Digibron.nl

Vorstin

Bron: Reformatorisch Dagblad
Datum: vrijdag 17 augustus 1990
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 20 (Onbekend)

Nederland was altijd verwend geweest met Oranjevorsten. Voor sommigen was het dan ook even slikken toen ze precies honderd jaar geleden, na het overlijden van koning Willem III met een vorstin werden geconfronteerd. Bepaald niet iedereen was gecharmeerd van een vrouwspersoon op de troon. Zou een vrouw aan het roer wel krachtig genoeg zijn om het schip van staat te sturen?

In de Staten-Generaal waren al in 1884 bedenkingen geopperd. Eerste en Tweede Kamer moesten toen hun oordeel vellen over een wet waarin de tweede vrouw van koning Willem III, Ernma,'werd aangewezen als regentes voor het geval de koning zou overlijden voor de achttiende verjaardag van prinses Wilhelmina. Ten minste drie kamerleden zagen een vrouwelijke vorst niet zitten.

Daar was allereerst de befaamde geachte afgevaardigde uit Groningen, Samuel van Houten. Sam zag de toekomst met zorg tegemoet. Een vrouwelijk staatshoofd, zou die niet te zwak zijn? Van Houtens bezorgdheid werd echter getemperd „door de overtuiging dat de Kroon in ons Staatsstelsel nu reeds, en nog meer in het vervolg, is veeleer een ornament dan het fundaiment. Ware zij het fundament, dan zou ons Staatsstelsel op een zwakken grondslag komen te rusten", aldus Van Houten.

Klip en klaar was ook Daniël van Eek, een spraakmakende liberaal uit het Zeeuwse, naar het schijnt zelfs een verre afstammeling van de bloeddorstige graaf Alva. Retorisch stelde hij de vraag: „Hoe achteaswaar-digsaaka^anBj? wctew zij aan wiêfcmendszegjÖ-sseiBMxs ge taak zal opdragen, kan men over hetvi algemeen die zelfstandigheid, die kracht bij haar veronderstellen, welke, voor die taak vereischt wordt? Zou men kunnen aannemen dat zij de talenten heeft en de kennis bezit, die noodig zijn om haar te vrijwaren voor het gevaar van op het dwaalspoor te worden gebracht?" Van Eek had er een zwaar hoofd in.

Samuel was er niet voor, Daniël evenmin, terwijl de anti-revolutionair Keuchenius op nog een ander aspect van Emma's regentschap wees. Hoe kan een moeder trouw zweren aan haar minderjarig kind, waar zij veeleer geroepen is tucht uit te oefenen over dat kind, vroeg de afgevaardigde uit Gorcum zich af. „Dewijl wij geen lasten mogen opleggen die te zwaar zijn om te dragen, maak ik bezwaar..." dat van de nog zeer jeugdige Emma (26), afkomstig uit een „vreemd Rijk, nog slechts vijfjaren in het vaderland gevestigd, gevorderd worde dat zij, onder aanroeping van God almachtig, zwere dat zij de Grondwet zal handhaven, die misschien op dit oogenblik nog geen onderwerp geweest is van hare studie". Dat is te veel gevergd van de regentes, vreesde Keuchenius.

Met meer kracht en minder woorden dan minister Heemskerk van binnenlandse zaken, verdedigde de rooms-rkatholiek "doctor" Schaepman de kleine koningin Emma. Van Houtens opmerking over ornament en fundament tireerde hij meesterlijk. „In den bouwstijl dien onze vaderen hebben liefgehad, is zoowel het constructieve lid als het sieraad te zamen verbonden tot een geheel en strekt dit, wat inderdaad niets anders schijnt dan een sieraad, wel degelijk tot instandhouding van het gebouw. Wanneer ik nu denk aan de plaats van de Kroon in het staatsgebouw van ons Nederland, dan denk ik aan den sluitsteen in het gewelf, die tegelijkertijd is een sieraad en tevens het constructieve lid, dat geheel den hoog opstrevend.en bouw te zamen houdt". En dat een vorstin zich zwakker zou betonen dan een vorst, wilde er bij Schaepman al helemaal niet in. Minister Heemskerk had al opgemerkt dat de praktijk in de „bakermatder parlementaire Regeering", Engeland, had aangetoond „dat de vastheid der instellingen aldaar even groot is onder eene vrouwelijke als onder eene mannelijke Regeering..."

Schaepman stelde het nog scherper: „De geschiedenis heeft ons evenveel voorbeelden getoond van Koningen, die de slaven waren van vrouwen, als van Koninginnen die met mannelijke waardigheid, mannelijke kracht en zelfs mannelijke stoutheid het gezag wisten te voeren".

Emma, Wilhelmina, Juliana en Beatrix, hebben deze vier vorstelijke vorstinnen het gelijk van Schaepman niet onomstotelijk aangetoond? ^1.1