+ Meer informatie

VERLATEN

5 minuten leestijd

„Alzo zegt de HEERE: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak” (2 Krom 12:5b).

Drie jaren heeft Rehabeam het volgehouden te wandelen in de wegen des Heeren, althans uiterlijk (zie 11 : 17b). Maar na die drie jaren komt daar een einde aan. Dan voelt Rehabeam zich sterk. Het koninkrijk is bevestigd. De grenssteden zijn versterkt. Wapendepots en voedselvoorraden zijn in die grenssteden aangelegd. Het rijk van Juda kan nu wel tegen een stootje.

Maar, als Rehabeam zich zo sterk weet, wijkt hij van de Heere af. Zelfs de uiterlijke schijn houdt hij niet langer op. Hij heeft de Heere niet meer nodig. Met de wet des Heeren houdt hij niet langer rekening. We lezen zelfs (1 Kon. 14 : 22): Juda deed dat kwaad was in de ogen des Heeren, en zij verwekten Hem tot ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden met hun zonden, die zij zondigden. De afgoderij wordt ingevoerd met alles wat daarmee in verband staat. Ze doen naar al de gruwelen der heidenen.

Rehabeam laat dat alles toe. En zo sleept de koning heel het volk mee ten verderve. De Heere ziet dit alles immers niet straffeloos aan.

De koning van Egypte, Sisak, wordt door de Heere gebruikt als een tuchtroede, om Juda te kastijden. Sisak trekt met een grote legermacht het rijk van Juda binnen. De 1200 strijdwagens, de 60.000 man cavalerie en de ontelbare regimenten infanterie overstromen het land. Niets is tegen deze stormaanval bestand. Alle steden van Juda bezwijken onder het Egyptische geweld. Alleen Jeruzalem is nog ongemoeid gebleven, maar het zal niet lang meer duren of ook Jeruzalem zal met de Egyptische strijdmacht te maken krijgen.

Koortsachtig wordt in Jeruzalem geconfereerd. De koning met zijn generaals en ministers werken achter gesloten deuren aan geheime plannen om „het schip van staat” alsnog te redden. En dan staat daar plotseling de profeet Semaja in het midden van die conferentiezaal. Hij was niet uitgenodigd. Rehabeam had hem niet geraadpleegd. Se. maja komt ongevraagd. Hij heeft namelijk een boodschap van de Heere. Een verbijsterende boodschap. Een boodschap, die alle geheime beraadslagingen aan flarden scheurt. Het zal niet gelukken! Alles wat de koning of zijn raadgevers mochten proberen om Sisak te verslaan, is bij voorbaat mislukt. Want… de Heere heeft Juda verlaten.

Ja, zo stelt deze gezant des Heeren het. Sisak is door God geroepen en wordt door de Heere gebruikt tot straf van Juda. Waarom? Omdat Juda de Heere verlaten heeft. Ze hebben de wet des Heeren verlaten en ze vragen niet meer naar wat God van hen eist. Ze gaan op eigengekozen wegen. En wat nu? Wel, nu Juda de Heere verlaten heeft, heeft ook de Heere Juda verlaten. Nu staat Juda alleen. Nu moet Juda het in eigen kracht maar opnemen tegen Sisak. Maar laat Juda dan ook maar weten, dat dàt een hopeloze zaak is. „Ik heb u verlaten in de hand van Sisak”. Wie zal Juda nu nog redden? Hier is geen redding meer.

Het staat er met Juda dus niet best voor. Het is een hopeloze zaak. Het is met recht een rampjaar. Hier valt dus niets meer te verwachten. Juda wordt volkomen verslagen en straks als een vazalstaat bij Egypte gevoegd. Het is immers door God verlaten!

Vergeet echter de oorzaak niet! De oorzaak van de ellende is, dat Juda God verliet. Dat was er eerst. Niet de Heere is de eerste om te verlaten, maar die eerste is Juda. En het is dan ook niet de straf, die de eerste is. Neen, eerst is er de zonde. Eerst is er wat de mens doet; dan pas wat de Heere doet. „Die Mij versmaden, zullen licht geacht worden”, heeft de Heere gezegd.

We mogen dit nooit vergeten. Als God straft heeft dat altijd een oorzaak. We hebben die straf verdiend. Verdiend door onze zonden. Eerst zijn er onze zonden. Eerst is er ons verlaten van de Heere. Pas daarna komt God met Zijn straffen. Ja, voordat God met Zijn straffen komt, toont Hij vaak eerst nog een groot geduld. Maar als de bekering uitblijft, komt de straf onherroepelijk. Dan komt ook voor ons het moment, dat de Heere ons verlaat in de hand van Sisak. Dat wil zeggen, dat de Heere ons overgeeft aan de machten van het verderf. Dat Hij ons tenslotte overgeeft in de hand van de vorst der duisternis.

Verlaten! Wat is dat erg. Als God met de eeuwige straf komt en ons voorgoed verlaat in de hand van satan. Dan is geen redding meer mogelijk. Dan is het onherroepelijk! Maar… bedenk het wel, dat komt dan, omdat wij allereerst de Heere verlaten hebben. Het is dan ook altijd onze eigen schuld. We kunnen de Heere geen onrechtvaardigheid toeschrijven.

Daarom is het zo nodig, dat we ons van de zonde afkeren en weer in Gods wegen leren wandelen. Dat kan!

De Heere roept het ons nog toe op onze verkeerde wegen, dat we ons tot Hem zouden wenden. „Zoekt de Heere, terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk”. Alleen in de weg van waarachtige bekering is er behoud. Als wij ons tot de Heere wenden, zal de Heere ons niet verlaten, maar aannemen. Dan wil Hij gedenken aan het offer van Christus, Die van God verlaten werd, opdat zondaren tot God genomen zouden worden en nimmermeer van Hem verlaten zouden worden.

Laat de ernst van uw zonde, maar ook de ernst van Gods genade op uw ziel wegen. Wordt met deze dingen toch biddend werkzaam. En, zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk woord; verhardt u niet, maar laat u leiden

Den Butter.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.