+ Meer informatie

Opgemerkt

11 minuten leestijd

De redactie plaatst in principe geen ingezonden brieven over recensies van boeken. Voor de bespreking door ds. C. J. Meeuse, ds. P. D. J. Buijs en ds. J. Roos van de dissertatie van ds. M. Golverdingen, ”Vernieuwing en verwarring. De Gereformeerde Gemeenten 1946-1950”, (RD 3-5) is op dit beleid een uitzondering gemaakt. Vandaag een selectie van de ontvangen brieven.

Kwestie-Kok

Mijn opmerking bij de recensies van de dissertatie van ds. Golverdingen is in de eerste plaats dat het zijn bedoeling is geweest ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Gemeenten in de periode 1946 tot 1950 aan een historisch onderzoek te onderwerpen. Daarbij is uiteraard de kwestie-Kok uitvoerig aan de orde geweest. Dit om aan te tonen dat er kerkrechtelijk veel fouten zijn gemaakt door kerkenraden, classes en synodes en zeker ook door ambtsdragers. Hij vond dit historisch onderzoek nodig voor de lering, en bepaald niet voor het vermaak. Ik denk niet dat het zijn bedoeling is geweest om de dogmatische verschillen tussen de twee- en drieverbondenleer weer eens op te rakelen.

Ds. Golverdingen weet ook heel goed dat een nieuwe discussie hierover geen zin heeft. Laten we het erop houden dat de tweeverbonders bang zijn dat er te veel mensen in de hemel komen en de drieverbonders dat er te weinig in de hemel komen. Bij alle twee richtingen is er dus angst, en angst is een slechte raadgever. We zijn het er toch over eens dat God Zelf door middel van Zijn Geest zorgt wie er in de hemel komen? Het zal in ieder geval een schare zijn die niemand kan tellen.

Laten de theologen en dogmatici hier maar over twisten en het gewone kerkvolk zich ondertussen houden aan wat de Heere Jezus opdroeg aan Zijn discipelen: „Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.” Wat is de Heere Jezus Zelf toch altijd helder hoe er gepreekt dient te worden. Hij gebruikte geen dogmatische termen.

I. J. Moret

Maasboulevard 110

3331 ML Zwijndrecht

Kwestie-Kok (II)

In de bespreking van ds. Meeuse en ds. Buijs mis ik op pijnlijke wijze de zo noodzakelijke evenwichtigheid in het weergeven van de oorzaken en gevolgen van het ontstaan van de scheuring in 1953. Daaraan lagen immers niet alleen de gebeurtenissen van 1946-1950 rond ds. R. Kok (zijn on-Bijbelse verbondsvisie, die zij niet duidelijk afwijzen), maar ook de kerkrechtelijk zeer onjuiste behandeling van dr. C. Steenblok rond die periode, ten grondslag.

De geschriften van dr. Steenblok tonen ons genoegzaam zijn zuivere theologische standpunten. Overigens weet ik uit zeer betrouwbare bron dat ds. F. Mallan voor zijn sterven nog enkele zeer duidelijke notities omtrent de kwestie-Kok heeft nagelaten. Waarom deze zeer betrouwbare bron geheel genegeerd en zijn naam zelfs niet genoemd? Een simpele navraag had veel helderheid kunnen geven.

Ik meen te mogen stellen dat juist ds. Mallan ons de rechte gang van zaken uit die periode, die hij zelf nadrukkelijk had meegemaakt, ook reeds tijdens zijn leven duidelijk op schrift heeft nagelaten. Daarom is het terecht als ds. J. Roos in een zevental goed gefundeerde punten vaststelt waarom het boek van ds. Golverdingen de verwarring niet heeft verminderd. Een duidelijk gemiste kans. Laat ons de lijn via ds. G. H. Kersten, dr. C. Steenblok en ds. F. Mallan, naar ds. J. Roos, maar niet zonder reden negeren.

Dr. ir. Joh. A. Bunt

Nieuwe Veenendaalseweg 224

3911 MS Rhenen

Kwestie-Kok (III)

Met veel genoegen heb ik de recensies van het proefschrift van ds. Golverdingen gelezen. Ik plaats een paar kanttekeningen.

Ds. Meeuse schrijft: „Indrukwekkend en overtuigend komt naar voren, hoe ds. Kersten met ds. Kok kon omgaan.” Dit suggereert dat ds. Kok een moeilijk karakter had. Uit ervaring weet ik dat dit niet het geval was. Maar als ds. Meeuse bedoelt dat Kok onverzettelijk was in de beloftepreding en wat zijn houding tegenover de Duitse bezetter betreft, ben ik het met hem eens. Verder ben ik wat geschrokken van de visie van ds. Meeuse over het belofte(aanbod) en verbond. Ik citeer: „(…) heeft ds. Kok velen tegen zich in het harnas gejaagd door aanbod en beloften te vereenzelvigen.

Het artikel van ds. Buijs is me uit het hart gegrepen. Het gaat over het lijden „aan de breuke Sions.” Terecht wijst ds. Buijs op het wederzijds gesprek bij leergeschillen om zo bruggen te bouwen en op het belang van een juist gebruik van de kerkorde, om zo het independentisme en subjectivisme tegen te gaan. De objectieve afspraken bedoelen de regering van Christus in Zijn kerk te dienen.

Het artikel van ds. Roos getuigt van een geheel andere visie op verbond en beloften. Allereerst heeft hij kritiek op de kwaliteit van de dissertatie. Dit is beslist te kort door de bocht. Met deze opmerking diskwalificeert hij ook de Theologische Universiteit in Apeldoorn. Ik ken deze opleiding van binnenuit. Het onderwijs is daar, zowel nationaal als internationaal, van een hoog niveau. Gezien het uitgebreide voetnotenapparaat en bewijsplaatsen, is dit een standaardwerk.

Daarnaast bekritiseer ik de opmerking van ds. Roos: „We moeten helaas schrijven, dat ds. Kersten en ds. Steenblok geen recht wordt gedaan.” Ik vraag me af of geachte scribent het boek wel goed heeft gelezen. Als er één het archiefmateriaal objectief behandeld heeft, dan is dat wel ds. Golverdingen. Het is inderdaad waar dat de interpretatie van de feiten kan verschillen. Maar dat laat onverlet dat ds. Golverdingen „recht doet zowel aan levenden als doden”, om met een gevleugeld woord van prof. dr. A. Th. van Deursen te eindigen.

W. Kok

Waterman 1

3902 EX Veenendaal

Kwestie-Kok (IV)

Ds. Roos komt in zijn recensie van de dissertatie van ds. Golverdingen tot de conclusie dat de verwarring door deze uitgave helaas niet is verminderd. Dit is zeker een trieste constatering. Volgens ds. Roos heeft de geschiedenis geleerd dat ds. Kok na 1948 en 1950 is doorgegaan met het uiten van zijn on-Bijbelse leervoorstellingen. Dat zou de oorzaak zijn geweest dat er verwarring ontstond in de gemeenten. We doen in navolging van de Joden uit Berea in Paulus’ dagen naarstig onderzoek of deze beschuldiging aan het adres van ds. Kok terecht is of niet.

Een van de aanklachten op de classisvergadering (1 juni 1948) ging over het „pleiten.” Ds. Kok moest dat woord terugnemen. Volgens dr. Steenblok kan een onbekeerd mens niet pleiten. Een tussenoplossing wordt gevonden door „pleiten” te veranderen in „bidden.” De classis Barneveld deed de uitspraak: „Geen onbekeerde heeft het recht, noch het vermogen, noch de wil, om te pleiten op de beloften des Evangelies.” En De Saambinder van 24 maart 1949 meldt: „De leer dat het aanbod van Gods genade tot allen komt die het Evangelie horen, is een godonterende en zielsbedriegende leerstelling.” Ds. Golverdingen stelt zeer terecht in zijn onderzoek vast „dat de leeruitspraken in een belangrijke mate hebben bijgedragen aan de huidige kerkelijke verdeeldheid.”

Het mag ds. Roos duidelijk zijn dat de nieuwe leerregels oorzaak zijn geweest voor verwarring in de Gereformeerde Gemeenten. Het was ds. Kok die zich niet met de nieuwe leerregels kon verenigen en protest aantekende. Het leidde in 1950 tot zijn schorsing. Hij wilde zich verdedigen met het leerboekje van de gebroeders Erskine en J. Fisher, opnieuw uitgegeven door ds. G. H. Kersten, negen dagen voor zijn overlijden. Ds. Golverdingen schrijft in het RD van 5 september 1998 dat hij deze laatste uitgave van ds. Kersten beschouwt als zijn „theologisch testament.” Met dit boekje in zijn hand wilde ds. Kok zijn leer en prediking rechtvaardigen. Maar het werd hem geweigerd. Ds. Kok werd gevraagd of hij zijn leer wil herroepen. Hij verklaart: „Ik wil het bevestigen, wat God zegt in het Evangelie, neem ik niet terug.”

Wie het theologisch testament van ds. Kersten leest, zal tot de ontdekking komen dat de prediking van ds. Kok geheel in overeenstemming is met de Schotse oudvaders. Helaas moest ds. Golverdingen vaststellen: „het theologisch testament van ds. Kersten is door dr. Steenblok in een verkeerd licht gesteld en veroordeeld, en daarom praktisch waardeloos gemaakt.”

Voorwaar is er reden voor verootmoediging en gebed en schuldbelijdenis voor God en de mensen die onrecht is aangedaan.

Evert de Jong

Schorpioen 7

8531 NT Lemmer

Kwestie-Kok (V)

Het is sinds eeuwen de gewoonte van mensen om elkaar via boeken, artikelen en tijdschriften te bestrijden. Ook over de dissertatie van ds. Golverdingen is weer genoeg te doen. Zou het nu niet veel beter zijn dat we dit patroon doorbreken en elkaar eens gewoon opzoeken? In broederlijke liefde. Waarom moeten we ons gelijk via de krant halen? We zijn toch niet zo onbereikbaar geworden voor elkaar dat zelfs dat niet meer gaat, mag ik hopen? Waarom heel Nederland laten meegenieten van deze strijd? Bladzijden vol commentaar op een doorwrocht werk. En men lijkt maar niet te begrijpen dat alle twist onrust zaait. En die onrust is niet uit Christus.

Onlangs zag ik dat een kind een ander kind een klap midden in zijn gezicht gaf. Dat kwam aan. De juffrouw zag het ook. Ze greep in. Het kind dat geslagen had moest excuus aanbieden en vragen of het geslagen kind haar wilde vergeven. Het manneke knikte en vergaf. Even later zaten ze samen lief te spelen. Te lachen en samen dingen te delen. Zo hoort het. Het kleine manneke had ook pijn gehad. Hoe pijnlijk soms het verleden ook is, ook voor ambtsdragers, doctors en predikanten geldt: „Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan” (Mattheüs 18:3).

J. F. Tollenaar

Voltastraat 21

4532 LG Terneuzen

Kwestie-Kok (VI)

Met interesse heb ik de stukjes gelezen over de dissertatie van ds. Golverdingen. Wat ds. Buijs opmerkt lijkt mij zeker het onderzoeken waard, zeker in deze tijd waarin wij als kerkverband ook een boetedag hopen te houden: een dag van bezinning, een dag om ons af te vragen waar we eigenlijk mee bezig zijn. Maar ook: wat zijn de mogenlijkheden om als kerkverbanden bij elkaar te komen? De reactie van ds. Roos deed mij echter geen goed. Hij heeft weinig positiefs te zeggen en lijkt zijn eigen plek de beste te vinden. Maar er is geen beste plek hier op aarde, alles is gebrek en alles is tekort. Er blijkt heel veel oud zeer te zijn. Laten we dat toch alstublieft bespreekbaar maken. Er is een Kerk met één vaste grond en niet allemaal verschillende eilanden, waarbij iedereen z’n eigen kapitein heeft.

S. C. Schouten

Wilhelminastraat 6

7462 CG Rijssen

Kwestie-Kok (VII)

De duivel, Gods grote tegenstander, gunt God niet één onderdaan. Een middel dat hij gebruikt om zijn doel te bereiken, is het voortdurend werpen van twistappelen in de christelijke gemeente en het opblazen van middelmatige zaken tot hoofdzaken.

In het RD van 3 mei wordt de dissertatie van ds. Golverdingen, ”Vernieuwing en verwarring”, besproken. Ds. J. Roos citeert ds. G. H. Kersten, die stelde dat degenen die drie verbonden leren, „geheel afwijken van al de Gereformeerde theologen.” Dit harde oordeel treft dan kennelijk ook Johannes Calvijn. Want eenieder die enigszins thuis is in de werken van Calvijn, weet dat hij zich voor zijn verbondstheologie baseerde op Genesis 17:7, waar gesproken wordt over Abraham en zijn natuurlijk zaad. De grote reformator van Genève zag de (gedoopte) kinderen als bondelingen. Calvijn kan dus onmogelijk geannexeerd worden door hen die een tweeverbondenleer voorstaan.

Mijn vraag aan ds. Roos is: Waarom werpt u met dit onjuiste citaat van Kersten en andere scherp getoonzette opmerkingen de deur naar een ander dicht? Waarom kunnen wij elkaar in deze dagen niet meer verdragen in middelmatige zaken? Ik zou hier met een zekere zinspeling de woorden willen aanhalen van Abner aan Joab: „Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Weet gij niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn?” (2 Sam. 2:26). De bede blijft over: Heere, ontferm U over Uw verscheurde kerk in ons vaderland.

J. Dijkshoorn

Nieboerweg 266

2566 GG ’s-Gravenhage

Kwestie-Kok (VIII)

Met waardering heb ik (CGK-lid) de bijdragen van ds. C. J. Meeuse en ds. P. D. J. Buijs gelezen. Helaas kan ik dat niet zeggen van de bijdrage van ds. J. Roos. Allereerst vroeg ik me af namens wie hij de bijdrage heeft geschreven. Volgens de inleiding bij de besprekingen is aan drie predikanten gevraagd om een bijdrage. De eerste twee predikanten hebben op persoonlijke titel geschreven. Het artikel van ds. Roos is geheel in de wij-vorm geschreven. Is deze bijdrage namens het kerkverband van de GGiN geschreven of alleen door hemzelf?

Volgens mij mag de meervoudsvorm alleen gehanteerd worden door ons staatshoofd of als er namens meerdere personen wordt geschreven. Dan had dat vermeld moeten worden. Wat de inhoud betreft werd ik erg verdrietig. De teneur van het artikel is niet anders dan negatief. Het proefschrift wordt onderuitgehaald en als historische studie bestempeld. Hebben alle bij het hele traject van het schrijven van het proefschrift betrokkenen hun werk dan niet goed gedaan? Of worden hier de wonden van de kerkelijke verdeeldheid pijnlijk duidelijk? Ds. Roos geeft aan dat de verwarring door de uitgave van het proefschrift helaas niet is verminderd. Met zijn bijdrage klopt dat inderdaad, de verwarring wordt alleen maar groter gemaakt. De titel die boven de waardevolle bijdrage van ds. Buijs stond, geeft mijn gevoel weer na lezing van de bijdrage van ds. Roos: ”Wie zou niet wenen?”. Verdrietig en jammer dat er zo weinig geleerd wordt van de kerkgeschiedenis.

H. J. Scherrenburg

Nassaulaan 21

4461 ST Goes


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.