Digibron.nl

B. NIEUWE INSTRUCTIES

Bron: Ambtelijk Contact
Datum: donderdag 1 februari 1990
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 4

I. Instructie voor deputaten geestelijke verzorging van varenden.

1. De generale synode benoemt deputaten voor de geestelijke verzorging van varenden.

2. Het aantal deputaten is minstens zes.

3. Deputaten kunnen aan hun college een drietal varenden, zo mogelijk ambtsdragers, als adviseurs toevoegen.

4. De taak van deputaten is:

a. de kerkeraden te stimuleren de geestelijke verzorging van de varende leden en hun gezinnen getrouw waar te nemen;

b. de kerkeraden op te wekken huisbezoeken te doen bij de varenden in de binnenvaart; van dit ambtelijk bezoek kennis te geven aan de plaatselijke gemeente, waaronder het betrokken gezin ressorteert;

c. de kerkeraden te verzoeken namen en adressen van varende leden door te geven aan deputaten, voor het bijhouden van een adressenbestand;

d. er bij de kerkeraden op aan te dringen contacten te onderhouden met de zeevarenden die voor maritieme werkzaamheden langdurig in het buitenland verblijven;

e. kerkeraden, die een predikant beroepen voor de ambtelijke bearbeiding van varenden, in dezen van advies te dienen, zo nodig met hen samen te werken en hen financieel te steunen volgens een daarvoor te maken overeenkomst;

f. contact te onderhouden en zo mogelijk samen te werken met andere reformatorische kerken of instanties, die op de een of andere wijze de geestelijke verzorging van varenden ter hand hebben genomen.

5. Met het oog op het bepaalde in artikel 4 sub e: de benodigde gelden worden verkregen uit giften, schenkingen, erflatingen, collecten e.d.; indien nodig mogen deputaten aan de kerken een collecte vragen.

6. Deputaten zijn naar artikel 84 K.O. en binnen de grenzen van hun instructie bevoegd tot:

a. het in ontvangst nemen van gelden, waaronder legaten en erfstellingen;

b. het verrichten van betalingen.

7. Deputaten zijn van al hun handelingen verantwoording schuldig aan de generale synode.

II. Instructie voor de deputaten voor onderlinge bijstand en advies

Artikel 1. Samenstelling

Het door de generale synode ingestelde deputaatschap voor onderlinge bijstand en advies bestaat uit negen leden.

De generale synode benoemt een deputaat-voorzitter, een deputaat-secretaris, een deputaat-penningmeester, die samen het moderamen vormen, en nog twee deputaten alsmede hun vijf secundi.

Elke particuliere synode benoemt voor de tijd van twee jaar één deputaat met zijn secundus.

Deputaten benoemen uit hun midden plaatsvervangers voorde leden van het mode-ramen, alsmede tenminste drie leden die samen de sectie bouwaangelegenheden vormen.

Artikel 2. Taak

Deputaten hebben tot taak overeenkomstig de door de generale synode gegeven instructie een kas voor onderlinge bijstand te beheren en daaruit steun te verlenen aan kerken, die niet in staat zijn te voldoen aan hun financiële verplichtingen ingevolge artikel 11 K.O. of overigens in financiële moeilijkheden verkeren.

Deputaten hebben voorts tot taak kerken desgevraagd te adviseren inzake behoeften en voorzieningen aan gebouwen en de daarmee verbonden financiële consequenties. Zij kunnen zich te dien aanzien zonodig van deskundige bijstand voorzien.

Artikel 3. Middelen

De kas voor onderlinge bijstand wordt gevormd door inbreng van de vermogensbestanddelen van de bestaande kas onderlinge bijstand en van het fonds steun kerkbouw per 1 januari 1990 en aangevuld met de door de generale synode vastgestelde bijdragen van de kerken en eventuele andere ontvangsten. De op 1 januari 1990 bestaande verplichtingen van voornoemde kas onderlinge bijstand en fonds steun kerkbouw worden door het nieuwe deputaatschap voor onderlinge bijstand en advies per 1 januari 1990 overgenomen.

Artikel 4. Steunverlening

Deputaten verlenen financiële steun aan kerken door toezegging van een maximale uitkering over een kalenderjaar op basis van het in een jaarbegroting geraamde exploitatie-tekort en door uitkering van het uit de jaarrekening blijkende werkelijke exploitatie-tekort tot ten hoogste het toegezegde bedrag.

De steuntoezegging en uitkering blijven voorts - behoudens zeer bijzondere omstandigheden - beperkt tot de som van:

a. 25% van het totaal der predikantskosten (honorarium, premies, huisvesting etc), volgens de richtlijnen van deputaten voor financiële zaken, nadat deze kosten zijn verminderd met de neveninkomsten uit arbeid van de predikant, voorzover deze neveninkomsten meer bedragen dan 20% van het minimum-traktement,

b. De door deputaten aanvaarde bijdrage gedurende een bepaalde periode in de rente- en aflossingsverplichtingen van de lening (c.q. leningen) voor de redelijke kosten van (ver-)bouw of aankoop van een kerkgebouw met vergader-accommodatie, inclusief meubilair en orgel. Een kerk dient in principe omstreeks 50% van voornoemde kosten uit eigen middelen beschikbaar te hebben,

c. 60% van de door de generale synode vastgestelde en afgedragen minimum bijdragen voor kerkelijke kassen. Deze steun geldt voor die kerken die alleen of in combinatie met een andere kerk per 1 januari samen minder dan 250 (doop)leden hebben en gedurende het gehele jaar het minimum traktement van een eigen predikant hebben te dragen;

d. Aan kerken met minder dan 150 zielen, die voor het eerst na 1 januari 1990 zelfstandig een predikant ontvangen, kan de volgende bijstandsregeling worden toegezegd: ten hoogste 40% van de totale predikantskosten van het jaar van intrede en het volgende kalenderjaar, ten hoogste 35% over het tweede jaar na intrede en ten hoogste 30% over het derde jaar na intrede.

Artikel 5. Steunaanvragen

Deputaten stellen de kerkeraden ieder jaar in de gelegenheid door middel van een mededeling in „De Wekker” een met redenen omklede steunaanvraag bij hun secretaris in te dienen. De aanvragen dienen vããr de door deputaten gestelde datum te worden ingediend, vergezeld van:

a. een staat van baten en lasten van de kerk over het laatstverlopen kalenderjaar;

b. een staat van alle bezittingen en schulden en eventuele fondsen van de kerk per 1 januari en 31 december van dat jaar;

c. een begroting van baten en lasten voor het lopende kalenderjaar;

d. een specificatie van de predikantskosten, alsmede een opgave van de neveninkomsten, bedoeld in artikel 4, sub a;

e. een raming van de nodig geachte steun.

Deputaten zijn bevoegd aan de kerkeraden nadere schriftelijke of mondelinge toelichting te vragen. Zij zullen alle ontvangen gegevens vertrouwelijk behandelen.

Indien na de datum tot het indienen van een aanvraag niet voorziene omstandigheden zich voordoen, kunnen kerkeraden alsnog een aanvraag indienen.

In dat geval zullen kerkeraden geen verplichtingen aangaan, waarvoor financiële steun van deputaten nodig is, vããrdat deputaten op hun verzoek positief hebben beslist.

Artikel 6. Beslissing

Deputaten beslissen binnen vier maanden na ontvangst van het steunverzoek en de, zo nodig, gevraagde nadere toelichting. Bij hun beslissing houden deputaten rekening met de offervaardigheid van de gemeente, met de bestaande vermogenspositie en met te verwachten ontwikkelingen.

Artikel 7. Verantwoording

Deputaten zijn verantwoording van hun beleid en van hun financieel beheer verschuldigd aan de generale synode. Zij geven daartoe een verslag van hun werkzaamheden met overzichten van de baten en lasten en van de bezittingen en schulden van de kas aan de generale synode onder gelijktijdige indiening van een begroting voor de eerstkomende drie jaren. Elk jaar geven zij een overzicht van hun werkzaamheden aan de particuliere synoden.

Artikel 8. Bevoegdheid

Deputaten zijn naar artikel 84 K.O. en binnen de grenzen van hun instructie bevoegd tot:

a. het in ontvangst nemen van gelden, waaronder legaten en erfstellingen;

b. het verrichten van betalingen.

III. Instructie voor de deputaten voor het contact met de Overheid

Artikel 1.

De generale synode benoemt, overeenkomstig artikel 28 Acta Synodi 1925, deputaten voor het contact met de Overheid.

Artikel 2.

Het getal der deputaten is tenminste vijf.

Artikel 3.

De generale synode wijst de voorzitter en de secretaris aan. Bij ontstentenis van de voorzitter treedt de oudste deputaat in jaren als zodanig op. Bij ontstentenis van de secretaris wijzen de deputaten bij meerderheid van stemmen de plaatsvervanger aan.

Artikel 4.

Naar artikel 84 K.O. kunnen deputaten de Christelijke Gereformeerde Kerken in en buiten rechte vertegenwoordigen.

Artikel 5.

Aan deputaten is opgedragen:

a. alle van regeringswege bij hen ingekomen stukken, bestemd voor de Christelijke Gereformeerde Kerken, ten spoedigste ter kennis van de gemeenten te brengen, hetzij door middel van het officiële orgaan der kerken, hetzij op andere wijze, al naar gelang deze stukken een publiek dan wel een vertrouwelijk karakter dragen;

b. het overbrengen van verzoeken en klachten van gemeenten, classes of (particuliere) synoden aan de Overheid, voorzover deputaten zulks nodig en wenselijk achten;

c. de gemeenten van advies te dienen, hoe zij in moeilijkheden, met enige Overheid gerezen, hebben te handelen;

d. het regelmatig overleg plegen met de door de generale synode benoemde gedelegeerde in het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (C.I.O.) en het doen van verantwoording zowel van diens werkzaamheden als van de werkzaamheden van deputaten aan de generale synode.

Artikel 6.

Deputaten kunnen worden belast met andere door de generale synode op te dragen taken, die op enigerlei wijze de relatie met de Overheid raken, zolang daarmee niet een afzonderlijk door de generale synode in te stellen deputaatschap is belast.

Bovenstaande instructies komen in de plaats van de Bijlagen 1, 4, 6 en 26 K.O., die nu vervallen zijn.