Digibron.nl

F. VERHOUDING TOT ANDERE KERKEN

Bron: Ambtelijk Contact
Datum: zaterdag 1 januari 2005
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 39

1. KERKELIJKE VERHOUDINGEN BINNENLAND

1.1 de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)

1.1.1. inzake de ingekomen brief van de generale synode

De synode besloot:

De brief van de generale synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) d.d. 3 februari 2003 te beantwoorden.

1.1.2 inzake de verhouding tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)

De synode deed de volgende uitspraak:

De generale synode,

kennis genomen hebbend

1. van het rapport van deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland inzake de verhouding tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt);

2. van het rapport van de door haar ingestelde commissie;

gehoord hebbend

de bespreking op de vergadering;

constaterend

1. dat de plaatselijke kerken geraadpleegd zijn over de wenselijkheid van en de mogelijkheden tot invoering van het ‘federatieve groeimodel’ en dat hierop in vrijwel gelijke verhouding uit de kerken zowel positieve als negatieve reacties zijn ontvangen;

2. dat een aantal kerkenraden zich met betrekking tot het ‘federatieve groeimodel’ (nog) geen oordeel heeft gevormd;

3. dat het aantal kerken dat op aanbeveling van de generale synode met de plaatselijke GKv in gesprek is gegaan, evenzeer als het aantal kerken dat met de GKv tot enige vorm van samenwerking is gekomen, toegenomen is;

4. dat een aantal kerken om uiteenlopende redenen bezwaren heeft tegen een verdergaande toenadering tot de GKv;

overwegend

1. dat het middel van een enquête niet overschat moet worden, maar dat er tegelijk aan de resultaten ervan niet voorbijgegaan kan worden en dat een zekere weging daarvan noodzakelijk is;

2. dat het feit dat een aantal kerken zich met betrekking tot het ‘federatieve groeimodel’ (nog) geen oordeel heeft gevormd te maken kan hebben met onvoldoende inzicht in de bedoeling van het ‘federatieve groeimodel’;

3. dat de kerken die contact zochten of tot samenwerking kwamen met de plaatselijke GKv dat deden ingevolge de oproepen van de generale synode;

4. a. dat de landelijk geconstateerde overeenstemming inzake ‘de toe-eigening van het heil’ niet wegneemt dat er in het algemeen gesproken in de praktijk van de prediking nog steeds wezenlijke verschillen tussen GKv en CGK worden geconstateerd;

b. dat de genoemde verschillen ook binnen het eigen kerkverband worden geconstateerd;

5. dathet van het grootstebelangis dat de op wezenlijke punten verkregen overeenstemming ook werkelijk functioneert in de praktijk van de prediking en dat men er wederzijds op aanspreekbaar dient te zijn;

6. dat verdergaande toenadering tot de GKv binnen de kerken verschillend getaxeerd wordt;

7. dat de opkomst bij de regionale bijeenkomsten tegenvalt; van oordeel

1.a. dat er enerzijds reacties vanuit de kerken ten aanzien van het ‘federatieve groeimodel’ zijn die te weinig verdisconteren wat er in de loop van de jaren bij de landelijke samensprekingen is bereikt;

b. dat er anderzijds reacties zijn die onvoldoende rekening houden met de route die door de generale synode 2001 is gewezen;

c. dat er ook reacties zijn die getuigen van terechte zorg over de prediking in de GKv;

2. dat het noodzakelijk is de kerkenraden opnieuw te benaderen om de bedoeling van het ‘federatieve groeimodel’ uit te leggen, omdat een aantal kerkenraden zich over het ‘federatieve groeimodel’ (nog) geen oordeel heeft gevormd of de bedoeling ervan niet goed begrepen heeft;

3. dat het positief te duiden is dat de contacten met kerken van de GKv op plaatselijk niveau zijn toegenomen;

4. dat wat bereikt is niet verloren mag gaan;

5. a. dat het zorg geeft dat de landelijk geconstateerde overeenstemming inzake ‘de toe-eigening van het heil’ te weinig is terug te vinden in de prediking van de GKv;

b. dat er op dit punt ook reden is de prediking in eigen kerken kritisch door te lichten;

6. dat de eenheid die er in Christus is en de opdracht die daaruit voortvloeit om te zoeken naar eenheid in waarheid de kerken ertoe dringt om het gesprek met de GKv voort te zetten over de vraag hoe we in prediking en pastoraat recht doen aan de wijze waarop onze belijdenisgeschriften spreken over de toe-eigening van het heil;

7. dat zorgvuldig dient te worden omgegaan met de verschillen binnen het kerkverband;

8. dat betwijfeld moet worden of nieuwe regionale bijeenkomsten het gewenste effect zullen hebben;

9. dat de classes geroepen zijn om de mogelijkheden om op plaatselijk niveau tot nauwer samenleven te komen uitsluitend te toetsen aan de hand van bijlage 6 K.O., zonder dat persoonlijke opvattingen een besluit over die samenwerking belemmeren;

besluit

1. te blijven bij de uitspraak van de generale synode 2001 dat het ‘federatieve groeimodel’ een goede vorm is om aan de gevonden eenheid in een proces van geleidelijkheid verder gestalte te geven;

2. a. het ‘federatieve groeimodel’ vooralsnog niet in te voeren, omdat noch de naam, noch de bedoeling van dit model aan alle kerken duidelijk is en de noodzakelijke eenparigheid daarvoor op dit moment ontbreekt;

b. dat het onder a gestelde te meer een appèl betekent aan de kerken om indien mogelijk plaatselijk contact te zoeken dan wel bestaande contacten uit te breiden;

3. deputaten op te dragen de kerken opnieuw te benaderen om de bedoeling van het ‘federatieve groeimodel’ uit te leggen;

4. deputaten op te dragen de kerken opnieuw een oordeel over het ‘federatieve groeimodel’ te vragen, voorzover de toelichting van deputaten hun daar aanleiding toe geeft;

5. deputaten op te dragen alle reacties uit de kerken inzake het ‘federatieve groeimodel’ geestelijk te ‘wegen’ en de generale synode 2007 met de uitkomst van die weging te dienen met het oog op een verantwoorde besluitvorming;

6. deputaten de opdracht te geven in de komende periode met deputaten GKv vanuit de bereikte principiële overeenstemming nadrukkelijk door te spreken over het door velen opgemerkte verschil tussen die overeenstemming en de praktijk, vooral ten aanzien van de prediking;

7. deputaten op te dragen samen met deputaten GKv materiaal te ontwikkelen en nieuwe wegen te zoeken om

a. het gesprek over en het ambtelijk toezicht op de prediking binnen de eigen kerkgemeenschap en tussen de kerken op plaatselijk vlak te dienen, om zo geestelijk leiding te geven aan deze gesprekken;

b. thema’s aan te reiken die de contacten tussenbeide kerken kunnen bevorderen, zoals: het werk van de Heilige Geest, zowel in de persoonlijke beleving als in de heiliging, de relatie kerk en Israël, de houding tegenover de andere wereldgodsdiensten, met name de islam, en andere hedendaagse godsdienstige stromingen, in een nauwgezet luisteren naar de Schrift en met het oog op de praktijk van de prediking en het gemeenteleven;

8. deputaten geen nieuwe opdracht te geven om regionale conferenties te beleggen;

9. de classes op te roepen de mogelijkheden om op plaatselijk niveau tot nauwer samenleven te komen uitsluitend te toetsen aan de hand van bijlage 6 K.O.;

10. de GKv te verzoeken opnieuw deputaten te benoemen en via parallelle besluitvormingmee te werken aan wat is opgemerkt onder de besluiten 6 en 7.

1.2 de Nederlands Gereformeerde Kerken

De synode nam het volgende besluit:

De generale synode,

kennis genomen hebbend

1. van het rapport van deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland inzake de verhouding tot de Nederlands Gereformeerde Kerken;

2. van het rapport van de door haar ingestelde commissie;

gehoord hebbend

de bespreking op de vergadering;

constaterend

1. dat er in de achterliggende periode geen gesprekken met de NG-commissie hebben plaatsgevonden;

2. dat er wel een ontmoeting is geweest tussen de voorzitter en de secretaris van deputaten enerzijds en de voorzitter en de secretaris van de NG-commissie anderzijds, waarin wederzijds werd geconcludeerd dat er wel zinvol gesproken zou kunnen worden;

3. dat de synode van 2001 de classes opriep toe te zien op ‘besluit 1’ van het besluit inzake samenwerkende en samenwerkingsgemeenten;

overwegend

1. dat deputaten de opdracht hadden om de gesprekken met de NG-commissie vooralsnog te continueren, mede met het oog op de plaatselijke situaties en zaken van gemeenschappelijk belang;

2. dat deputaten vermelden dat deze gesprekken in de afgelopen periode niet hebben plaatsgevonden, maar wel zinvol hadden kunnen zijn;

3. dat deputaten gemeld hebben dat de rol van de classes marginaal is gebleken in het toezien op ‘besluit 1’ van het onder ‘constaterend 3’ genoemde besluit van de synode van 2001;

van oordeel

1. dat het te betreuren is dat bedoelde gesprekken niet hebben plaatsgevonden;

2. dat het met het oog op de samenwerkende en samenwerkingsgemeenten niet alleen nuttig, maar ook noodzakelijk is dat er gesprekken zullen plaatsvinden met de NG-commissie, vooral met het oog op de situatie die ontstaan is na het voorlopig besluit van de Landelijke Vergadering 2004 met betrekking tot ‘vrouw en ambt’, opdat deputaten en NG-commissie zo mogelijk met gemeenschappelijke adviezen bedoelde gemeenten kunnen dienen en deze niet in een geïsoleerde positie terecht komen;

3. dat het te betreuren is dat de rol van de classes in het toezien op ‘besluit 1’ van het onder ‘constaterend 3’ genoemde besluit van de synode van 2001 marginaal is gebleken;

besluit

1. deputaten op te dragen de gesprekken met de NG-commissie alsnog voort te zetten, mede met het oog op de plaatselijke situaties en zaken van gemeenschappelijk belang en tegen de achtergrond van een gemeenschappelijk verleden, waarin veel goeds ontvangen werd;

2. deputaten op te dragen in deze gesprekken de teleurstelling van de generale synode over het voorlopig besluit van de landelijke vergadering 2004 met betrekking tot ‘vrouw en ambt’ te verwoorden en grondig over het genomen besluit door te spreken in het licht van de besluiten van de GS van 1998 en 2001, mede met het oog op de gevolgen die het bovengenoemde besluit kan hebben voor de verhouding tussen beide kerken;

3. deputaten op te dragen alles in het werk te stellen om samen met de NG-commissie te komen tot adviezen aan samenwerkende en samenwerkingsgemeenten met het oog op bedoelde situatie rond ‘vrouw en ambt’;

4. deputaten op te dragen het in 2001 genomen besluit inzake de samenwerkende en samenwerkingsgemeenten aan de classes toe te zenden en de classes dringend te vragen ‘besluit 2’ van dit besluit ter hand te nemen.

5. deputaten op te dragen contact te onderhouden met samenwerkende en samenwerkingsgemeenten;

6. deputaten op te dragen van hun handelingen verslag te doen aan de volgende generale synode.

1.3 de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk

De synode nam het volgende besluit:

De generale synode,

kennis genomen hebbend

1. van het rapport van deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland inzake de verhouding tot de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk;

2. van het rapport van de door haar ingestelde commissie;

gehoord hebbend

de bespreking op de vergadering;

constaterend

dat deputaten volgens hun opdracht het overleg met het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk hebben voortgezet;

overwegend

1. dat per 1 mei 2004 de GB in de NHK met de meerderheid van die kerk is meegegaan in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN);

2. dat tengevolge hiervan een breuk tussen hervormd-gereformeerden is ontstaan;

3. dat dientengevolge kerkenraden in gesprek kunnen zijn met hervormd-gereformeerde gemeenten zowel binnen als buiten de PKN;

4. dat deputaten het hoofdbestuur van de GB uitdrukkelijk vragen hebben gesteld over de confessionele onduidelijkheid van de PKN en over de onmogelijkheid zich tegenover de PKN als geheel op de gereformeerde belijdenis te beroepen;

5. dat deputaten in samenwerking met het hoofdbestuur van de GB volgens hun opdracht de plaatselijke gemeenten gestimuleerd hebben elkaar te ontmoeten daar waar de gereformeerde belijdenis wordt onderschreven;

6. dat het onderzoek van deputaten naar de vraag in hoeverre er ruimte is om met hervormd-gereformeerde gemeenten te komen tot nauwer kerkelijk samenleven indien plaatselijk artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis voluit wordt nageleefd geresulteerd heeft in:

a. de vaststelling dat hervormd-gereformeerde gemeenten binnen de PKN de mogelijkheid hebben om in een verklaring hun gebondenheid aan de gereformeerde belijdenis uit te spreken;

b. een handreiking aan de plaatselijke kerken ten behoeve van het gesprek over uitoefening van de tucht;

7. dat deputaten in plaats van een herziening van bijlage 6 KO een aparte regeling voor het gestalte geven aan plaatselijke eenheid en samenwerking met hervormde gemeenten van gereformeerd belijden nodig achten en deze ontworpen hebben;

8. dat deputaten melding maken van een vruchtbare samenwerking met de GB, onder andere bij de herziening van de Statenvertaling;

9. dat deputaten in gesprekken met het hoofdbestuur van de GB erop gewezen hebben dat zij zich niet kunnen en willen distantiëren van de hervormde gemeenten die zich niet wilden scharen bij hen die tot de PKN toetraden;

van oordeel

1. dat de redenen genoemd door de generale synode 2001 om te zoeken naar samenwerking en eenheid met allen die de naam van Christus liefhebben en naar zijn Woord begeren te leven onverminderd gelden;

2. datbezinningnodigis op de situatie die ontstaan is door de vereniging van de Nederlandse Hervormde Kerk met de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden en de breuk binnen de hervormd-gereformeerde gemeenten over het al dan niet meegaan met deze fusie van kerken;

spreekt uit

1. dankbaar te zijn voor het harmonieuze overleg alsook de vruchtbare samenwerking met het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond;

2. dat de handreiking aan de plaatselijke kerken voor het gesprek over de tucht een goede handreiking is;

3. dat de ‘Regeling voor het gestalte geven aan plaatselijke eenheid en samenwerking met hervormde gemeenten van gereformeerd belijden’ een goede regeling is;

4. mee te leven met het geheel van de hervormd-gereformeerde gemeenten rond het ontstaan van de PKN;

5. het overleg met het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond te willen voortzetten; besluit

1. deputaten op te dragen het overleg met het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond voort te zetten;

2. deputaten op te dragen de handreiking voor het gesprek tussen de kerkenraden over de uitoefening van de tucht aan de kerken ter beschikking te stellen;

3. deputaten op te dragen samen met het hoofdbestuur van de GB te onderzoeken of en in hoeverre er afspraken gemaakt kunnen worden met hervormd-gereformeerde gemeenten binnen de PKN;

4. de ‘Regeling voor het gestalte geven aan plaatselijke eenheid en samenwerking met hervormde gemeenten van gereformeerd belijden’ vast te stellen en afhankelijk van de uitkomst van het onder 3 genoemde door deputaten aan de kerkenraden te doen toezenden;

5. deputaten op te dragen zich te bezinnen op de situatie die ontstaan is door de breuk binnen de hervormd-gereformeerde gemeenten en daar met het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond over te spreken;

6. deputaten op te dragen van hun handelingen verslag te doen aan de volgende generale synode.

1.4 de Gereformeerde Gemeenten

De synode deed de volgende uitspraak:

De generale synode,

kennis genomen hebbend

1. van het rapport van deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland inzake de verhouding tot de Gereformeerde Gemeenten;

2. van het rapport van de door haar ingestelde commissie;

gehoord hebbend

de bespreking op de vergadering;

constaterend

dat voor het eerst na vele jaren er een officieel contact met de Gereformeerde Gemeenten is geweest;

overwegend

1. dat deputaten melden dat zij en de commissie van de Gereformeerde Gemeenten in een goede sfeer en op een openhartige wijze met elkaar gesproken hebben over een aantal wezenlijke zaken aangaande de prediking en de praktijk van het kerkelijke leven;

2. dat deputaten melden dat de gesprekken voor een beter verstaan van eikaars visie op deze zaken nuttig zijn geweest en eraan bijdragen dat verkeerde beeldvorming wordt voorkomen;

3. dat deputaten melden dat er op dit moment geen perspectief is op kerkelijke eenheid met de Gereformeerde Gemeenten;

van oordeel

1. dat het feit dat er voor het eerst na vele jaren een officieel contact met de Gereformeerde Gemeenten is geweest een reden tot dankbaarheid is;

2. dat er — gelet op de nood der tijden — aanleiding is om met de Gereformeerde Gemeenten, als kerk die de gereformeerde belijdenis onderschrijft, contact te houden conform het besluit van de generale synode 2001, al is er op dit moment geen perspectief op kerkelijke eenheid;

3. dat een vorm van contact nuttig kan zijn om geestelijke herkenning te bevorderen en zonodig actuele ontwikkelingen te bespreken;

besluit

1. de Gereformeerde Gemeenten te verzoeken hun commissie KEV op te dragen het gesprek met deputaten eenheid voort te zetten, om geestelijke herkenning te bevorderen en zonodig actuele ontwikkelingen te bespreken;

2. deputaten de opdracht te geven bij een positieve beslissing van de Gereformeerde Gemeenten een geregeld contact te houden met de commissie KEV;

3. deputaten op te dragen van hun handelingen verslag te doen aan de volgende generale synode.

1.5 de Hersteld Hervormde Kerk

De synode deed de volgende uitspraak:

De generale synode,

kennis genomen hebbend

1. van het rapport van deputaten eenheid voor de gereformeerde belijders in Nederland;

2. van het rapport van de door haar ingestelde commissie;

gehoord hebbend

de bespreking op de vergadering;

constaterend

1. dat deputaten in hun rapport terloops spreken over hen die zich niet wilden scharen bij hen die tot de Protestantse Kerk in Nederland toetraden;

2. dat deputaten nog geen contact hebben opgenomen met de Hersteld Hervormde Kerk,

overwegend

dat deputaten in gesprekken met de Gereformeerde Bond erop gewezen hebben zich niet te kunnen en te willen distantiëren van hen die zich niet wilden scharen bij hen die tot de PKN toetraden;

van oordeel

1. dat deputaten het onder ‘overwegend’ genoemde standpunt terecht hebben ingenomen;

2. dat er gezien de opdracht van Christus om te staan naar eenheid met allen die Zijn Naam liefhebben en naar Zijn Woord begeren te leven aanleiding is om de mogelijkheid tot het aangaan van contacten met de Hersteld Hervormde Kerk te onderzoeken;

besluit

1. deputaten op te dragen de mogelijkheid tot het aangaan van contacten met de Hersteld Hervormde Kerk te onderzoeken;

2. van hun handelingen verslag te doen aan de volgende generale synode.

1.6 het Contact Orgaan Gereformeerde Gezindte (COGG)

De synode nam het volgende besluit:

De generale synode,

kennis genomen hebbend

1. van het rapport van deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland inzake het Contact Orgaan Gereformeerde Gezindte (COGG);

2. van het rapport van de door haar ingestelde commissie;

gehoord hebbend

de bespreking op de vergadering;

constaterend

dat deputaten melden dat er reden is iets optimistischer te zijn dan voorheen ten aanzien van de plaats van het COGG als gespreksplatform binnen het geheel van de gereformeerde gezindte;

overwegend

dat naar de waarneming van deputaten de gereformeerde belijdenis een duidelijker plaats heeft gekregen in het functioneren van dit orgaan;

van oordeel

1. dat met de deelname van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en het Confessioneel Gereformeerd Beraad het COGG een waardevolle uitbreiding heeft gekregen;

2. dat door deze uitbreiding het COGG kan dienen tot bevordering van het contact tussen gereformeerde belijders in Nederland;

besluit

deputaten op te dragen:

1. te blijven participeren in het COGG;

2. binnen het COGG te blijven ijveren voor uitbreiding en versteviging van dit orgaan;

3. van hun handelingen verslag te doen aan de volgende generale synode.

2. CONTACTEN MET KERKEN IN HET BUITENLAND

2.1 algemeen

De synode besloot:

1. a. de door deputaten opgestelde gedragslijn ten aanzien van het aangaan van nieuwe contacten goed te keuren;

b. tevens goedkeuring te hechten aan het voornemen van deputaten om bij het onderzoek naar relaties met Oost-Europese kerken die mogelijk in aanmerking komen voor ‘contact’, zich met name te richten op de Református kerk in Hongarije en Roemenië, de Roemeense Evangelische Kerk (BER), gereformeerde kerken in de Baltische staten en in Tsjechië;

2. deputaten op te dragen de gegevens in het Jaarboek met betrekking tot buitenlandse kerken nog eens kritisch door te nemen, te evalueren en eventueel aan te passen.

2.2 de Free Church of Scotland (FCS) en Free Church of Scotland Continuing (FCSC)

De synode besloot:

deputaten op te dragen om in de correspondentie met de Free Church of Scotland en de Free Church of Scotland Continuing blijvend alert te zijn op mogelijkheden om — eventueel samen met andere zusterkerken — bij te dragen aan de verbetering van de verstoorde onderlinge relaties.

2.3 de Evangelical Presbyterian Church of Ireland

De synode besloot:

deputaten op te dragen aan de Evangelical Presbyterian Church of Ireland volledige correspondentie aan te bieden.

2.4 de Lanka Reformed Church (LRC) en de Dutch Reformed Church in Sri Lanka (DRCSL)

De synode besloot:

1. definitief geen correspondentie aan te gaan met de Lanka Reformed Church;

2. de door de synoden van 1995 en 2001 genomen besluiten tot het aangaan van nadere contacten met de Dutch Reformed Church in Sri Lanka niet te effectueren.

2.5 de International Conference of Reformed Churches

De synode besloot:

1. deputaten op te dragen binnen de International Conference of Reformed Churches (ICRC) blijvend te participeren en te bevorderen dat van deze organisatie een opbouwende werking en een gereformeerd geluid uitgaan;

2. deputaten op te dragen alert te zijn op de mogelijkheden om contacten met allerlei kleinere kerken te doen verlopen via de ICRC.