Digibron.nl

Schets het referaat «ALGEMENE BIJSTANDSWET»: (Ter voorbereiding op de diakenen conferentie)

Bron: Ambtelijk Contact
Datum: zondag 1 maart 1964
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 4

a. De bedoeling van ons onderwerp is: voorlichting te verstrekken over de A.B.W. aan onze ambtsdragers en vooral aan onze diakenen, omdat het hier gaat om een uitermate belangrijke zaak, die de aandcht der kerk vereist.

b. Het diakonaat met zijn moeilijkheden’en mogelijkheden is de laatste jaren in het centrum van de bezinningen en belangstelling gekomen, en dat door verschillende oorzaken. Eén van de diakonale problemen is de verhouding diakonie en overheid, welke door de A.B.W. weer verscherpt aan de orde wordt gesteld.

c. Er is tot voor kort nog weinig over deze zaak gesproken in onze kerken. in vergelijking met andere kerken. Deze achterstand zal moeten ingehaald. Wel heeft het deputaatschap voor diakonale en sociale aangelegenheden in 1959 een rapport over deze materie ontworpen, wat evenwel door de G.S. niet is overgenomen. Gelukkig is er nu een rapport over de A.B.W. aan de ambtsdragers onzer kerken gezonden.

d. De voorlichting over en bezinning op de A.B.W. heeft haast, omdat deze wet op 1 jan. 1965 in werking treedt. Vóór die tijd moeten speciaal onze diakenen op de hoogte gebracht van de nieuwe regelingen. Ook moeten er nog andere zaken gebeuren, opdat de funktie van het diakonaat niet verloren gaat ten aanzien van de bijstandsbehoeftige gemeenteleden.

II. Historie.

a. De wettelijke regeling van de overheidszorg voor de behoeftigen begon in 1854 met de armenwet in liberale geest, waarbij de taak van de overheid ten opzichte van de armen vanuit het politioneel standpunt werd bekeken.

b. Dan komt in 1912 de armenwet van de A.R.-minister Heemskerk. In deze wet valt het politioneel standpunt weg en er wordt een eigen positieve taak voor de overheid geschapen, al prefereerde men, als het toen best bereikbare. dat de overheid subsidiair de armen ondersteunde.

c. In 1963 is hiervoor in de plaats gekomen de A.B.W. In deze wet wordt de materiële bijstand door de overheid geen gunst zoals voorheen, maar een recht voor elke burger genoemd. De positieve taak der overheid tegenover de behoeftigen wordt voluit erkend. Deze taak ziet men originair. Naast deze overheidstaak zal het diakonale werk in haar zelfstandigheid gehandhaafd blijven. In de formuleringen der wet zou het pariteits-(gelijkheids-) beginsel gewaarborgd zijn.

III. Inhoud.

a. Duidelijk wordt in de A.B.W. de plicht van de overheid en het recht van de burger ten aanzien van de bijstandsverlening uitgesproken. Verwijzing naar een ander lichaam van ondersteuning is voor de plaatselijke overheid niet meer mogelijk. Er is voor de bijstand-aanvrage de gelegenheid opengesteld om in hoger beroep te gaan tegen een verordening over de bijstandsverlening.

b. Het is voorts van belang te weten, dat B. en W. en de colleges van bijstands verlening de organen zijn. aan wie de bijstand schriftelijk moet worden aangevraagd en door wie ze zal moeten worden uitgekeerd. De commissies van advies regelen slechts de algemene aspekten van de bijstandsverlening en kunnen gezien worden als bezinningsorgaan. maar niet als uitvoerings orgaan.

c. De bijstand omvat de noodzakelijke kosten van het bestaan. Ze wordt afge stemd op elk geval afzonderlijk. Ze heeft preventieve en reclasserende waarde. Ze kan door de kerk of door partikulieren worden aangevuld tot een ver antwoord maximum, terwijl het recht tot verhaal verder is ingeperkt.

d. Er is in de wet een onderscheid aangebracht tussen de materiële bijstand en de immateriële hulp of de z.g.n. dienstverlening. Deze laatste kan ge schieden op verzoek van de bijstandsbehoeftige. door kerkelijke of parti- kuliere instellingen of personen, dan wel door de overheid, terwijl daarbij zoveel mogelijk overeenkomstig zijn redelijke wensen zal worden gehandeld.

IV. Beginsel.

a. Het is moeilijk om achteraf bezwaren tegen de A.B.W. in te gaan brengen om haar alsnog te verwerpen. Ze is nu eenmaal de kamers gepasseerd en door de volksvertegenwoordiging aanvaard. Daarom kunnen we haar niet negeren, maar krijgen er in 1965 mee te maken. Toch is een principiële bezinning op de achtergronden en inhouden van deze wet noodzakelijk. willen we haar goede kanten en (of) haar nadelen in het oog houden.

b. Deze wet is uit een bepaalde noodzaak geboren. Er kwamen almeer behoeftigen. de levensstandaard en daarmee de noodzakelijke levenskosten werden hoger, de kerken en de partikuliere instellingen nalatiger of onmach tiger. Toen moest de overheid wel ingrijpen.

c. Op de achtergrond van deze wet ligt een bepaalde ideologie ten aanzien van de rechten van de mens. de taken van de overheid en van de kerk. en de menselijke samenleving (Zie: Memorie van Toelichting.) Dit moeten we wel goed bedenken.

d. Naar de letter wordt in deze wet wel gesteld, dat én de overheid én de diakonie een eigen taak hebben en houden, doch we vragen ons af. of de overheid de diakonie niet te veel uit handen neemt en of de taak van de diakonie nu niet subsidiair wordt. Gewaardeerd kan worden, dat deze wet het recht op overheidsbijstand voor iedere burger heeft geformuleerd en met allerlei bepalingen ondersteund.

e. Het is een precaire kwestie, of de in de A.B.W. opgenomen scheiding tussen bijstand (materieel) en dienstverlening (immaterieel) in de praktijk wel funktioneren zal en te handhaven valt. Indien dit niet het geval mocht zijn, zal dit ten nadele van onze waardering der wet zijn.

f. Het is goed, dat het deputaatschap ten aanzien van de principiële struktuur der A.B.W. oproept tot nadere bezinning op de gevaren, die hier dreigen.

V. Praktijk.

a. Onze diakenen zullen er voor moeten zorgen, dat de colleges voor de ver lening van de bijstand er komen en dat in deze als ook in de commissie van advies deskundigen uit de christelijke sektor der bevolking zitting krij gen. Zij moeten dit doen via de daartoe beschikbare en geëigende organen.

b. Onze diakenen zullen de gemeenteleden moeten akriveren tot het in het leven roepen van kerkelijke of algemene christelijke organen voor de z.g.n. immateriële hulpverlening (Vereniging of Stichting voor Maatschappelijk Werk) waar deze nog niet zijn en waar ze reeds bestaan, tot een verdere uitbouw daarvan, opdat verwijzing door B. en W. naar deze organen kan geschieden.

c. Onze diakenen zullen alle mogelijkheden, die hen door deze wet gelaten worden, goed onder ogen moeten nemen. Zij moeten als adviseurs van de gemeenteleden optreden bij het aanvragen van de overheidsbijstand. Ze moe ten tevens overwegen bij ieder voorkomend geval, of aanvulling van de bijstand niet noodzakelijk of gewenst is. Ze moeten er voor zorg dragen, dat geen gemeentelid buiten hun medeweten om de bijstand aanvraagt. Zij moeten ook het lid, dat om bijstand verzoekt, wijzen op de mogelijkheid van en op zijn verantwoordelijkheid voor de verwijzing naar een bepaalde dienstver lening.

d. Er kan, als de A.B.W. in werking treedt, een uitbreiding van de diakonale taken plaats vinden, die dan voornamelijk ligt op het vlak van de z.g.n. immateriële dienstverlening.