Digibron.nl

De Didache heeft betekenis voor ons reformatorische onderwijs

Bron: Reformatorisch Dagblad
Datum: vrijdag 30 augustus 1991
Auteur: drs. L. W. van der Meij
Pagina: 14 (Onbekend)

In 1873 ontdekte een Grieks-orthodoxe metropoliet in Constantinopel een oud handschrift. Deze codex bevatte onder meer een geschrift dat men eeuwenlang verloren waande: de Didache. Dit handschrift bevindt zich in de bibliotheek van het Grieks-orthodoxe patriarchaat in Jeruzalem. De Didache is eigenlijk een kleine kerkorde van ongeveer 100 na Christus, die of in Egypte of in Syrië functioneerde. In de Didache wordt onder meer de dooppraktijk geregeld. Er moet gedoopt worden in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest. Het liefst met koud stromend water. En aan die doopsbediening moest catechese voorafgaan.

De volledige titel van de Didache is: de Leer des Heeren door middel van de twaalf apostelen voor de volkeren. De Didache wil gelezen worden als leer van Christus via de apostelen tot de volkeren gebracht. Het beroep op de autoriteit van de Kurios moet deze vroeg-christelijke catechese voor de gemeente aanvaardbaar maken.

De Didache begint abrupt met de woorden: er zijn twee wegen. De catechumeen staat op een driesprong: hij moet kiezen tussen de weg van het leven en de weg van de dood. Beide tegelijk bewandelen gaat niet. De Didache wil van geen compromissen weten. De Didachist zegt: „Het verschil tussen de twee wegen is groot".

Wijd verbreid

Het thema van de twee wegen was in de tijd van de vroege kerk wijd verbreid. Ook joodse rabbijnen, de Essenen van de Qumran-gemeenschap en zelfs hellenistische moraalfilosofen maakten van dit thema gebruik. Commentatoren denken dat aan de Didache een joods tweewegentraktaat ten grondslag ligt dat een beetje christelijk is bijgeschaafd.

In zijn proefschrift "Jeruzalem en Babylon" vraagt dr. J. van Oort zich af of het catechetische schema van de twee wegen ook niet bij Augustinus doorwerkt in zijn belangrijke boek De Civitate, over de Stad Gods. Duidelijk is hem in elk geval dat met name in zijn "De catechezandis rudibus", het onderwijzen van nieuwelingen, het thema van de twee wegen vaak voorkomt.

Van Oort maakt zelfs melding van een toespraak van de bekende Angelsaksische missionaris Bonifatius, ooit gehouden in de adventstijd, waarin pas tot het christendom bekeerde Germanen herinnerd worden aan hun doopbelofte en opgeroepen tot een vroom leven. De lijst van zonden die hij hierin opsomt, vertoont in belangrijke mate verwantschap met de Didache.

De weg van het leven

Allereerst beschrijft de Didachist de weg van of tot het leven. Dat leven wordt gevonden op de weg van de gehoorzaamheid. Voordat hij daarop concreet ingaat, geeft de Didachist de samenvatting van de wet in het zogenaamde dubbelgebod van de liefde. „De weg naar het leven is als volgt: in de eerste plaats moet u God die u gemaakt heeft liefhebben en in de tweede plaats uw naaste als uzelf".

De Didache wil dus duidelijk maken dat de weg van de gehoorzaamheid tot het leven leidt. Het leven opgevat als de toekomst van Christus, het eeuwige leven.

Na deze algemene inleiding volgt een heel concrete lijst van geboden als ontvouwing van het liefdesgebod. Didactisch gezien een gelukkige keuze. De liefde is immers de vervulling van de wet. In dit verband zou ik ook mijn twijfel willen uiten aan de bekende stelregel dat de geschriften van de zogenaamde Apostolische Vaders, waartoe ook de Dichachist behoort, slechts een wettische ontsporing zijn van het frisse oerchristendom zoals verwoord in het Nieuwe Testament. Het sola gratia, sola fide van Paulus komt er in dit geschriftje inderdaad bekaaid af. We moeten echter niet vergeten dat de chaotische praktijk van het heidendom de generatie na de apostelen noodzaakte om zeer direct en concreet te spreken. De catechumenen moesten weten waar ze aan toe waren.

Het leven in de gemeenschap van christenen had nu eenmaal consequenties. Het niet van de wereld zijn werd heel duidelijk ingekleurd. De vroeg-christelijke catechese is daarom meer dan het overdragen van interessante godsdienstige informatie. Het gaat om een levenskeuze. Erop of eronder.

Liefde en realiteit

Opmerkelijk is dat de concretisering van het liefdesgebod begint met een oproep van liefde tot de vijanden. De keuze voor Christus en Zijn Evangelie zou door de joodse of heidense omgeving niet voetstoots geaccepteerd worden. Liefde tot de vijanden heft de agressie op. Het is duidelijk dat de spiritualiteit van de Bergrede in de Didache doorwerkt. De christen moet afzien van geweld. Hij moet agressie niet met gelijke munt betalen. Het gaat niet om zijn eigen recht maar om de openbaring van Gods recht, het recht van het Koninkrijk der hemelen dat in Christus nabijgekomen is. Op een zekere plaats lijkt het alsof het liefdesgebod van Christus zelfs wordt overtroffen door de woorden: „U moet uw vijanden meer liefhebben dan uzelf".

Voorts moet de zelfverloochening blijken in de mededeelzaamheid: een doorgeven van Gods gaven. De arme heeft recht op onze gaven. Hier spreekt ook de joodse gedachte mee dat Gods scheppingsgaven er voor allen zijn.

De catechese van de Didache bestaat voor een groot deel uit een lange lijst van verboden en geboden. De Didachist neemt zijn uitgangspunt in de Decaloog met name het zesde en zevende gebod: „U zult niet doden, geen echtbreuk plegen". Maar hij verkoopt geen algemeenheden. Hij noemt de heidense praktijken van zijn tijd bij de naam. Niet doden betekent ook geen abortus plegen, heel realistisch beschreven als: „Gij zult een kind niet doden door vernietiging!" (Overigens hebben we hier het oudste expliciete bewijs voor het christelijke verbod van vruchtafdrijving!)

En in verband met zijn waarschuwing voor echtbreuk zegt hij: „Gij zult geen jongens verkrachten" en in het algemeen „geen schandelijke ontucht bedrijven".

De vroeg-christelijke catechese windt er dus geen doekjes om. De morele chaos en de rauwe realiteit van de heidense cultuur blijken onder meer ook uit zijn waarschuwingen tegen "mangeuein" (magie bedrijven) en "farmakeuein" (gifmengerij)! Op de weg tot het leven is voor deze toenmaals wijdverbreide praktijk geen plaats.

Teknon-spreuken

De catechese van de Didache geeft ons ook een indruk van de vroeg-christelijke visie op de relatie docent en leerling. De chatechumeen wordt met "teknon" (kind) aangesproken. Dit duidt op een verhouding die dieper gaat dan die van leraar en leerling en zeker verder dan die van de relatie "lesboer" en klant. De aanspraak "teknon" herinnert aan het bijbelboek Spreuken en aan de joodse wijsheidstraditie die daaraan ontspringt. De teknon-spreuken beginnen met de aansporing: „Ga uit de weg voor alle kwaad en alles wat erop lijkt!"

Heel praktisch wordt dit beginsel uitgewerkt (je komt dat ook tegen in de reformatorische catechese van Heidelberg) door te stellen dat toorn tot doodslag leidt, en begeerte gemakkelijk in "porneia" (ontucht) overgaat. Wat de astrologie betreft (ook zeer actueel) zegt de Didachist zelfs: „Wil de dingen niet horen en zien"! De praktijk van de astroloog, "methetikos" (de sterrenduider), moet radicaal gemeden worden.

Zogenaamde kleine zonden worden aan de kaak gesteld als gevaarlijke verzoekingen. Ook heel interessant is het feit dat de teknon-spreuken appelleren op het inzicht van de leerling. De ware wijsheid zoekt het kwaad in de wortel te bestrijden. De leerling moet het gevaar bewust en tijdig signaleren en zich daartegen wapenen. Commentatoren spreken hier over invloed van de „vroeg-joodse rigoristische moraal!" Ik zou zelf eerder denken aan de radicaliteit van het Nieuwe Testament zelf.

Relaties

Een deel van de Didache wordt omschreven als Anawim-spreuken. "Anawim", dat zijn in het Hebreeuws de armen en nederigen. De Didachist pleit voor nederigheid als levenshouding. Hij stimuleert de omgang met de "praeis" (verdrukten) die geduldig op de Heere hopen. De armen van geest uit de Bergrede, Mattheüs 5:3. Die Gods tijden verwachten: de toekomst van Christus (waarmee de Didache ook eindigt).

De catechumenen moeten dus het gezelschap van de eenvoudigen zoeken. Dan zal het hun welgaan. In het licht van de emancipatie van ons reformatorische volksdeel de moeite van het overwegen waard.

De catechumeen moet de relatie kennen tot de christelijke gemeente, de armen, zijn eigen kinderen en eventueel zijn heer of slaaf. Catechumenen die slaven hebben moeten vooral op hun woorden letten. Zij moeten hun onderdanen niet afsnauwen „opdat ze niet ophouden ontzag voor God te hebben".

Evangelisch onderbouwd

De oproep tot een barmhartige bejegening van de ondergeschikte wordt in de Didache evangelisch onderbouwd. In Zijn roeping tot het heil in Christus maakt God Zelf immers ook geen onderscheid. „Hij komt niet om op partijdige wijze te roepen maar Hij komt tot degenen die de Geest bereid gemaakt heeft. De heilsroep waarmee mensen tot de kerk genodigd worden, kent geen sociale begrenzingen. God roept zonder onderscheid en discrimineert niet.

Terecht wijst in dit verband een Duits commentaar, (Kurt Niederwimmer. Die Didache, Gottinger 1989, 143) op het wonder van de verkiezing, die aan dit roepen ten grondslag ligt. „Hij komt tot degenen die de Geest bereid gemaakt heeft!"

Deze zin spreekt mij aan. De tijd van de apostolische vaders, dit is de na-apostolische generatie, wordt door de kerkhistoricus vaak beschreven als een periode van moralistische ontsporing van de bloeiende oerkerk. De tijd van de gestolde lava. Men snapt dan haast niets meer van Gods vrije genade in Christus. Het is gebod op gebod en regel op regel. Ik denk dat dit beeld aardig klopt. De Didache lijkt af en toe wel wat op een instructieboekje voor veilig verkeer. Het staat bol van ethische geboden en verboden. Toch blijkt het vuur van het begin niet helemaal te zijn gedoofd. De Didachist is zich toch wel bewust van de grote heilsgave van de laatste tijd en dat is de Geest, Die zonder onderscheid een mensenhart bereidt. Een gegeven dat in bij voorbeeld het christelijke onderwijs natuurlijk niet mag ontbreken! Waar van de Geest gezwegen wordt, blijft van het Evangelie slechts een "nova lex" (een nieuwe wet) over. Een wet die wel zeer concreet, vlot en modern kan overkomen maar niettemin vanwege de vijandschap van het vlees krachteloos is.

De beschrijving van "de weg tot het leven" eindigt met een slotwoord, waarin twee dingen opvallen. Allereerst een oproep om ten aanzien van de geboden niet te selecteren. Niets toevoegen of weglaten dus. Het zal erom gaan het Woord in Zijn totaliteit te bewaren. Ten tweede een waarschuwing van de Didachist voor hypocrisie. De godsdienstige toneelspeler, al stelt hij zich nog zo christelijk voor, behaagt God niet. De geboden moeten met hart en ziel betracht worden. De nadruk waarmee de Didachist telkens weer waarschuwt voor "hupokrisis" en "diplokardia" (dubbelhartigheid), heeft ongetwijfeld ook te maken met het feit dat de heidense cultuur van zijn dagen daardoor snel geïrriteerd raakte. De oprechtheid was en is van groot missionair belang.

Weg naar de dood

Er zijn twee wegen. Zo begint de Didache. En zo concreet als de Didachist schrijft over de levensweg, beschrijft hij ook de weg van de dood. Daar is naast de weg tot het leven een weg naar de dood, „die voor alles boos en vol van vloek is". Hier wordt het woord "katara" gebruikt: de goddelijke vloek die de wetsovertreder treft. Het is hem niet te veel moeite om nog eens uitvoerig in een zogenaamde zondecatalogus de voetangels en klemmen van de doodsweg aan te wijzen. Opmerkelijk is ook dat niet alleen de zonden met name worden genoemd, maar ook de zondaren. Zij zijn de tegenhangers van de "anawim" (de nederigen). Het zijn de hoogmoedigen die het onder anderen niet voor de armen opnemen, het zijn kindermoordenaars „vernielers van wat God maakte".

Ten slotte klinkt het vaderlijke appel „Maakt u los, kinderen, van al deze zaken en mensen. Dit "losmaken" bedoelt de Didachist niet separatistisch. Het is hem niet om een godsdienstige afscheidingsbeweging te doen. Misschien is het beter te vertalen met „jullie mochten hiervan verschoond blijven!"

Betekenis voor 1991

De vroegchristelijke catechese heeft veel te zeggen tot ons christelijke (reformatorische) onderwijs. Wie met de Didachist in zijn godsdienstonderwijs of catechese voorgeeft een "didache kuriou", een leer van Christus te brengen, doet er goed aan zich voortdurend af te vragen in hoevere de inhoud van zijn onderwijs klopt met de pretentie die hij voert.

Het bijbelse schema van de twee wegen zoals de Didachist dat hanteert, geeft diepte en spanning aan het christelijke godsdienstonderwijs. Ook onze jongeren geldt de radicale keuze voor het leven.

De Didachist laat aan zijn concrete onderwijs het dubbelgebod van de liefde voorafgaan. De liefde is de vervulling van de wet. Zo heeft Christus het ons geleerd. De persoonlijke doorleving van dit principe bewaart de docent voor onvruchtbaar wetticisme en de leerling voor een vertekend beeld van het echte christelijke leven.

De zware worsteling van de vroegchristelijke kerk met de heidense cultuur, de chaotische praktijken van het heidendom, stond niet toe algemene stichtelijkheid uit te dragen. Vele jongeren Anno Domini 1991 zullen de christendocent voor eerlijk onderwijs dankbaar zijn in een tijd die veel overeenkomsten heeft met de tijd van de Didache.

De christen-docent moet jongeren verder confronteren met de agressie van de moderne heidense cultuur. Tegelijkertijd moet hij verdraagzaamheid bepleiten. Een tolerantie die ook weer niet als aanpassing uitgelegd moet worden. Liefde tot onze vijanden als vrucht van de Geest is het meest heilzame antwoord op de agressie van een moderne heidense cultuur.

Mededeelzaamheid

De vroeg-christelijke catechese stimuleert de mededeelzaamheid in de dienst van de barmhartigheid die verder strekt dan eigen kerkelijk erf. Ongetwijfeld heeft deze houding de "goodwill" van de christenen bij de heidenen destijds versterkt. Jongeren dienen met dit gegeven in een zogeheten post- (=na) christelijke samenleving gestimuleerd te worden.

Evenals in de tijd van de Didachist dienen ook nu christendocenten en jongeren zich te hoeden voor hypocrisie. Christenen mogen geen masker dragen. Echtheid dient de zaak van Christus. Juist in deze overkritische periode van de geschiedenis.

De vroeg-christelijke catechese heeft de gemeenschap van de christelijke kerk op het oog. Juist in het reformatorische onderwijs mag dit aspect niet vergeten worden. Dit onderwijs dient als het goed is de opbouw van de gemeente Gods.

De Didachist wil graag leiding geven aan het sociale verkeer. Christelijk godsdienstonderwijs mag vrijmoedig het licht van Gods Woord over alle levensverbanden laten schijnen.

Uit de aanspraak "teknon" mag een nauwe en liefdevolle relatie tussen docent en leerling geconcludeerd worden. De Didachist wil geen koel rationale verhouding met de catechumenen.

Overtuigend

De Didachist geeft niet alleen ethische bevelen maar argumenteert. Hij wil dat inzicht bij zijn leerlingen wekken dat hem overtuigt van het heilzame van Christus' geboden. De auteur staat met deze didactiek in de aloude joodse wijsheidstraditie die teruggaat op de Spreuken van Salomo. Met name een scherp inzicht in het heilshandelen van God in Christus dient een verantwoord omgaan van jongeren met hun medemensen.

Christelijk onderwijs moet eerlijk zijn. Er zijn twee wegen. Die met Paulus de schrik des Heeren kent, waarschuwt en beweegt tot het geloof in Christus.

Ten slotte: „Het is de Geest", zegt de Didachist, „Die het hart bereidt". Dat is inderdaad voor een docent een absolute onmogelijkheid. Hij kan het hart niet openen. Dat hoeft ook niet. De Geest als de grote heilsgave van de eindtijd doet het. Die Geest Die nadat Hij in dienst van de zondaar is getreden geen afscheid meer neemt, maar in hem blijft.

Aan het eind van zijn catechese waarschuwt de Didachist voor de leraar die letterlijk „van-God-af leert". Het gaat erom de leerling naar-God-toe te leren. Een mooie, diepe, voluit bijbelse gedachte. Je denkt dan aan de woorden van de bekendste catecheet van de Noordafrikaanse kerk, Aurelius Augustinus, die aan het begin van zijn "Confessiones" de beroemde woorden schreef: „Gij hebt ons tot U geschapen en onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U".