secundaire inkomensverdeling minder 'scheef' is dan de primaire, dat wil zeggen: de ongelijkheid van inkomens is afgenomen. We noemen dit inkomensnivellering.

In Nederland is de inkomensnivellering in het kader van de overgang van primair naar secundair inkomen vrij fors vergeleken met de landen om ons heen. Het toptarief voor inkomensbelasting (het percentage dat veelverdieners-over de top van hun inkomen betalen) is 60 procent. Vrij hoog vergeleken met onze omgevjng. Bovendien wordt dit hoge percentage in ons land al bij een vrij laag inkomen bereikt.

Daar staat tegenover dat wij een zeer goed stelsel van sociale zekerheid hebben. Dit is een belangrijke verworvenheid die de mensen met zeer lage inkomens tot een redelijk (maar zeker niet overdreven hoog!) niveau van secundair inkomen helpt.

De secundaire inkomensverdeling bepaalt hoeveel men kan uitgeven. Daarom wordt het secundaire inkomen ook wel het beschikbare inkomen genoemd. Scheef of te scheef f

Niet iedereen heeft even veel primair inkomen. Dat is simpel te constateren en het blijkt ook uit metingen zoals bij voorbeeld van het Sociaal en Cultureel Planbureau. De verdeling • is behoorlijk scheef, en die scheefheid corrigeren we door onze inkomens- • herverdeling.

De secundaire inkomensherverdeling is ook scheef: niet iedereen heeft even veel beschikbaar inkomen. En dat vinden we over het algemeen redelijk: een rijke moet weliswaar veel belasting betalen, maar hij mag ook nog redelijk wat overhouden. En iemand met een laag primair inkomen mag er best wat bij krijgen, maar hij hoeft er niet rijk van te worden.

Met andere woorden: een scheve inkomensverdeling vinden we acceptabel. Maar hoe scheef mag de verdeling zijn om acceptabel te blijven? Hoe ver mogen uitkeringen dalen voor de verdeling tè scheef wordt en de armen tè