Digibron.nl

Kunstkenner Cees Verheij: „Zonder talent blijft het tobben"

Bron: Terdege
Datum: woensdag 1 januari 2003
Auteur: Evert van Dijkhuizen
Pagina: 20

In het vorige nummer meldden we u de resultaten van een lezersonderzoek over kunstbezit. Drie lezers gingen toen dieper in op de vraag hoe zij aankijken tegen kunst, wat bij hen aan de muur hangt en welke positie kunst in de gereformeerde gezindte inneemt. Deze keer komen twee andere lezers aan het woord: geschiedenisleraar Cees Verheij en ds. A.F. Kaars.

Hij verzamelt schilderijen sinds zn twintigste. Geschiedenisleraar Cees Verheij (54) in Giessenburg heeft inmiddels een forse collectie. Wat er thuis aan de muur hangt, wisselt met de seizoenen. „Mijn vrouw en ik zijn erg op de natuur gericht. Wat zich buiten afspeelt, herhaalt zich binnen. Zelf iets schilderen, daar begint Verheij niet meer aan. „Ik heb het wel eens geprobeerd, maar het zit niet in me. Zonder talent blijft het tobben.
De kunstverzameling van Verheij, docent op het Wartburgcollege-locatie Guido de Brès in Rotterdam, bestaat uit schilderijen èn beelden. Aantallen zeggen hem niet zo veel. „Het gaat om de kwaliteit van wat je bezit. De collectie schilderijen is in de ruim dertig jaar dat Verheij verzamelt behoorlijk veranderd. „Verzamelen is verbeteren van kwaliteit. Je koopt schilderstukken en verkoopt ze weer, omdat je iets mooiers, iets beters tegenkomt. Je wordt ook steeds kritischer.
Het begon bij Verheij met een litho van Jan Toorop. „Die kocht ik als twintigjarige jongen in een antiekzaak. Daarna dacht ik: Het is eigenlijk leuker om een eenmalig werk te kopen. Dat heb ik toen gedaan. Ik ben begonnen, zoals de meeste verzamelaars zullen doen, met traditioneel werk. Dan ga je je horizon verbreden. Op een gegeven moment krijg je ook waardering voor moderne stromingen.

Vooroordelen
Met de collectie kunstwerken groeide ook Verheijs boekenverzameling over kunst. Gesprekken met andere kunstliefhebbers ziet hij vooral als „het elkaar opscherpen. Wat hem stoort, zijn de vele vooroordelen over kunst. „Zon vooroordeel is: Over smaak valt niet te twisten. Meestal wordt dat gezegd om de eigen slechte smaak te verhullen. Over smaak valt wel degelijk te twisten. Je hebt goede, minder goede en uitgesproken slechte smaken.
Een ander vooroordeel betreft de moderne kunst. Mensen zeggen soms: Wat schildert die man lelijk, alleen omdat ze zich er niets concreets bij kunnen voorstellen. Een boot moet in hun beleving echt een boot zijn, en een huis echt een huis. Maar de werkelijkheid is veel breder. Leg maar eens iets onder een microscoop; dan gaat er een heel andere wereld open. Vooroordelen blokkeren je om ergens van te genieten. Je moet kunst léren waarderen. Dat is een proces.
In zn huiskamer heeft Verheij maar een handvol schilderwerken hangen. „Eigenlijk al te veel. Twee is genoeg. Je moet de tent niet volhangen. Een schilderij heeft de ruimte nodig. Er is ook nog zoiets als de kunst van het ophangen.
De prijs van schilderijen is de afgelopen jaren „turbulent omhoog gegaan, aldus Verheij. „Sommige prijzen zijn vertienvoudigd. Daardoor raken bepaalde schilders buiten het blikveld voor de man met een gewone beurs. Ik weet niet of iemand als Heinsbroek schilderijen verzamelt, maar voor hem en vele anderen maakt het niet uit of een schilderij vijfduizend of vijftigduizend euro kost. Als ze het willen hebben, kopen ze het gewoon. Voor de meeste kunstverzamelaars ligt dat even iets anders

Trendy
De waarde van een schilderij ligt niet voor eens en altijd vast, heeft Verheij geleerd. „Wat trendy is, moet je zwaar betalen. Een doek met pasteltinten kan nu veel waard zijn, omdat het in de mode is, maar over een paar jaar kan het kelderen in prijs. Op veilingen constateert Verheij een „enorme toeloop van particulieren. „Vooral zakenmensen. Er zijn er nogal wat die afgelopen jaren flink geld verdiend hebben en dat beleggen in kunst. Ze gaan naar veilingen om hun slag te slaan. Daardoor komt een aantal doeken niet meer in kunsthandels terecht.
De grote meesters zijn schaars, dus richt de aandacht van kunstminnaars zich op de kleine meesters. Verheij: „Vijftigplussers hebben vooral belangstelling voor Romantiek. De warme sfeer op die schilderijen bevalt hen. Verheij loopt zelf niet over van enthousiasme voor dit genre. „De Franse en de Engelse Romantiek is grote kunst, maar de Hollandse vind ik te zoet, te historiserend. Ik denk aan een schilder als Springer. Die was zo in de ban van de zeventiende eeuw, dat hij helemaal geen oog had voor wat er in zijn eigen tijd speelde. Hij schilderde wintertaferelen met een uitstraling alsof het 20 graden boven nul is. Maar de sneeuw blijft liggen.
Verheij is zelf erg geboeid door het werk van Willem Bastiaan Tholen, die leefde tussen 1860 en 1930. Er hangen twee schilderijen van Tholen in zijn huiskamer: een stadsgezicht van Enkhuizen en een zeilschip op de Maas. „Heel sfeervol, vindt Verheij. „Ik heb veel bewondering voor Tholen. Hij heeft een ziel in zn werk die me raakt. Ook de Amsterdamse landschapsschilder A.M. Gorter heeft hem sterk geboeid. Van beide schilders leende Verheij kunstdoeken uit voor exposities.
Ernstige twijfel
De geschiedenisleraar koopt nog steeds schilderijen, maar met mate. „Ik ben erg kritisch geworden. Het moet iets heel bijzonders zijn. Kunst waarderen is kunst vergelijken, stelt Verheij. „Daarom is het beoordelen van moderne kunst zo moeilijk. Je zit er historisch gezien eigenlijk te dicht op. Je mist de vergelijking met andere kunstwerken. Daar hebben moderne kunstenaars zelf vaak ook veel last van. Ze verkeren soms in ernstige twijfel: Heb ik iets gemaakt wat de moeite waard is of kan ik er beter overheen gaan?
Die twijfel is niet kenmerkend voor eigentijdse kunstenaars, aldus Verheij. „Ook iemand als Van Gogh had ermee te maken. Hij verkocht bij zn leven slechts twee schilderijen van zichzelf. Op een gegeven moment verkeerde hij zo in armoede, dat hij met een kruiwagen vol schilderijen naar de kruidenaar ging om zijn kunststukken te ruilen tegen levenswaren. De kruidenaar zei: Je schilderijen hoef ik niet, maar je mag wel iets uitzoeken in mn winkel. Dat vinden we nu onbegrijpelijk.
Een serieuze kunstenaar heeft geen gemakkelijk leven, concludeert Verheij. „Kijk ook naar iemand als Bach. Er is altijd de verleiding om een knieval te doen. Om te maken wat het grote publiek mooi vindt en dus commercieel bezig te zijn. Dat vind ik een verarming van de cultuur. Als het goed is, heeft elke kunstenaar een doel; een boodschap die hij op zijn eigen manier uitdraagt.
Drie categorieën
Wanneer is iemand een echte kunstenaar? Over die vraag heeft Verheij veel nagedacht. Zijn antwoord is een kort college. „Ik onderscheid drie categorieën schilders. Er is een grote groep die schildert zonder doel. Die mensen doen maar wat. Ze streven niets na. Dat is op zich niet erg, maar het is geen kunst en je moet er zeker geen tentoonstelling van maken.
De tweede categorie schilders streeft wel een doel na, maar bereikt het zelden wegens gebrek aan talent. Hun kunstwerken zijn het meestal net niet. In feite een tragische groep. De derde categorie zijn de schilders die een doel nastreven en het ook bereiken. Dat zijn de echte kunstenaars, de natuurtalenten. Het gênante van onze tijd is dat dilettanten op dezelfde hoogte worden gezet als echte kunstenaars. De hoofdzaak van kunst blijft toch de kwaliteit.
Een paar keer had Verheij te maken met vervalste schilderijen. „Daar is een levendige handel in. Op dit moment is er iemand actief in het vervalsen van schilderijen van A.P. Schotel. Verheij wijst naar een doek aan de muur met een zeilschip in de mist. „Dat is een Schotel. Ik heb afgelopen tijd al drie vervalsingen gezien. Er zijn lieden die bijna niets anders doen dan vervalsen. De doeken worden ook op veilingen aangeboden. Ik zeg wel eens: Over de IJssel is een groot deel van het aanbod op kunstveilingen vals. Er zit in die hoek een aantal buitengewoon actieve namakers.
Vervalsen kan ook door de naam van de schilder, veelal een onbekende grootheid, te veranderen in een echte meester. Ook dat gebeurt veelvuldig. Verheij kan er een staaltje van vertellen.
„Ik kocht eens een ongesigneerde aquarel die ik later voor dezelfde prijs verkocht aan een bekende. Daarna werd ik gebeld door een galeriehouder uit het oosten van het land. Hij had een waardevol schilderij voor me te koop. Ik zei: Oké, ik kom kijken. Ik geloofde mijn ogen niet toen ik het doek zag. Het bleek dezelfde aquarel te zijn, maar nu met de naam van een bekende schilder erop.

Ds. A.F. Kaars:

Mij houdt vooral van Hollandse meesters uit de zeventiende eeuw. Maar ook de impressionisten van de Haagse School weet hij te waarderen. Zelfs Karel Appel dwingt bij hem bewondering af. En Mondriaan „heeft iets". Ds. A.F. Kaars, hervormd predikant in Papendrecht, vindt dat de gereformeerde gezindte te weinig oog heeft voor de gaven die God de mens op kunstzinnig gebied heeft gelaten. Ds. Kaars groeide op in Gouda. Met zijn ouders kerkte hij in de monumentale Sint Jan, een bedehuis rijk aan kunst: de wereldberoemde glas-in-loodramen, het fraaie orgelfront, de sierlijke kansel maakten diepe indruk. Dat ds. Kaars zelf ook talenten bezat, bleek op de mulo. „De enige tien op mijn rapport was voor tekenen. Naderhand ben ik zelf ook een beetje gaan schilderen, maar het resultaat hoeft niemand te zien. Ik klieder maar een beetje." Bijzondere herinneringen koestert ds. Kaars aan de geschiedenislessen die hij aan het avond-gymnasium volgde bij Baron van Voorst tot Voorst. „Wanneer hij de belangrijkste historische stromingen behandelde, betrok hij daar altijd de beeldende kunst bij. Dat heeft mij enorm gestimuleerd om ervan te genieten." In zijn eerste gemeente, Haaften, kwam ds. Kaars in contact met kunstenaars die langs de Waal hun beroep uitoefenden. Een van hen was Albert Buikema, een jongeman met een gereformeerde achtergrond, die later zijn heil zocht bij oosterse godsdiensten. Hij overleed jong aan een ernstige ziekte. Ds. Kaars heeft in zijn woonkamer een schilderij van hem hangen, een havengezicht in impressionistische stijl. Want ds. Kaars koopt wel eens kunst, van kunstenaars of op veilingen. Als het zo uitkomt, verkoopt hij de schilderijen weer door. „Goede dingen kosten tegenwoordig veel geld." De Papendrechtse predikant bezoekt graag tentoonstellingen, Niet alleen van Hollandse Meesters, maar ook van Toorop, Fernhout. Van Gogh, Appel. „Ik ben blij dat het Haagse Gemeentemuseum enkele jaren geleden het schilderij "Victory Boogie Woogie" heeft aangekocht. Er zijn mensen die beweren dat zij zo'n kunstwerk ook wel kunnen maken. Dat kunnen ze niet." Ds. Kaars worstelt intussen met een "enorm vraagstuk" als het om kunst gaat. „Picasso was een zeer immorele man, die wel grote gaven van de Heilige Geest had ontvangen. Zijn werk is fenomenaal, ik kan er intens van genieten. Dat is het wonderlijk tegenstrijdige: de mens haat God van nature, is dood voor zijn Schepper. En toch heeft hij talent gekregen om kunstzinnig bezig te zijn. Daar staat je verstand bij stil. Het betekent wel dat we ook mogen genieten van de kunst die zij voortbrengen. Kunst hoort bij het leven dat God geeft. Paulus zegt ervan: Dankt God in alles." Kunst beoordelen is in hoge mate een subjectieve aangelegenheid, zegt ds. Kaars. „Ten diepste gaat het om de vraag wat kunst is en die is niet te beantwoorden. Voor mij heeft kunst te maken met schoonheid, al is het mogelijk dat een kunstenaar heel aangrijpende zaken uitbeeldt. Lang niet altijd kun je je voorkeuren precies onder woorden brengen. Rubens vind ik niet mooi, terwijl ik muziek uit de Barok juist bijzonder waardeer. Tegen het werk van Herman Brood koester ik een diepe aversie, terwijl Karel Appel mij wat doet. Zijn schilderijen zijn gedurfd." Toch zou ds. Kaars, als hij miljardair was, zelf nooit een Picasso of Appel aanschaffen. „Net zo min als ik een boek van Maarten 't Hart zal kopen. Ik neem er wel kennis van, ik bewonder zijn gave van het woord, maar verafschuw de boodschap die hij brengt. Ik geef geen dubbeltje aan zijn boeken uit. Zo is het ook met veel beeldende kunstenaars die knap werk leveren, maar een visie uitdragen die strijdt met de Bijbel." Van de gereformeerde gezindte heeft de predikant niet zo'n hoge pet op als het om waardering van kunst gaat. „Ik kom als predikant natuurlijk in veel gezinnen. Vaak hangt er een borduurwerkje aan de muur, of het huilende zigeunerjongetje van Bragolin. Over het geheel genomen is onze kring a-literair, amuzikaal en a-kunstzinnig. In Papendrecht is een tijd geleden een verkoopexpositie gehouden met veel troep uit Taiwan. Dan zie je dat mensen flinke bedragen uitgeven voor iets dat nog geen vijf euro waard is. Dat getuigt van een verontrustende oppervlakkigheid." Aan de andere kant is er het materialisme, dat ook reformatorisch Nederland in zijn greep houdt, meent ds. Kaars. „Tien-, vijftienduizend euro voor een nieuwe badkamer is heel gewoon, maar een zelfde bedrag uitgeven aan een goed kunstwerk vindt men verspilling. Het groepsgevoel speelt daarbij ook een rol. Weinigen durven af te wijken van wat in eigen kring gangbaar is. In veel gezinnen kom je hetzelfde geijkte gedoe tegen, niet alleen de wandversieringen, maar ook de meubels en gebruiksvoorwerpen." De predikant pakt een kleurige art-Decovaas uit de vensterbank. Hij haalt de schouders op. „Mensen vinden zoiets lelijk." Ooit wil ds. Kaars nog eens een studie kunstgeschiedenis volgen. „Dat interesseert me meer dan de theorieën van Kuitert. Ik ben vooral geboeid door de vraag waarom de schilderkunst in de zeventiende eeuw tot zo'n bloei kon komen in ons land. Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat de Nederlanden een soort vrijplaats waren voor kunstenaars en intellectuelen. Maar er zijn ongetwijfeld meer factoren aan te wijzen."