+ Meer informatie

Ambtsdragers als cadeau

10 minuten leestijd

De redactie van Ambtelijk Contact vroeg mij om op deze plek iets te schrijven over de basisvragen rond het ambt: wat zíjn ambtsdragers eigenlijk, wat is het wezen van het ambt, en de waarde ervan? Vragen die je nog wat verder kan toespitsen, zoals de redactie deed, in deze vraag: waarom zijn er überhaupt ambtsdragers nodig in de kerk? Kan het niet ook zónder?

Die vraag kreeg ik al eerder, van het Kerkblad van het Noorden, en als ik er hier wat over schrijf, zal er dus wel overlap in zitten met wat ik toen schreef. Maar ik snap het ook wel, dat die vraag opkomt. Het is een vraag die je ook in gemeenten veel - en steeds meer, denk ik - hoort. Een vraag die samenhangt met allerlei ontwikkelingen in de gemeenten: een veranderende rol van de kerkenraad, een verlangen om meer gemeenteleden actief te betrekken bij het werk in de kerk en ook gebruik te maken van andere werkers, nieuwe missionaire gemeenschappen waar vragen rond (de noodzaak van) ambten opkomen, kleiner wordende gemeenten waar het moeilijk wordt om de ambten vervuld te krijgen…

Kortom, via allerlei kanten is het logisch dat die vraag opkomt: wat zijn ambtsdragers eigenlijk, waarom hebben we ze, en móeten we ze persé hebben? Wat mij zelf altijd erg helpt, om overzicht te houden in allerlei (vervolg)vragen die kunnen opkomen is dit: het is misschien niet de handigste insteek om je af te vragen of je niet ook zónder kunt, maar beter om je insteek aan de andere kant te nemen: Christus, als Koning van de kerk, gúnt ze ons, gééft ze ons, ze zijn een cadeau van Hem. Als je dat als grote lijn vasthoudt, dan komen die vervolgvragen wat in ander licht te staan.

Maar dan iets meer inhoudelijk. De vragen die rond dit onderwerp te bedenken zijn, zijn niet zo heel makkelijk in een paar woorden te beantwoorden. Het vraagt diepgaande studie naar en visie op de ambten en de ambtelijke structuur om daar echt iets van te zeggen. De laatste generale synode heeft een studiecommissie daar ook opdracht toe gegeven. Wat ik hier wel kan doen, is een aantal lijnen aangeven in het Bijbelse spreken over de ambten, die ons op een spoor zetten van hoe aan te kijken tegen ambtsdragers, en tegen de plek die ze van Christus gekregen hebben.

God als Herder

Als je nadenkt over de verhouding van ambt en gemeente, zijn er eigenlijk steeds twee lijnen die van belang zijn, al vanuit het Oude Testament, toen het volk Israël als Gods eigen volk, zijn gemeente, mocht leven van Gods zorg. De eerste lijn is die van de Here God Zelf, die als Herder voor Zijn volk wil zorgen. Denk aan Psalm 23, waar David over God zingt als een Herder die zijn schapen vóórgaat, die ze nergens alleen laat, die ze rust en veiligheid geeft, en die zich voor zijn schapen garant stelt. Maar denk ook aan Ezechiël 34, waar de Here het van Zichzelf zegt dat Hij een herder is: “jullie zijn mijn schapen, de schapen die ik weid, jullie zijn mensen, en ik ben jullie God – zo spreekt de Heer” (vers 31).

In Ezechiël 34 spreekt de Here de leiders van het volk aan, die in zijn naam herders voor het volk zouden moeten zijn, maar die geen echte liefde voor de kudde hebben. Maar in zijn boosheid over die slechte herders, proef je tegelijk de liefde die Hij Zelf voor die kudde heeft en zie je iets van de manier waarop God Zelf herder is. Je wordt stil van de woorden die daar gebruikt worden: de schapen weiden en laten rusten, verdwaalde dieren opzoeken, verjaagde dieren terughalen, gewonde dieren verbinden, zieke dieren gezond maken… dat is persoonlijke, op maat gesneden zorg en liefde… van de machtige God Zelf!

Mensen als onder-herder

Maar met dit Bijbelgedeelte, Ezechiël 34, zit je ook direct op die tweede lijn die van belang is: al in het Oude Testament zie je dat naast de Here God als Herder, er ook gesproken wordt van mensen (in het Oude Testament vaak koningen of andere leiders) die in zijn naam voor het volk moesten zorgen, en die ook ‘herders’ genoemd werden. Alleen, in dit Bijbelgedeelte blijkt ook hoezeer menselijke herders steeds tekort schoten in dat herder-zijn in naam van de grote Herder. En dan staat er in Ezechiël 34 iets heel bijzonders, namelijk dat de Here zegt: Ik zal Zélf voor mijn schapen zorgen, “Ik zal een andere herder over ze aanstellen, één die ze wél zal weiden: David, mijn dienaar. Hij zal ze weiden, hij zal hun herder zijn” (vers 23). En uit de rest van het gedeelte blijkt dat in deze woorden over David heen gekeken wordt naar de grote Zoon van David, de Here Jezus Christus - Hij is Degene die wél een echte herder zal zijn. Een volmaakte herder. Hij is de Herder bij uitstek, zoals Hij Zelf zegt in Joh. 10:10-14: “Ik ben de Goede Herder, Ik ken mijn schapen, en mijn schapen kennen mij, zoals de Vader mij kent, en ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen.”

En dan zie je in het Nieuwe Testament, dat als de Here Jezus dat gedaan heeft, zijn leven geven voor de schapen, dat dan die oude lijn van mensen die namens God herder mogen zijn weer opgepakt wordt! Na de opstanding zocht de Here Jezus als een echte herder zijn discipel Petrus op, herstelde liefdevol de relatie, en gaf hem de opdracht: ‘weid mijn lammeren’ (Joh. 21:15-17)! En later in het Nieuwe Testament blijkt dat die bijzondere opdracht niet iets voor alleen Petrus was, maar dat die lijn doorgetrokken wordt naar de apostelen en uiteindelijk ook naar de ambtsdragers in de christelijke gemeente. Want ook als het over hen gaat wordt dat zelfde beeld gebruikt, zie bijvoorbeeld Handelingen 20:28, waar Paulus tegen de ouderlingen van Efeze zegt: “zorg voor u zelf, en voor de hele kudde, waarover de Heilige Geest u als herder heeft aangesteld”.

Weiden en waken

Na de opstanding wordt duidelijk: het mág weer, herder-zijn in naam van de Goede Herder: namens Hem en in opdracht van Hem zorgen voor zíjn kudde! Met name de ouderlingen worden in het Nieuwe Testament zo genoemd, herders, maar eigenlijk kun je alle zorg die besteed wordt aan de gemeente, door allerlei ambtsdragers heen, in dat grote kader zien: het is een zorgen voor de kudde, vanuit de zorg die de Here Jezus Zélf voor zijn schapen heeft.

Zoals ik al zei, dat geldt in de eerste plaats de ouderlingen. Het Griekse woord dat in het Nieuwe Testament voor de ouderling wordt gebruikt is: episkopos, dat ‘opziener’ betekent. Hoewel dat woord in allerlei verbanden gebruikt kan worden (bijvoorbeeld voor een opziener in de bouw, of een bewaker in de gevangenis, of een opvoedkundige), is er wanneer het woord in het Nieuwe Testament gebruikt wordt steeds aan één bepaalde vorm van opzicht gedacht: het opzicht dat een herder houdt over de kudde (vgl. 1 Petr. 5:1-7).

Ouderlingen zijn opzieners over de kudde die Christus heeft gekocht en betaald. Híj is eigenaar van de kudde, de ouderlingen zijn in dienst genomen werknemers, en net als alle andere opzieners zijn ze verantwoording schuldig aan de eigenaar en opdrachtgever. Wat betreft de inhoud van hun opdracht, lees je in Handelingen 20 dat ze de kudde moeten weiden (= leiden en verzorgen), en over de kudde moeten waken (= beschermen). En nog wat verder lezend in Handelingen 20 blijkt dat ze beide taken moeten doen ‘met het Woord van Christus’. Dat is ook waarom bij de vereisten voor een ouderling in 1 Tim. 3 staat dat hij ‘bekwaam moet zijn om te onderwijzen’, en in Tit. 1:9 dat hij zich moet houden ‘aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen’.

Met het Woord van Christus moeten ze de gemeente weiden en over de gemeente waken, met als doel om de gemeente dicht bij de Goede Herder te houden. En dat is een opdracht en verantwoordelijkheid die ze niet maar zelf verzonnen hebben, of die zo ontstaan is in de vroege kerk omdat de kerk nou eenmaal leiding nodig had, maar het is een opdracht waar Christus Zelf, als Eigenaar van de kudde, achter staat.

Gaven van Christus

Want dat is het bijzondere, ambtsdragers zijn er niet omdat de kerk dat handig of nodig vond - ze zijn er omdat Christus het zo wilde, sterker nog: omdat Hij ze aan zijn gemeente gaf. Zo zegt Efeziërs 4 het tenminste: Christus heeft de ambtsdragers gegeven, om de gemeente toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van de gemeente. Ze horen bij de gaven die de verhoogde Koning Jezus verdiend heeft en uitdeelt aan zijn onderdanen (zie vers 8, een verwijzing naar Psalm 68!). Het is Christus’ zorg voor de kerk, dat er ambtsdragers zijn.

Christus is Zelf Koning van de kerk, maar Hij wil in zijn zorg voor zijn gemeente gebruik maken van mensen die namens Hem spreken. Dat is een lijn die door het hele Nieuwe Testament loopt, van de discipelen (zie o.a. Math. 28:19), via de apostelen (vgl. de manier waarop de apostelen over hun roeping en taak spreken, zie o.a. Gal. 1.1), naar de ambtsdragers in de christelijke gemeente (zie Hand. 20:28). Zo gaat het steeds: Christus roept mensen in zijn dienst en door hen heen wil Hij spreken, en zijn gemeente regeren, weiden en beschermen.

Gezanten van Christus

Vandaar dat het Nieuwe Testament zulke hoge woorden kan gebruiken als het gaat om ambtsdragers: ‘mannen van God’, ‘gezanten van God’, ‘uitdelers van de genade van God’, enz. Die hoge woorden slaan niet op iets dat die ambtsdragers in zichzelf hebben of kunnen, maar ze worden gebruikt vanwege de rechtstreekse lijn die er loopt van de ambtsdragers naar hun Zender. Ambtsdragers zijn gezanten van Christus, en Hij verleent hen de volmacht om te handelen in zijn naam. Dat is ook waarom er in de Bijbel over gehoorzaamheid aan de ambtsdragers gesproken kan worden, of over hun ‘gezag’. Dat is een gezag niet om iets dat die ambtsdrager heeft, maar een gezag vanwege het gezonden zijn door Christus.

En dat gezonden zijn geldt voor een ouderling in zijn herderlijke ambt, maar nieuwere onderzoeken op taalgebied tonen aan dat precies diezelfde connotatie ook zit in het woord ‘diakonos’, dienaar, waar ons woord diaken van afgeleid is. Een diakonos was een hooggeplaatste afgezant, iemand die namens zijn opdrachtgever met volmacht een belangrijke opdracht mocht uitvoeren, waarbij aan de ene kant hij zijn opdrachtgever vertegenwoordigde (dus precies zo diende te spreken als die opdrachtgever zelf zou doen), maar waarbij van de geadresseerde ook verwacht werd dat hij de diakonos net zo behandelde als hij zijn opdrachtgever zou behandelen, wanneer die zelf gekomen zou zijn.

Of het nu om ouderlingen of diakenen gaat, op grond van allerlei Bijbelse gegevens mag je concluderen: ambtsdragers zijn afgezanten van Christus, door Hem met volmacht gezonden, om door hen heen zijn zorg en leiding en bescherming aan de kerk te geven - en in dat alles zijn ze kostbare gaven van Christus aan zijn kerk.

Kan het ook zonder?

Wanneer je nadenkt over de vraag of de kerk ook wel zonder ambtsdragers kan, dan is het verstandig om dat niet te doen zonder de bovenstaande lijnen mee te nemen. Natuurlijk, God is machtig, en Hij kan zijn kerk leiden, ook op ongedachte manieren. En op plekken waar het niet mogelijk is ambtsdragers te hebben, op plaatsen waar de kerk vervolgd wordt bijvoorbeeld, daar zal Hij zeker zijn kerk dragen, ook daar doorheen. En misschien is het ook wel zo dat op missionaire pioniersplekken de ambtelijke verantwoordelijkheid soms wat anders ingevuld moet worden dan in gevestigde kerken mogelijk is. Maar wanneer we ambtsdragers zien als gaven van Christus aan zijn gemeente, zullen we er niet gauw op uit zijn om het zonder hen te doen, en voorzichtig en dankbaar met hen omgaan waar, en zolang, ze er zijn.

Drs. M. Renkema – Hoffman is theologe, afgestudeerd op de ambtsstructuur, en deputaat kerkrecht en kerkorde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.