Digibron.nl

Uit een dagboek

Bron: Bewaar het pand
Datum: donderdag 26 mei 1966
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 4

2.

Ze (dat gaat over een ander) ziet zo erg tegen de dood op en dat is te begrijpen. De dood is een koning der verschrikking, maar Hij heeft de dood overwonnen. Maar dan is het zo nodig die Koning te leren kennen.

Ik ben zelf ook bevreesd voor het sterven. Alleen als de Heere er is kan het, anders niet. Ik kan met mijn vorige bemoeienissen niet sterven. Als de Heere het nieuw komt te maken, dan kan het. O, wat zal het toch zijn, als mijn ogen Hem mogen zien.

Dan durf ik toch niet te ontkennen, dat mijn ogen geen vreemde zullen zien. Hoewel alles zo beneveld is. Maar Hij behoeft maar een woord te spreken en de nevelen zijn opgeklaard.

Mijn hart is zo hard en zo met alles vervuld, maar niet met de Heere. Och Heere, mocht, ja wil U dat onbekeerlijke zondige hart nog eens breken. En mocht ik nog eens zalig en diep voor U in het stof buigen.

Vanmorgen heb ik in Philpots dagboek gelezen en die eerwaarde man schrijft, dat die hier de Zoon Gods aanschouwd hebben en in Hem geloofd hebben, die hebben nu reeds het eèuwige leven en Jezus zal hen opwekken ten uitersten dage. Toen ik het las, kon ik er niet onder uit en sprong het op van binnen, ’k Zei tegen W. o, luister toch eens, ik ben schatrijk. Ik las het voor. Och, onverdiende zaligheid. Mocht het nog eens tot jaloersheid verwekken. Ik heb uit mezelf nooit naar God gevraagd. Maar nu heeft Hij Zelf naar hen gevraagd. Wat heeft Hem toch bewogen.

Ik zat een poosje te genieten van de mooie natuur en dacht: wat zal het toch zijn, als Gods volk verlost is van zichzelf en dan volmaakt in God zal mogen rusten. 0, ik ben zo moe van alles, maar het meest van mezelf. O, dan eeuwig in Hem rusten. O, als het dan toch eens waar zal zijn. Ik durf het haast niet te geloven, dat de Heere naar zo één heeft omgezien. O, dan behoeven ze niet meer te zondigen, geen wereld, geen dood meer. En dan worden ze ook niet meer overrompeld door de zonde. Daar zijn ze van zichzelf verlost. En mogen ze in een drieënig God rusten. Wat zal ik vermoeid aankomen.

Och, lieve kinderen, zullen jullie toch veel de Heere vragen, of Hij je nog bekeren wil. De wereld laat leeg en is zo arm, maar in Hem is een volheid, die niet uit te spreken is.