+ Meer informatie

HET GEESTELIJK LEVEN VAN DE PASTOR IN VERBAND MET HET PASTORAAT

8 minuten leestijd

De redactie vroeg mij om over dit onderwerp iets te schrijven. Graag wil ik proberen aan dit verzoek te voldoen, al zullen het niet meer zijn dan enkele losse opmerkingen.

In het onderwerp wordt er van uitgegaan, dat de pastor geestelijk leven kent. En terecht! Wanneer Christus Zelf, de grote Opperherder aan Zijn gemeente die Zijn kudde is, herders geeft (Efeze 4:11),dan zijn dat herders die geestelijk leven kennen. Zo niet, dan zijn ze niet door Christus gegeven, dan zijn ze huurlingen die zelf geen schaap zijn van de Goede Herder, die geen liefde kennen noch voor Hem, noch voor Zijn kudde, Zijn gemeente, en die daarom slechts werken in loondienst.

De ware pastor kent geestelijk leven, is door de band van een levend geloof aan de Heere verbonden, heeft Hem lief en daarom ook Zijn kudde, die aan zijn zorgen is toevertrouwd, omdat de Heere hem daarover gesteld heeft.

Over de taak van de pastor kunnen we gewone dingen vinden in het formulier voor de bevestiging van de dienaren des Woords en ook in dat voor de bevestiging van ouderlingen. En het kan nuttig zijn voor ons, pastores, om die formulieren zo af en toe eens voor onszelf door te nemen om gedurig duidelijk voor ogen te hebben, wat de Heere, onze grote Opdrachtgever van ons verwacht.

En uiteraard het grote, verheven voorbeeld van de Goede Herder Zelf, Die er alles voor over had, wanneer Zijn schapen het maar goed mochten hebben en Die tenslotte Zijn leven voor hen gaf.

En wanneer dat gevoelen dat in Hem was (en is!), ook in ons mag zijn dan zal ons pastorale werk worden gekenmerkt door liefde en trouw. Dan zetten we ons hart op de kudde. Dan hebben we een herdershart en we zoeken het geestelijk en eeuwig welzijn van de schapen, zowel op de kansel als in het werk in de gemeente.

Pastor: een verheven, heilige roeping! Pastor bij de gratie van de grote Opperherder. In Zijn schone dienst en daarom aan Hem verantwoording verschuldigd. Dat moge ons dringen tot restloze inzet van onszelf en van de gaven die Hij ons toevertrouwde. Want hoe onderscheiden ook, wat betreft gaven en talenten, de Heere roept ons niet tot het herdersambt, zonder ons tot die dienst te bekwamen.

En dan heeft Hij ons ook niet beloofd, dat het werk in Zijn dienst altijd even gemakkelijk zal zijn. Integendeel! Wat heeft Hij, de Goede Herder, Die de Geest ontvangen had zonder mate, niet moeten verdragen, dulden, lijden? Hij, Die zonder enige bijbedoeling het heil van de kudde zocht. Hoeveel onbegrip, vijandschap, tegenspraak, lastering. En nu is een dienstknecht toch niet meerder dan zijn heer! „Nu is de weide, waarmede de schapen geweid worden, niet anders dan de verkondiging van het Goddelijke Woord, met de aanklevende bediening der gebeden en der heilige sacramenten. Hetzelfde Woord Gods is ook de staf, waarmede de kudde geleid en geregeerd wordt” (formulier voor de bevestiging van de dienaren desWoords). Welnu,zou dan hetzelfde Woord, dat Christus sprak, en dat wij in getrouwheid hebben na te spreken, ook geen tegenspraak oproepen? Daarom nu dan iets over de moeiten van het pastoraat, die toch alle pastores wel kennen. De moeiten van het pastoraat. Hoe kan het ook anders? De gemeente wordt immers gevormd door mensen. Mensen met hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden, zondige mensen, van zichzelf onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. En ieder heeft zijn eigen karakter en vraagt om een eigen pastorale benadering. Er zijn dwarse, eigenzinnige schapen. Vaak is het heel duidelijk, dat ze tot de bokken van de kudde behoren. Schapen, die bezig zijn af te dwalen. Wat kan er al niet in de gemeente omgaan. Gebroken verhoudingen, spanningen tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen. Bejaarden, eenzamen, ernstige zieken, stervenden. Och, welke zielszorger heeft er niet mee te maken? En is juist in de genoemde gevallen pastorale bearbeiding niet dubbel nodig? En wordt de pastorale tijd niet voor een groot deel hierdoor in beslag genomen? En wat een teleurstellingen moet de pastor dan niet dikwijls incasseren? Als hij ervaart, hoe het Woord van God afstuit op het weerbarstig hart? Mensen soms, die voor geen enkele reden vatbaar zijn? Soms harteloze kritiek. En vul het maar aan.

Kan dat alles de pastor niet deprimeren en wel eens moedeloos maken? Juist wanneer en omdat hij zijn roeping ernstig opneemt en het heil van de kudde hem zwaar weegt. Wanneer het hartelijk verlangen om mensen aan Gods voeten te brengen maar niet in vervulling gaat, wanneer vurig afgebeden en gehoopte en verwachte vrucht uitblijft, wanneer zondaren steeds brutaler zondigen, zou dit alles geen invloed hebben op het geestelijk leven van de pastor? Kan het soms de vreugde van het arbeiden in Gods wijngaard niet drukken, misschien wegnemen?

Ook de pastor is maar een mens, een nietig, zondig mensenkind. Zeker, hij draagt een grote schat. Maar wel in een aarden vat. En hij ervaart zijn beperktheden. Hoe vaak doen we het verkeerd en vragen we ons terecht af: had ik dit niet anders moeten benaderen, heb ik wel op de juiste toon gesproken en gebeden? En vooral ook: heb ik mij wel biddend voorbereid? Was mijn eigen hart wel brandend van heilig liefdevuur? Was het Woord van God wel mijn enige wapen? Wat een tekort, wat een schuldig tekort! Wat moet mij veel vergeven worden! Heere Jezus, als Uw bloed niet reinigde van alle zonden, ook van al mijn ambtelijke zonden, dan was er geen doen aan! Heere, ik heb maar al te veel gemeend dat ik het moest doen, en ik vergat maar al te veel dat Gij het eigenlijke werk doet entnoet doen! Heere, ik ben maar een klein mensenkind, dat in alles tekort schiet. Maar Gij weet dat ook. En Gij wilt toch mensenkinderen gebruiken in Uw dienst. Ook mij! Heere, ik ga verder, ziende en hopende op U, Die werkt naar Uw welbehagen.

Broeders pastores, zouden we de moeiten en teleurstellingen in het pastoraat niet nodig hebben? Om ons klein te houden, ootmoedig en afhankelijk. Om een gewoon „mensenkind” te zijn en te blijven, die wel met ambtelijk gezag, maar niet vanuit een ivoren „ambtelijke” toren pastoraat beoefent.

En wat kunnen de moeiten van het pastoraat onder Gods zegen heilzaam zijn. Wanneer David, door eigen schuld, neerzit op de puinhopen van Ziklag, mag hij zich sterken in de Heere, zijn God. Wanneer Elia in ongelovige moedeloosheid zich neerlegt in de mening dat al zijn werk vruchteloos is, komt een engel des Heeren hem verkwikken en vertroosten. Wanneer Petrus in kleingeloof wegzinkt in de golven, grijpt Jezus zijn hand en hij wandelt verder. Welnu, dat doet de Heere toch ook ons wel eens ervaren. Zou de Heere niet dikwijls juist de moeiten en teleurstellingen gebruiken om ons dichter aan Hem te verbinden, om alles in Zijn handen te leggen in het geloof dat Hij het maken zal?

Dan vatten wij weer nieuwe moed en leren niet te bouwen op onze gemoedsgestalten en gevoelens, maar op de trouw Gods.

En het is toch ook weer niet zo, dat wij in het pastoraat enkel teleurstellingen zouden ervaren.

Ik heb iets geschreven over de moeiten van het pastoraat. Maar de vreugde overheerst! Dient de Heere met blijdschap! Zijn liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten! Hoe kan het anders, als onze dienst liefdedienst is?

En mogen we soms geen kostelijke dingen meemaken in ons pastorale werk? Wanneer een kind van God door lijden gelouterd wordt en roemen mag in Gods goedheid? Wanneer een stervende met gebroken stem zingt van Gods onbezweken trouw? Wanneer bij een jongen of meisje het nieuwe leven kennelijk uitbot. Wanneer het Woord van God vanaf de kansel of tijdens de catechisatie voelbaar beslag legt onder de dauw van de Heilige Geest? Wanneer de Heere op het gebed van ziekte herstelt, gebroken verhoudingen heelt? Mogen we ons niet verblijden met de blijden op kraambezoeken, huwelijken en jubilea? Laat de Heere het ons soms niet duidelijk merken, dat Hij ons eenvoudige werk gebruikt en dat Zijn Woord wondere kracht heeft en geeft? En heeft dat niet zijn weerslag in het geestelijk leven van de pastor?

Het kan misschien goed zijn om niet te veel „moeilijke” bezoeken op één dag af te leggen. Het zou te zwaar kunnen drukken! Hoe verkwikkend, bemoedigend en ook leerzaam kan het zijn om af en toe eens langs te gaan bij kinderen Gods, die meer geoefend zijn in het geloof dan wij! Dan mogen we weleens meer ontvangen dan we te geven hebben.

De vreugde van het pastoraat? Heeft de Goede Herder ze ook niet mogen smaken? Wanneer een zondares Zijn voeten nat maakt en kust en zalft, wanneer een Kananese vrouw Hem aankleeft in het geloof, wanneer een Petrus bitter weent, wanneer Zijn Woord wonderen werkt en Zijn macht onbeperkt blijft?

Ook Hij heeft Zijn verdriet gekend en Zijn vreugde. Hij heeft geweend bij het graf van Zijn vriend Lazarus. Hij heeft geweend over de onbekeerlijkheid van Jeruzalem. Hij heeft verdriet gekend, dat wij niet van verre kunnen peilen. Hij heeft vreugde gekend, die zich niet van verre laat meten. Goede, goede Herder!

We zullen voortgaan als gewone mensenkinderen, in eenvoud, in kleinheid, ziende op de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs. In het geloof tegen Hem aangeleund. Als droevig zijn, doch altijd blijde!

Zalig de dienstknecht, welke zijn heer, komende, zal vinden alzo doende (Matt. 24: 46).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.