Digibron.nl

Hoe begeleidt de kerk de werklozen?

Bron: Ambtelijk Contact
Datum: maandag 1 december 1975
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 9

Enkele pastorale aspecten

1. Dat de kerk pastorale en diaconale zorg heeft te besteden aan werklozen, is buiten discussie: een gedeelte van de aan haar zorgen toevertrouwde leden is werkloos, of wordt door werkloosheid bedreigd.

2. De werkloosheid is een maatschappelijk vraagstuk, een lange slagschaduw, die onze economische groei op de samenleving legt. Deze treft zowel ouderen als jongeren (jeugdwerkloosheid). Dit gaat de kerken die in de samenleving staan, ter harte.

3. De pastorale zorg bedoelt de geestelijke welstand van de gemeente. Geroepen tot dienstbetoon (Efeze 4) heeft de kerk pastoraal en diaconaal bij te staan degene die zedelijk letsel oplopen in de maatschappij.

4. De ons overrompelende werkloosheid vraagt bezinning:

a. op ons maatschappelijk bestel,

b. op de fungerende arbeidsethos,

c. op het oordeel over de werklozen.

5. Het pastorale gesprek bedoelt de heling (heil) van de getroffenen:

a. hoe kijkt de werkloze tegen eigen situatie aan,

b. welke zijn de ethische gevolgen voor hem en zijn gezin,

c. hoe wordt verantwoord geholpen.

6. Begeleiding spreekt van voortdurende zorg. Hoe kan de kerk die zorg behartigen? Welke activiteiten moeten eventueel ontplooid worden?

7. Het gesprek van man tot man moet er toe leiden, dat werklozen zelf in beweging komen. Wat verwacht de werkloze zelf van de aan hem bestede zorg.

8. In prediking, in gebed, in handreiking heeft de kerk mee te leven met hen, die tot hun eigenlijke levensontplooiing niet kunnen komen.

In aansluiting op het referaat van Min. Boersma komen nu enkele pastorale aspecten naar voren. Mij is gevraagd daarover te willen spreken: u als diakenen-conferentie wilt zo concreet mogelijk deze aspecten belicht zien met het oog op uw kerkeraadswerk en uw arbeid in de gemeente.

We hebben te maken met een vraagstuk waaraan we ons onmogelijk kunnen onttrekken. De werkloosheid ligt niet op onze tafel, daar kunnen wij geen zinnig woord over zeggen — economisch gezien —, dat is de taak van overheid, bedrijfsleven en vakorganisaties, maar met de gevolgen daarvan hebben we terdege te maken. De werklozen, de getroffenen, we hebben hen immers onder de gemeenteleden. En zo we tot nu toe weinig werklozen onder de leden van de gemeente, waartoe we behoren, teilen — mogelijk seizoenwerklozen, die elk jaar enkele weken in de W.W. lopen — dan hebben we toch te bedenken, dat de schaduw van komende werkloosheid als een dreiging hangt boven het hoofd van velen, die weten dat het bedrijf waarin zij werken, economische zorgen kent of reeds overgegaan is tot werktijdsverkorting. Het laat zich aanzien, dat wij in de naaste toekomst met een levensgroot probleem te maken krijgen. De kerk kan èn terwille van haar leden, die erbij betrokken zijn, èn terwille van de samenleving, waarin zij staat, niet afzijdig blijven. De kerk draagt verantwoordelijkheid, zeker voor haar leden, die maatschappelijk gezien in de klem zitten, maar ook voor een samenleving die vele mensen — en wie zal zeggen hoevelen het er worden — geen arbeid kan geven.

We spreken van pastorale en diaconale begeleiding. Deze twee grijpen in elkaar. Het kan niet blijven bij het pastorale gesprek — van hoeveel belang ook — het diaconale is er onmiddellijk bij: helpen waar geholpen moet worden. Ik ben me bewust, dat we hiermee een nieuwe en grote taak voor ons hebben liggen. We hebben gekend de bejaardenzorg: na de oorlog kwam dit vraagstuk op de kerken af. Daarna vroeg onze maatschappij van de kerken aandacht voor het sociale leven in vele facetten. We kregen het G.S.A. Vervolgens is er geattendeerd op de mensen in het arbeidsproces, de mensen op de fabrieken. We kregen Adma en we kwamen tot het aanstellen van de industriepredikant. Men riep om het oikos-pastoraat: de predikant moet de mensen op het werk en in het werk ontmoeten, zoals de legerpredikant bij de jongens in het militaire bedrijf behoort te zijn. Er zijn maatschappelijke werkers en werksters gekomen. En allerlei opleidingsscholen. Men heeft aandacht voor de zieke mens. De ziekenhuispredikant heeft zijn intrede gedaan. (Buiten beschouwing laat ik nu de internationale hulpverlening). En zo is alles in beweging. Gesprekstechniek en gespreksanalyse worden gedoceerd om mensen te bekwamen voor een zinvol pastoraat. Het langs elkaar heen praten moet voorkomen worden. Het gesprek moet wat uithalen, het gaat om hulp in concrete nood.

Maar het is opmerkelijk: voor de werkloze mens bestaat in wezen niets. Ook op het gesprek met hem zijn we niet ingesteld. We zoeken naar de boodschap en we voelen ons onzeker. Wat zegt u tot een man van 50 jaar, die werkloos wordt en gezien zijn leeftijd nergens meer terecht kan? De dokter zegt: ga maar vissen, en de maatschappelijk werker zegt: vissen, en een ander zegt: hobby’s. En wat moet de kerk zeggen?

Het is duidelijk: de kerk is er bij de geboorte van een mens — de kerk is er bij het levenseinde van een mens. De kerk spreekt over de arbeid van de mens en weet deze te kwalificeren als beroep, goddelijk beroep (kijk maar naar het huwelijksformulier), maar wat zegt de kerk tegen de mens die buiten zijn toedoen vrij gesteld wordt van produktieve arbeid en daardoor de zin van zijn bestaan dreigt te verliezen?

U voelt hoezeer het pastoraat hier op zijn plaats is. Er moet met deze mensen gesproken worden.

Iemand heeft de opmerking gemaakt: de kerken hebben hier een prachtige kans.

We hebben in vele stadskerken, wat het kerkelijk meeleven betreft, de meeste moeite met de betrekkelijk jonge gezinnen. De gezinnen waarvan de ouders liggen in de leeftijdsgroep van 30 - 45 jaar. Als deze gezinnen in maatschappelijke zorgen komen door werkloosheid hebben de kerken ten opzichte van hen zeker diligent te zijn. Anders ontstaat aversie tegen de kerk en zeker tegen eigen kerkelijk leven, dat toch al moeite heeft om zich waar te maken in de praxis van het huidige leven. Om eens even een voorbeeld uit het verleden te noemen, een waarschuwend voorbeeld, dat ons laat weten hoe erg het is als de kerk mensen in de kou laat staan. In de dertiger jaren zijn vele gezinnen uit Drenthe en Friesland gemigreerd naar industriecentra. Steden als Enschedé en Eindhoven kregen toen hun toeloop. Vele van deze gezinnen konden maar moeilijk acclimatiseren in hun nieuwe omgeving. Maar ze moesten wel migreren, want het ging om het werk. Na een half jaar kreeg menigeen ontslag op het werk. De laatstaangenomenen gingen er het eerst uit. Hoe kwam de ellende toen pas goed aan. Een omgeving, die niet aansprak. Op het werk gedaan. Terugkeer onmogelijk. Het stempellokaal als enig vertier. Zonder te generaliseren: toen heeft de kerk haar kans gemist door deze mensen niet te begeleiden of door te zeggen: weest tevreden met uw lot. Bij gevolg hebben deze getroffenen de kerk de rug toegekeerd: geen pastorale, geen diaconale zorg werd aan hen besteed. De verbittering tegen de kerk heeft zich in de kinderen voortgezet. En dit is niet te achterhalen. Een baken in zee. Nog weer: ik zeg dit niet generaliserend.

Het is buiten discussie: de kerk heeft pastorale en diaconale zorg te besteden aan de werklozen.

In de 2e stelling ga ik hier nog verder op in.

„De lange slagschaduw van onze economische groei” ontleen ik aan het werkje van prof. Goudzwaard: „Schaduwen van het groei-geloof”. In dit werkje wordt de techniek, de wetenschap, de economie van onze westerse cultuur onder handen genomen. Alles staat in het teken van de progressie, de vooruitgang, de westerse mens zelf zit aan deze progressie-idealen vast. Vandaar dat onze leefwereld beheerst wordt door de welvaartsidee. Het leven is in de ban geslagen van een groei-geloof. ’t Is alles economische, technische en wetenschappelijke groei. Dit legt lange slagschaduwen over ons levensmilieu. Wij lopen de kans om gedegradeerd te worden tot een computerkaart, tot een radertje in een vertechniseerde, overbevolkte samenleving, met als negatieve aspecten: scheve inkomstenverdeling, milieuvervuiling, vertraagde ontwikkelingssamenwerking, bewapeningswedloop, wankelen van de westerse levensvisie, innerlijke verschraling en verarming.

Hieraan zou ik willen toevoegen: voortgaande werkloosheid. Steeds minder werk voor meer mensen. En als men zegt: laten we de technische vooruitgang vertragen terwille van de werkgelegenheid, dan geeft dit geen oplossing. Kijk maar naar Engeland, waar vakcentrales gepoogd hebben de progressie af te remmen om meer mensen aan het werk te houden, met als gevolg, dat de economische crisis in Engeland nog groter is dan op het continent van West-Europa.

Werkloosheid is een wonder ding. H. Algra zegt in zijn boek: Dispereert niet, dl. III, biz. 413 over de jaren 1928, 1929, 1930:

De jaren 1928 en 1929 werden zelfs „boomjaren” genoemd. Er was weinig werkloosheid, de prijzen stegen en de begroting sloot jaar op jaar met een overschot, terwijl bovendien verschillende bezuinigingsmaatregelen uit de jaren van de depressie omstreeks 1923 konden worden verzacht. Het waren de vette jaren.

En daarop kwamen de magere jaren. Een onweersbui op economisch gebied met een tornado te vergelijken overviel ons spoedig.

Een werkloosheid met ontzettende afmetingen. Zag men dat dan niet aankomen? Nee, want men luisterde naar de economen die voorspelden dat de welvaart zich zou voortzetten.

Ik wil er mee zeggen dat werkloosheid een niet-te-voorziene post is, die het economisch evenwicht op het alleronverwachts kan verstoren en wel zo, dat de gehele volkshuishouding in gevaar komt. Men spreekt dan van conjuncturele-structurele werkloosheid en men richt zich tot de overheid die garant moet staan voor werkgelegenheid en voorziening in de levensbehoeften van betrokkenen.

In de 4e stelling wordt gesproken van de ons overrompelende werkloosheid. Met opzet is dat zo gezegd. De verschuivingen in het economische leven, het toepassen van nieuwe produktie-methoden, de wereldconjunctuur hebben zovele onberekenbare factoren in zich, dat bij verrassing structurele werkloosheid ons maatschappelijk leven kan overrompelen. Het is het irrationele in een zo rationeel geheel, als ons maatschappelijk bedrijf kenmerkt. En als vandaag de regering zegt, dat zij alles wil doen om de werkloosheid in te dammen, dan twijfelen we niet aan de oprechtheid van de regering, maar wij willen wel opmerken, dat de regering ook niet in staat is te voorkomen wat conjunctureel-structureel niet in de hand is te houden.

Dit maatschappelijk vraagstuk raakt niet alleen de ouderen, evenzeer de jeugd, de jongeren, die de middelbare school achter zich hebben.

Het aug.no. van Konvooi schreef over de jeugdwerkloosheid: „deze wordt steeds meer gezien als een probleem van de eerste orde en allerwege klinkt de roep om meer en zelfs om volledige werkgelegenheid.”

Het gaat niet alleen om de jeugd, die de schoolopleiding achter zich heeft, maar ook om academici die gespecialiseerd zijn.

Onze jonge mensen zijn gevormd door deze prestatiemaatschappij. Daarin willen zij zich waar maken. De prestatiemaatschappij zegt, dat de waarde van je mens-zijn niet ligt in wat je bent, maar in wat je doet: je prestatie. Dat die prestatiemaatschappij hen geen plaats biedt, is de nood van die maatschappij zelf, maar die nood slaat terug op de betrokkenen, wat leidt tot frustratie en daarmee tot een zich afzetten tegen de samenleving, die hen zo heeft gevormd.

En nu de kerk. De kerk loopt het gevaar om langs de maatschappelijke nood van de mensen — in dit geval dus werkloosheid, heen te leven. De kerk is veelal kerkcentrisch gericht. Gericht op eigen signatuur en kerkstijl. Bijgevolg: veel vergaderarbeid met eigen problematiek. Vervolgens is er het gevaar van het introverte leven. Ik bedoel: een geestelijk leven, dat een eigen bestaan leidt en van waaruit geen lijnen getrokken kunnen worden naar het maatschappelijk leven, hier en nu. We moeten deze gevaren wel onderkennen. De mensen moeten niet alleen voorbereid worden op sterven, maar evenzeer begeleid worden in hun leven. De Heiland zegt tot de discipelen: gij zijt het zout der aarde, het licht der wereld. En op een andere plaats: Ik ben in uw midden als Eén die dient. En ook: geef gij hun te eten. Ik ben het brood des levens.

Met levensbrood hebben we elke dag te maken. Het pastoraat niet in het minst. Het gaat toch om het leven. Als dan de samenleving vandaag levensgrote zorgen kent, moet dit de kerk ter harte gaan.

Ik kom tot de 3de stelling: In Efeze 4 : 12 spreekt Paulus van dienstbetoon. Het werk van dienen, van onderlinge dienst. Hij zegt dat de Here gegeven heeft mensen met gaven: apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars. Al deze mensen wenden hun gaven aan tot opbouw van de gemeente. Die gemeente noemt Paulus de heiligen. Het schijnt dat Paulus bang is voor een al te passieve gemeente. Een gemeente die ’s zondags samenkomt en door de week geen eenheid vormt. Een gemeente, die als los zand aan elkaar hangt. Daarom zegt hij: de gemeenteleden moeten toegerust worden. En dat toerusten betekent: in het lid gezet worden — zoals een dokter een elleboog weer in het lid zet. De arm is uit de kom en de dokter zet die weer op de plaats. Al de leden van de gemeente moeten ’s zondags in de ontmoeting met de ambtsdrager door de verkondiging weer in het lid gezet worden. Wij zouden zeggen: een taak meekrijgen, huiswerk meekrijgen. En wat is dan het huiswerk?

Uitdelen, brood uitdelen, verzorgen, dienstbetoon. Elkander opbouwen. De hele gemeente moet actief zijn om ieder te behouden, om samen het lichaam van Christus te bouwen. Heeft de Heiland in de voetwassing ons niet een voorbeeld nagelaten? (Joh. 13 : 16). De gemeente moet in de weer zijn met de noden van al de gemeenteleden. Actief bezig.

De gelovigen moeten dus onderling aan het werk. En hun werk is dienen. En dienen betekent uitdelen, uitreiken. Zo wordt de gemeente een hechte gemeenschap, die haar basis heeft in Christus.

Nu gaat het over mensen die zedelijk letsel oplopen in de maatschappij. Brillenburg Wurth zegt (Het christelijk leven in de maatschappij, blz. 240):

„regelmatige arbeid betekent nu eenmaal een zegenrijke vulling van het mensenleven. Daarom is er weinig dat voor een mens zulk een zedelijk letsel betekent, als wanneer de gelegenheid om te werken hem benomen wordt.” Albeda schrijft in zijn boek (Vakbeweging en maatschappij, blz. 30):

„Een maatschappij, die niet in staat is de volledige werkgelegenheid op lange termijn te realiseren, faalt in sterke mate. Gedwongen werkloos zijn betekent krenking van het diepste wezen van de mens.”

Schriftuurlijk bezien, geloven we dat de mens geschapen is in drieërlei relatie:

1e. relatie tot de natuur;

2e. relatie tot de medemens.

3e. relatie tot God.

In deze relaties functioneert het beeld Gods. De arbeid van de mens raakt deze drie relaties. De mens leeft in relaties, de mens heeft recht op deze relaties, de mens vindt zijn bestemming en levensdoel in deze relaties. Het opbreken daarvan betekent krenking van het diepste wezen van de mens: zedelijk letsel. De werkloze mens kan zich daarom niet kwijt, kan zich niet geven, zich niet ontplooien. Hij voelt zich uitgeschakeld en daarmee een nietsnut. We hebben dus eerst gezegd dat de gemeente geroepen is tot dienstbetoon. Vervolgens dat de werklozen gekrenkt zijn in hun mens-zijn. We zeggen nu dat aan werklozen dienstbetoon bewezen moet worden.

De ambten in de kerk — zowel van predikant, ouderling als diaken — hebben voor de gemeente o.a. ook een illustratieve betekenis (aldus Van Ruler). Zij zijn plaatjes waarop de gemeente kan zien, hoe de gemeente moet leven. De zorg van de ambtsdragers over de kudde is de zorg die de gemeente moet kennen in onderlinge verhouding. De gemeente heeft het voorbeeld in de ambtsdrager.

De ambtsdragers hebben naar het woord van Petrus, de kudde Gods, die bij hen is, te hoeden als voorbeelden der kudde (1 Petr. 1:1; 5:1-3). Zij zijn de herders. Hun werk is pastoraal.

Het gesprek met de werklozen moet dan ook een dienend gesprek zijn. In dat gesprek moet het gaan om herstel van de levensrelaties. Deze zijn in de knel gekomen. Daarom moet hier hulp geboden worden. Herstel van de relaties betekent herstel van de ware levensvreugde in Christus binnen de gemeenschap der heiligen (T. Brienen, Onderlinge Dienst, blz. 24). Bij dit herstel is via de ambtsdragers de gemeente betrokken!

In stelling 4 gaat het om bezinning op ons maatschappelijk samenleven. In die bezinning wil ik kort zijn, gezien de aard van ons onderwerp. Onze maatschappij is een prestatiemaatschappij, een arbeids- en consumptiemaatschappij. En dit wil ik er meteen bij zeggen: het Evangelie is voluit maatschappij-kritisch. De boodschap van het Evangelie staat haaks op deze tijd. Het leven van de mensen wordt opgeslokt door de arbeid en leeggezogen door het consumptieve. Vraag de mensen maar eens voor wat kerkewerk. Geen tijd is het stereotype antwoord. Uren worden besteed aan het samenstellen van groslijsten voor een kerkeraadsverkiezing. Er zijn haast geen mensen meer die nog tijd hebben. De gedachte is al gelanceerd van de betaalde ouderling — mogelijk dat het ambt dan wat attractiever wordt (!?).

Deze vermaterialiseerde maatschappij beweegt zich tussen de polen van arbeid en loon en al wat daar buiten valt, rendeert niet, draagt niet bij tot het consumptieve. De mechanische groei van de welvaart doet het leven wegkwijnen in vervreemding en vereenzaming; we kennen de vrijheid en het gebruik van de vrijheid hoe langer hoe minder. Economie is de afgod van ons maatschappelijk bestel en de techniek dient de economie; intussen wordt de mens doodgedrukt. En niemand weet hoe het anders moet. Maar ik herhaal: de kerk kan vanuit het Evangelie alleen maar maatschappij-kritisch zijn.

Bezinning op de fungerende arbeidsethos.

Er zijn mensen die van binnen uit een arbeidsdwang hebben.

Ze worden voortgedreven. Ze werken zolang het dag is. Ze leven om te werken in plaats van omgekeerd.

Men heeft de protestantse arbeidsethiek (en met name de calvinistische) verweten, dat zij een te sterk accent gelegd heeft op het werken.

Beroep, goddelijk beroep, arbeid als levensheiliging zijn bekende klanken die de arbeidsethos stimuleren. Deze kritiek laat ik binnen het kader van ons onderwerp buiten beschouwing. Wel wil ik uiteraard mijn waardering uitspreken over de positieve calvinistische arbeidsopvatting.

Maar er zit — en daar wil ik op wijzen — in de arbeid het gevaar van werken om te werken. De vlucht in de arbeid. Arbeid die doel wordt, in plaats van middel tot levensvulling. Arbeid kan een religieuze zaak worden, ik bedoel een afgod die verslindt. Het woord ergocratie is gevallen — het beheerst worden door het werk. En als dan het loon de eigenlijke doelstelling wordt, dan is hij dienst aan de mammon geworden.

In onze maatschappij ligt dit gevaar voor de hand. Het gevaar van het verstikt worden in de arbeid en de arbeidsvragen. Het is opmerkelijk dat in de gelijkenis van de zaaier hierop gewezen wordt. Het zaad valt tussen de dorens. En dan staat er: dat is hij die het Woord hoort en de zorg van de wereld en het bedrog van rijkdom verstikt het Woord en hij wordt onvruchtbaar. (Matth. 13 : 22). Dat kon wel eens voor te harde werkers gezegd zijn. Vandaar dat de ons overrompelende werkloosheid bezinning vraagt op de fungerende arbeidsethos.

En laten we er tevens om denken, dat een maatschappij die voor alles de economische groei, de toepassing van de moderne techniek zoekt in welvaartsstreven, de arbeid ziet als de noodzakelijke onkostenfactor op de balans, en de arbeiders waardeert naar prestatie. Zo’n maatschappij kan uit zichzelf, dat is naar haar doelstelling, geen waardering opbrengen voor de werklozen. En ik meen, dat dit vandaag aan de orde is. Want het gonst in ons land van kwade geruchten over de werklozen. Van alle kanten hoor je het en het wordt doorverteld. Liever lui dan moe. Ze willen niet werken. Vraag de bazen maar, zegt men, ze kunnen de mensen niet eens meer krijgen. Als ze één dag werken, zijn ze de volgende dag ziek. Enz., enz. Het gonst van geruchten. Neem nu eens aan dat 10 of om mij 20% van de werklozen deze indruk maken, moet dan die 80% die anders is, onder dit oordeel door? Je kunt toch al die werklozen niet over één kam scheren. Van generaliseren gesproken. Er zijn veel werklozen die juist in deze maatschappij met schuldgevoelens zitten. In hun geweten voelen zij zich beschuldigd, dat zij moeten leven van de W.W., al hebben ze er zelf aan meebetaald. Er zijn werklozen die ziek zijn van hun ontslag, mensen die er een minderwaardigheidscomplex van krijgen. Deze mensen halen de voorpagina van de krant niet, maar lijden aan hun maatschappelijke nood. Zij kunnen niet leven zonder relaties, ook niet zonder sociale relaties, zij kunnen ten diepste hun maatschappelijke positie niet geestelijk verwerken. En dat vraagt bezinning. Zij moeten weer in het lid gezet worden — toegerust.

En zo komen we aan stelling 5. Het gaat in het pastorale gesprek om de heling van de getroffenen. Heil naar O.T.-ische betekenis bedoelt heling. En heling is herstelling van de relaties. Ik denk aan de Heiland, die de nood van het mensenleven dieper gepeild heeft, dan wij het kunnen. In de redding die Hij schonk, herstelde Hij relaties. De jongeling van Naïn gaf Hij terug aan zijn moeder, het dochtertje van Jaïrus aan haar ouders. Zacheus gaat teruggeven wat hij teveel nam en Levi richtte een grote maaltijd aan in zijn huis.

Waar zijn de negen, zegt Jezus als er tien melaatsen gereinigd zijn, — die negen hebben de relatie tot Jezus en in Hem tot God vergeten. Heil betekent levensherstel en Jezus die het Leven is geeft dit heil. In het heil ontmoet de mens de Heiland zelf. Daarom is Hij het brood des levens. Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u, zegt Hij tot de discipelen (Joh. 20 : 21).

En daarom gaat het in het pastoraal gesprek om relatieherstel.

In dit gesprek moet er uit komen hoe de werkloze tegen eigen situatie aankijkt. U krijgt te maken met een stuk emotionaliteit. 't Kost moeite om dit er eerlijk uit te krijgen. Maar laat hij zich uitspreken. Dien zelf alleen maar als praatpaal. Maar haal het open en sluit niet af met een nietszeggende opmerking als: nu ja, zo zijn er zoveel, of: er is niets aan te doen; je moet er maar in berusten. Haal er uit wat er in zit, laat het hem zeggen.

En als hij in opstand is tegen de maatschappij en tegen de baas en tegen de kerk en mogelijk tegen God — laat het op tafel komen.

En als het in het eerste gesprek niet lukt, dan in het tweede of derde. Het gaat om mensen wier prestige een klap gekregen heeft en die naar hun gevoel tegen de muur staan.

En doe dit met al de werklozen die tot uw gemeente behoren. U krijgt door die gesprekken een zicht, een inzicht in een stuk levensrealiteit waarvan u niet gedacht had, dat het mogelijk was in de gemeente waarin u dient. Adma gaf in januari 1973 al een signaal uit, verzonden aan de kerkeraden, waarin gegevens stonden uit gesprekken met werklozen. De ethische gevolgen komen hierna ter sprake. De verhouding vader, moeder, kinderen heeft hier rechtstreeks mee te maken. Het huwelijksleven en het ouderlijk gezag. En het financiële budget. Hier moet over gesproken worden. En dan wijs ik nog niet eens op ruïneuze gevolgen van straatslenteren, drinken, rellen veroorzaken, wat leidt tot gezinsontwrichting en wat dies meer zij (de mogelijkheden van agressiviteit).

Hoe verantwoord geholpen wordt?

In de eerste plaats door naast de mensen te gaan staan. Solidair met hen. De Heiland was één met ons in onze levensnood. Hij was vervuld van eindeloos erbarmen. Hij had lief tot het einde.

Vervolgens: de Heiland heeft de rijken gewaarschuwd: wee u, gij rijken, want gij hebt uw vertroosting reeds. Maar Hij heeft Zich het lot der armen aangetrokken en gewaarschuwd tegen de verstikkende zorg voor het dagelijkse leven. Ziet naar de leliên des velds, ziet naar de vogelen des hemels. Zij arbeiden niet, zij spinnen niet, zij verzamelen niet in hun schuren. Doe niet als de heidenen met hun zorgen. U kunt geen el aan uw lengte toevoegen. Maar zoekt uw hemelse Vader. De ruimte in ons benarde leven geeft ons de Vader: Hij beschikt, geeft het Koninkrijk en dat Rijk is de herstelling van relaties in nieuwe levensvreugde.

Als het gaat om de betrekkelijke waarde van de mussen, zegt de Heiland: je kunt er twee kopen voor één duit. En niet één daarvan valt ter aarde zonder Uw Vader. Dat wil zeggen, als een mus dood ter aarde valt, is de Vader erbij. De Vader herstelt het geschonden leven. Hoeveel te meer ons in benarde omstandigheden: de Vader is erbij om te helen, want gij gaat vele mussen te boven. Verantwoord helpen betekent vanuit het Evangelie helpen. Helen geschiedt door het Woord, dat ruimte schept en van zorgen bevrijdt. De boodschap van het Koninkrijk verlost van schuldgevoelens, bevrijdt uit minderwaardigheidscomplexen, redt de persoonlijke waardigheid van de mens. De ruimte die de God en Vader van de Here Jezus Christus ons geeft is herscheppend.

In Stelling 6 krijgt de begeleiding de nadruk. Begeleiding spreekt van een voortdurende zorg. Zoals wij mensen die ongeneeslijk ziek zijn, begeleiden naar hun levenseinde. Paulus overvalt dagelijks de zorg van al de gemeenten (2 Kor. 11 vs. 28). Daarom begeleidt hij de gemeenten met de bediening (uitreiking) van het Evangelie. We Spraken zo juist van de ruimte die het geloof in Gods Vaderschap in ons leven geeft. Die ruimte omspant het gehele leven, grijpt ons existentieel aan. Van hieruit mogen we ook het begrip arbeid laden met een bijbelse inhoud. In onze maatschappij is arbeid het middel tot verwerving van inkomen. We onderscheiden drie soorten van arbeid: handenarbeid, arbeid in intermenselijke betrekkingen en denkarbeid.

Het eerste is overgelaten aan de arbeiders, het tweede aan sociale werkers, het derde aan leraren en hoogleraren. Bij alle drie gaat het om het loon, dat de waardering voor de prestatie inhoudt. Want arbeid is onderworpen aan de loonwaardering. Hierin ligt de status van de mens en hiermee zijn de inkomstenverschillen gegeven.

Als de Here Jezus zijn discipelen kiest, haalt Hij ze uit hun arbeid. Zij trokken, zo staat er, de schepen aan land. Hij zendt ze uit zonder male of buidel en zegt tenslotte: heeft u ook iets ontbroken? Zij antwoorden: Nee, Here, aan niets. (Luc. 22 vs. 35).

Bijbels gezien moet de arbeid verlost worden uit heel die krampachtige sfeer van verdienen. „Wat kan ik eraan verdienen”. Het arbeidsgebod begint met het gebod van de rust en daarboven Staat: Ik ben de Here, uw God, die u verlost heeft uit het diensthuis van Egypte. Dat was de ijzeroven, de dwang-arbeid. (Deut. 4 vs. 20).

Als Adam zijn cultuurtaak ontvangt, dan gaat God in in de rust. Dingen die Adam te groot waren, heeft God gedaan. Maar het overige mag de mens doen. Hij mag de dieren benoemen, de schepping ontwikkelen, zijn creatief vermogen ontplooien. Door de zonde is wel het arbeidsveld moeilijker geworden, de vloek rust er op, doornen en distels groeien er welig, maar de mens heeft zijn creatief vermogen behouden. De eerste dag die de mens beleefde was de rustdag. Vandaar uit gaat de mens in tot de arbeid. Die arbeid omvat niet slechts vijf dagen werken in dienst van de baas. Arbeid is een veel ruimer begrip. De mens mag al zijn Vermogens gebruiken in de tijd die hij hier op aarde krijgt toegemeten. Dit stelt hem in staat tot spreken, handelen, denken, voortbrengen, beheren, genieten, liefhebben en zorgen. De mens komt tot zijn recht in de aanwending van zijn Vermogens. (Aldus J. Lanser: „Naar een menswaardig bestaan”). Deze formulering neemt afstand van de opvatting dat de mens zich pas waar maakt in en door zijn dagelijks werk. God roept mij tot de aanwending van de mij geschonken Vermogens waar ik sta en waar ik ben, ten diepste tot Zijn dienst. En van hieruit kan in de begeleiding gesproken worden over eventuele activiteiten. Ik wil een enkele noemen:

Begin met het aanleggen van een lijst van werklozen. Zoek contacten met andere kerken, niet slechts in de plaats, maar in de regio. Overleg met elkaar hoe de mensen bij elkaar gebracht kunnen worden om zich verdienstelijk bezig te houden op creatieve wijze.

Treed in overleg met gemeentebesturen, arbeidsraden, maatschappelijke werkers. Als u werklozen weet samen te brengen in ruimten tot creatieve doeleinden, brengt u een groot potentieel bij elkaar. A.u.b. geen recreatiezaal voor schaken en dammen. Nee: ontwikkel onder goede leiding, onder maatschappelijke zorg en interkerkelijke begeleiding de mogelijkheid voor werklozen om creatief bezig te zijn. Daar kan van alles uit groeien. Pastoraal gezien verschaff u de mensen weer een stuk arbeidsvreugde. En dat is ook bijbels. Ook behaalt u dan een negatief voordeel: u haalt de werkloze uit zijn huis, wat moeder, de vrouw alleen maar zal toejuichen.

In stelling 7 gaat het er om dat de werklozen niet het gevoel krijgen bevaderd of bemoederd te worden. Het gesprek moet leiden tot toerusting en activering. Dit ligt veel moeilijker bij de mensen die afgekeurd zijn voor hun werk, alhoewel velen van deze — en zeer terecht — proberen, als ze even kunnen, toch weer iets te doen. Het activeren van werklozen ligt veel meer open. Ambtenaren van arbeidsbureaus voeren geen gesprek van man tot man, maar volstaan met hun ambtelijke plicht. Voor ons ligt dat heel anders.

De werklozen verwachten niet van ons, dat wij hun een arbeidsterrein openen. Wij verschaffen geen werk, maar wij moeten hen wel helpen de zin van hun bestaan te hervinden Informatie over arbeidsmogelijkheden moeten we ten alle tijde verstrekken.

Tenslotte: in het pastoraat gaat het ook om het meeleven.

Begeleiding is meeleven. Veel mensen zullen in hun leven met komen tot het vak van hun keuze en opleiding. De levensontplooiing die ZIJ zich hadden voorgesteld, wordt met gerealiseerd. Dit geeft teleurstelling. Door de prediking van het Woord mogen wij hen leiden, in het gebed tot de hemelse Vader hen opdragen, in eventuele handreiking hen begeleiden. Dat is de dienst die van de kerken gevraagd wordt voor hen, die niet tot hun eigenlijke levensontplooiing kunnen komen.