Digibron.nl

Toespraak van Ds. Kok

Bron: Bewaar het pand
Datum: donderdag 9 september 1971
Auteur: Auteur niet bekend
Pagina: 1

Toespraak van ds. R. Kok in de middagvergadering te Zwolle op 21 augustus 1971, voorzover in verband met zijn laatste bezoek aan ds. M. S. Roos.

Geliefden,

Wij hebben in deze week mogen staan aan het ziekbed, wat ook het sterfbed is geworden van onze geliefde broeder Roos. Op verzoek van de familie zijn wij er heen gegaan. Maar de patiënt mocht niet spreken, kon ook niet spreken, vanwege de slangen in zijn keel, enz. enz.

Dat werd mij in de eerste plaats ernstig betuigd door de dokter, ten tweede, door een broeder en daarna nog op het hart gebonden door een zuster. Onze geliefde broeder was dus, medisch gesproken, goed verzorgd, ’t Ging om het belang van de patiënt. Maar in die spanning, in die situatie zieken te bezoeken valt niet mee. Heel kort, en hij kan niet spreken, dus alleen maar zo mogelijk met gebaren. Het allernoodzakelijkste staat dan op de voorgrond, je had geen tijd om te vragen naar de welstand, of het vooruit of achteruit ging; dat moesten we laten rusten. Wat nu? Iets vragen, en dat je daarop antwoord krijgt was niet mogelijk, dus alleen iets zeggen en afwachten hoe hij daarop zou reageren.

Ik zei: Welgelukzalig is het volk, broeder, dat naar Zijn klanken hoort. Welgelukzalig is het volk dat de Heere kent tot zijn hulpe. Hoe zal dat gaan? En zie daar ging. zijn hand omhoog, zijn rechterhand, want zijn linkerhand was vastgebonden, zijn rechterhand ging omhoog. Teken van instemming, en ik dacht aan hetgeen we lezen in psalm 119, „ik zal met opgeheven hand gaan in Uw huis, om Uwe inzettingen te onderhouden!” Met opgeheven hand, als teken van totale onderwerping aan de Heere. Wat de Heere doet is welgedaan. Met lege handen, want als ge komt in de Tempel van Gods genade, niets meebrengen. De Heere geeft uit de volheid van Zijn genade de Zoon Zijner Liefde. Dat te ontvangen, dat. te omhelzen, dat drukken aan het hart, is de wille Gods. Even daaruit gesproken en zijn ogen kwamen vol tranen van diepe verwondering. Ze schitterden in mijn ogen. En ziet, geliefden, het was de vreugde van zijn hart. Een vreugde-lach kwam op zijn aangezicht, hij was blij. Hij lag met vreugde voor de poorten der eeuwigheid, ’t Was stil, ik was in verwondering met hem. De zuster stond achter me, maar ik dacht dat het Aartje was, maar het was de zuster. En toen heb ik haar gevraagd of ik nog een dankzegging, een gebed mocht doen. Dat stond de zuster toe, wat de tijd betreft. En toen hebben wij mogen bidden. Ik weet, dat ik het gevraagd heb, anders zou ik het niet eens weten of ik gebeden had. Zo wonderlijk, in de Heere. In de voorportalen der eeuwigheid. Het hart, tezamen uitgestort voor God. Ik weet dat het zoet was en zalig, meer weet ik niet. Dat was van God, en dat eindigde in God. En toen, die hartelijke handdruk, ’t ging alleen maar met gebaren. Hij sprak met zijn hand, hij sprak met zijn ogen, hij sprak met zijn gelaat. En dat was de laatste handdruk, hem achterlatend aan de Heere. We hebben hem van zijn jeugd af aan gekend. Ik heb zijn moeder begraven, zijn vader begraven en nu hoop ik ook hem onder het beleid van Gods Voorzienigheid, te begraven. Die dag breekt aan. Wat een voorrecht geliefden, wat een voorrecht. Een mens in die vreugde te mogen ontmoeten voor de poorten der eeuwigheid. Niet bang te zijn van God, niet bang te zijn van de dood, maar zich aan Hem over te mogen geven, ’t Was de behoefte mijns harten daarvan iets te stamelen.