+ Meer informatie

"Hautes Fagnes"

Dwalen door Belgische veengebieden

5 minuten leestijd

In het oosten van België, aan de noordrand van de Ardennen, ligt een Hautes Fagnes. Wij vertalen dat meestal met de Hoge Venen, maar dat is eigenlijk niethelemaal juist, want "fagne" betekent niet zozeer "veen" als wel open, vochtige plaats. Dwalen door dit gebied is een belevenis, maar verdwalen kan ook!

De Hautes Fagnes vormen een hooggelegen plateau -het hoogste punt ligt op 694 me,er- dat uit een zeer harde steensoort bestaat, zoals kwartsiet. Verder is het gebied bedekt met een ondoordringbare leemlaag. Het klimaat is hier anders dan in het laagland: vroege en lange koude winters met een overvloedige sneeuwval en veel mist, verder koele zomers met veel regen. De gemiddelde temperatuur is maar ca. 6,5 graden en er valt gemiddeld tweemaal zo veel neerslag als bijvoorbeeld in de Rijnvlakte. Onder invloed van al die nattigheid zijn hier veenmossoorten gaan groeien die gezorgd hebben voor het ontstaan van uitgebreide veengebieden. Veen is een grondsoort die bestaat uit onvolledig verteerde planteresten. Het ontstaat op natte plekken waar het regenwater niet in de bodem kan wegzakken en waar veenmossen gaan groeien.

Verzuring
Veenmos heeft een sterk verzurende werking op het milieu. De mosplantjes groeien aan de toppen verder, terwijl ze van onderen in hetzelfde tempo afsterven. Dat dode materiaal wordt door het zure milieu niet verteerd, maar juist geconserveerd; net zoals bij het inleggen in zuur van groenten. Het hoopt zich op en vormt uiteindelijk turf Dit is een proces van duizenden jaren. Veen wordt in allerlei soorten onderscheiden, maar in hoofdzaak is er hoogveen en laagveen. Het eerste wordt gevormd boven de grondwaterspiegel en het tweede eronder. De mens was nooit zo erg dol op dat veen, want er wilde niets groeien vanwege de hoge zuurgraad en de nattigheid. Alleen voor brandstof -de turf- was het bruikbaar. In heel Europa zijn de venen dan ook driftig afgegraven, ontwaterd en waar mogelijk ontgonnen. Tegenwoordig kijkt men daar heel anders tegenaan en worden pogingen gedaan om de veengebieden die er nog zijn, te behouden. Doordat veen is opgebouwd uit halfvergane planteresten, is het heel belangrijk voor allerlei wetenschappers. Niet alleen voor plantkundigen, die onderzoeken hoe zo'n veen groeit, maar ook voor biologen, geologen en historici, die willen weten wat er in de afgelopen duizenden jaren in het gebied is gebeurd. Planteresten uit die tijden zijn nog steeds herkenbaar en te dateren.

Pijpestrootje
In de Hoge Venen is natuurlijk ook veel veen afgegraven of bebost, maar er zijn nog grote stukken over; zelfs levend hoogveen is nog aanwezig. Veel veengebieden zijn ondertussen inactief geworden. Dat wil zeggen: Ze groeien niet meer; door verdroging zijn veenmos en veenpluis -de veenvormers bij uitstek- vervangen door het pijpestrootje. Deze grassoort bepaalt nu voor een groot deel het gezicht van de venen. Onafzienbare vlaktes met pijpestrootje, dat in de nazomer geel wordt -als de zon erop schijnt zelfs oranje- met daarin hier en daar het donkere groen van naaldbomen; dat is het landschap. Ook typerend voor het landschap zijn de dode en vaak vervormde bomen en boomstronken die overal staan, want de schaarse bomen die kans zien hier te groeien hebben over het algemeen geen lang leven. Het zure milieu doet ze vroeg of laat de das om, en anders doen de veenbranden die regelmatig uitbreken dat wel.

Moeilijk begaanbaar
Wegen en paden zijn er niet veel. Het terrein is over het algemeen moeilijk begaanbaar, de veenbodem is zacht en sponsachtig. Je kunt er op bepaalde plaatsen helemaal in weg zakken, want de veenkussens kunnen 6 tot 7 meter dik zijn. De Romeinen hebben in het begin van onze jaartelling dwars door het veen een weg aangelegd van Trier naar Maastricht. Stukken van deze houten-balkenweg zijn opgegraven en zichtbaar. Een zelfde planken-en-balkenconstructie gebruikt men ook nu nog om paden aan te leggen door het veen. Het veen heeft zo zijn eigen -zij het ietwat beperkte- plantengroei. Om te beginnen het veenmos en het veenpluis, dan de beenbreek met in het voorjaar heldergele bloemen, die in de nazomer tot dieporanje zaden verkleuren. Dan de verschillende bessesoorten en in de natte heidevelden de lavendelheide, de dopheide en de klokjesgentiaan. Ze geven van dichtbij kleur aan het landschap, maar daarvoor moet je er wel in lopen. Door de geweldige afmetingen van de golvende grasvlakten met alleen hier en daar een boom wordt de een aangetrokken, de ander juist afgeschrikt. Hier kun je totale eenzaamheid ondergaan. Het is er zelfs niet ongevaarlijk, het weer kan onverwachts omslaan en een dichte mist kan dan ineens alle uitzicht belemmeren. Paden verdwijnen in het niet en zonder kompas verdwaal je gegarandeerd. Dicht bij de enkele pleisterplaatsen in het gebied zijn soms heel veel mensen -met bussen vol komen ze in het weekend-, maar het gaat met de meesten als bij ons aan de stranden: Ze blijven dicht bij de parkeerplaatsen en gaan niet echt het gebied in. Het is maar wat je het meeste trekt. Wie echt het veen intrekt moet zich erop kleden, geschikt schoeisel aandoen -hoge schoenen of kaplaarzen-, regenkleding en iets warms bij zich steken en vooral niet zonder kaart en liefst ook met een kompas op pad gaan. Het beste is natuurlijk om onder leiding van een goede gids te gaan. Het is altijd wel avontuurlijk en de uitzichten kunnen adembenemend zijn; een strakblauwe hemel boven de oranje grasvlakte of jagende wolken boven dode boomstronken met hun soms bizarre vormen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.