Digibron.nl

Vrede in je hart

Bron: Reformatorisch Dagblad
Datum: vrijdag 20 december 1991
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 29 (Onbekend)

"Met de kerstman op de foto! Nu maar voor ƒ 2,50". Dat staat op een groot bord voor de fotowinkel. Vlak naast het bord zit de kerstman, met om zich heen een drukte van belang. Jaap, Harmen en hun zusje Marieke zien al die mensen. Ze hebben boodschappen gedaan en gaan nu weer naar huis, maar Marieke vindt de kerstman zó leuk, dat ze er nog een poosje naar wil kijken. „O Jaap, ik wil ook op de foto! Wat ziet de kerstman er grappig uit hè..." Jaap kijkt het allemaal eens aan. Hij vindt het maar een kinderachtig gedoe. Zo'n dikke man met een raar pakkie aan en 'n aangeplakte baard, daar ga je toch niet bij op z'n knie zitten! Maar Marieke denkt daar anders over. „Ik ga 't aan mama vragen", zegt ze en dan lopen ze door.

Zodra Marieke binnenkomt, roept ze: „Mam, mag ik op de foto met de kerstman?" „Met de wat? De kerstman?" zegt mama heel verbaasd, „hoe kom je daar nu bij? Natuurlijk niet!" Marieke wordt meteen boos. „Ik wil het toch, hoor mam! Alle meisjes uit m'n klas mogen wel en ik betaal het gewoon van m'n eigen geld"... Maar mama vindt het niet goed en daar blijft het bij. Jaap en Harmen gaan grinnikend weer naar buiten: zij dachten wel dat het niet zou mogen. Marieke is binnen gebleven en vraagt aan mama: „Waarom vindt u het eigenlijk niet goed, mam?" Mama gaat eens zitten en trekt Marieke op schoot. „Denk je, dat ' de kerstman iets met het ; Kerstfeest te maken heeft?" vraagt ze. „Tuurlijk!" zegt Marieke meteen, „hij heet toch kerstman..." „O", zegt mama, „en heeft dan de Heere God de kerstman naar de aarde laten gaan, denk je?"

„Nee", zegt Marieke, „dat was de Heere Jezus, hè mam". „Goed zo", zegt mama. „het Kerstkind was dat. En de kerstman? Die is zomaar bedacht door mensen die vergeten zijn waar het met het Kerstfeest eigenlijk om gaat. Die mensen vinden de geboorte van de Heere Jezus misschien niet genoeg voor een feest en bedenken daarom allerlei dingen om het gezelliger te maken. De kerstman hoort erbij omdat hij zogenaamd kadootjes komt brengen. Nu snap je 't wel hè, daarom mag je niet met 'm op de foto, omdat wij wel beter weten". .-.Dus de kerstman denkt dat-ie net zo belangrijk is als de Heere Jezus", zegt Marieke, „nou, echt niet waar!" Ze is meteen boos op de kerstman en wil er niet meer naar gaan kijken. Jaap en Harmen wel. Zij staan alweer bij de fotowinkel. Harmen wilde eigenlijk niet, maar Jaap zag Geert, zijn beste vriend, en jamen zijn ze helemaal naar voren gedrongen en doen vreselijk stoer. Ze doen net alsof ze ook op de foto willen, gaan voor de kerstman staan en trekken allerlei rare gezichten.

„Ga weg, jullie!" roept de fotograaf boos. Hij heeft het net zo druk en nu die vervelende jongens. „Schiet op!" Maar Jaap en Geert zijn dat helemaal niet van plan. „Zal ik aan z'n puntmuts trekken?" smoest Jaap. „Ja, en ik aan z'n baard", zegt Geert, „zal je zien dat-ie eraf vliegt..." Harmen staat angstig toe te kijken. Hij is helemaal niet zo stoer, maar juist stil en verlegen. „Jongens, kom nou!" roept hij bang. „Jaap, niet doen joh. Straks komt de politie nog..." Maar Jaap en Geert blijven vervelend doen, net zo lang tot de fotograaf hen opzij duwt. Dan weet Jaap nog een goeie. Hij heeft gezien dat de kerstman op een klapstoel zit. Als de kerstman even gaat staan, pakt Jaap de klapstoel vast en klapt 'm in elkaar, nèt voordat de kerstman gaat zitten. En o, dan gebéurt het. De kerstman, die denkt veilig te gaan zitten, ploft op de grond. Benen in de lucht, z'n muts valt af en over z'n hoofd loopt het elastiekje van z'n baard... „Oh! Au! Help!" roept de arme man. De fotograaf stormt naar de jongens toe en schreeuwt: „Wie deed dat? Jij hè, jij!" en hij schudt Jaap door elkaar. „Ik? Ik?" hakkelt Jaap. Nu is het ineens niet leuk meer, zo bedoelde hij het niet. „Ik deed niks hoor!" zegt hij zenuwachtig, „ik deed dat niet. Maar ik zag wel wie dat deed: hij!" en hij wijst op z'n broertje Harmen... „Nee! Nee!" roept die, maar het helpt hem niets. De fotograaf pakt hem beet en sleurt hem de fotowinkel in. Helemaal achterin is een donker gangetje, daar doet hij de deur van de meterkast open en duwt Harmen er in. Ziezo, deur op slot en gauw weer naar buiten. Van die twee grote, stoere jongens is daar geen spoor meer te bekennen... En Harmen zit in die donkere kast vol tikkende meters en gonzende geluiden en weet zich geen raad van angst. „Ikheb het niet gedaart...", snikt hij aldoor, „mama, o, mama!" En na een hele poos: „Heere Jezus, helpt U me, ik ben zo bang!" Het duurt nog wel een halfuur voor de fotograaf de lichten van de winkel uitdoet en zo Harmen in de kast vindt. Helemaal overstuur rolt Harmen eruit en roept maar steeds: „Ik heb het niet gedaan..." Juist op dat moment gaat de winkeldeur open en komt Jaap binnen. Hij dacht dat Harmen al lang weer buiten zou zijn, maar zag hem nergens. „Waarom liet je me in de steek?" roept Harmen, „waar bleef je nou, hè..."

Jaap gaat naar z'n broertje toe en zegt: „Sorry Harm... dat was echt een gemene streek van mij... ik, eh, ik heb je er echt in laten lopen. Sorry hoor... Oké?" Hij vindt het erg moeilijk om dat tegen z'n broertje te zeggen, maar weet best hoe misselijk hij deed. De fotograaf staat het aan te zien en zegt dan: „Ik was ook fout. Jij was onschuldig, maar je kreeg toch straf. Hier, da's voor jou!" Hij geeft Harmen een mooi fotolijstje van de muur, met een race-auto erin. Hé, denkt Harmen, wat hij nu zegt, lijkt op m'n tekst die ik morgen op moet zeggen... „De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem..."

Dat zegt hij ook 's avonds tegen mama, als hij lekker in z'n bed ligt. Alles is verteld en mama was boos en verdrietig. Toch ook blij omdat Jaap het goed wil maken en morgen naar de kerstman gaat. Harmen zegt: „Mam, de fotograaf zei bijna hetzelfde als m'n tekst uit Jesaja. Die wist al dat de Heere Jezus later de straf zou dragen hè?" „Ja", zegt mama, „en jij hebt vandaag wel gemerkt hoe dat is als je voor niets de straf krijgt. Dat viel niet mee! Maar dan de Heere Jezus! Die is helemaal vrijwillig naar de aarde gekomen om voor zondige mensen de straf te dragen, terwijl die mensen daar helemaal niet om gevraagd hadden. Maar toch is het zo goed gekomen tussen God en de mensen die in Hem geloven. De Heere Jezus maakte zo weer vrede. En zo kan het ook vrede worden in plaats van straf tussen jou en de Heere, Harmen. De Heere wil dan jouw zonden niet meer zien, om Jezus' wil. Daar moet je wel aldoor om vragen, hoor. Doe dat straks meteen maar, op je knieën of onder de dekens. Doen hè!"

De volgende avond is het Kerstfeest van school. De jongens van groep 6 moeten Jesaja 53 lezen. Harmen ook. Het gaat heel goed en duidelijk klinkt het: „... Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld, de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden..."

Dan wordt hij ineens blij van binnen. Hij denkt: Nu snap ik het! Nu begrijp ik alles van het Kerstfeest. Van de straf en van de vrede- Want je kunt alleen maar vrede in je hart hebben omdat de Heere Jezus de straf gedragen heeft. En dat is eigenlijk met het Kerstfeest al begonnen. Nu begrijp ik het, nu wéét ik het ineens... In de kerk zit ook Marieke, lekker tegen mama aan geleund. Dan, als ze bijna zullen gaan zingen, vraagt ze nog gauw: „Mam, de kerstman hè, die kan geen vrede in je hartje geven, hè?" „Nee", fluistert mama zacht, „alléén de Heere Jezus". A. Troost-Moienaar