+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste jongelui!

We hebben uit een brief van een geachte korrespondent, in de laatste twee stukken in Bewaar het Pand, verschillende vragen behandeld. N.l. over het verbond en over het getuigenis van de Heilige Geest, zoals daarover wordt gesproken in de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 5 en in Rom. 8. Lees het een en ander nog maar eens na.

Doch nu stonden er nog meer vragen in die brief. N.l. over de wedergeboorte en de rechtvaardigmaking. Mijn korrespondent had wel eens de uitdrukking gehoord: „geen leven voor de rechtvaardigmaking”. Ook had hij wel eens horen spreken over de „bewuste rechtvaardigmaking”. Er is dan dus — dit stond er tussen haakjes achter — ook een onbewuste. Over het een en ander zou hij gaarne nader ingelicht willen worden.

Dat deze dingen in deze tijd nog belangstelling hebben stemt ons tot blijdschap. Ik hoop dat al onze jonge lezers en ook ouderen zich hiervoor zullen interesseren en dat zij dat zullen blijven doen. Want we leven in een tijd dat de interesse omtrent deze zaken steeds meer afneemt.

Het één is hier weer een gevolg van het ander. Want steeds minder wordt er gesproken en geschreven over de noodzakelijkheid van de wedergeboorte. Dit lijkt in kerkelijke kringen steeds meer een vanzelfsheid te zijn. Als je netjes leeft, niet al te ouderwets natuurlijk, maar een beetje in de lijn van de tijd, en je gaat naar de kerk, waar moet je dan je zelf nog druk over maken?

Je gaat er dan zonder meer van uit, dat het met je op reis naar de eeuwigheid wel in orde is. Wie praat er dan nog over wedergeboorte? Dat is dan misschien een zaak waar je bij de heidenen nog mee aan moet komen, maar onder christenen (? ) is dit een overbodig iets. Door altijd maar te tobben over de vraag: Ben ik wedergeboren of ben ik niet wedergeboren? Heb ik het of heb ik het niet? Ben ik een kind van God of ben ik het niet? Dat maakt je maar ongerust. Wat heb je dan nog aan je leven? Neen, zo benauwd is het niet en zo benauwd wil ik het ook niet. Niet tobben alstublieft. Je moet geloven en dan krijg je het gemakkelijk. God is goed voor alle mensen. Christus heeft geleden voor alle mensen. En bij „alle mensen” behoor ik ook. Dus Hij heeft ook voor mij geleden. Ik maak mij daarom geen zorgen. Schep vreugde in het leven! Dan heb je tenminste nog wat.

Zo gaat een geslacht, dat al groter wordt, zorgeloos de eeuwigheid tegemoet. Wedergeboorte en rechtvaardigmaking worden „uit-detijdse-begrippen”. We hebben daarvoor in de plaats gekregen „eigen-tijdse-woorden”, zoals: doe wat! presteer wat! wees goed voor je naaste! zie het elkander een beetje gezellig te maken! en loop niet te zeuren! enz.

Het is droevig dat dit gekonstateerd en gezegd moet worden, maar het is nu eenmaal de werkelijkheid. Het is de geest van deze tijd, maar dat is geen geest die uit God is.

Daarom, nogmaals, ik ben blij dat er toch ook nog anderen zijn, die de knie voor deze Baiil niet willen buigen en die de mond van deze „vleselijke” god niet willen kussen. Want de boven omschreven luchthartige redenering is echt naar het zondige vlees. Dat wil er wel in en het gaat er in ook. Maar met dit alles gaat men ten verderve. Want tenzij dat iemand wederomgeboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien. Dat is een klare uitspraak van de Heere Jezus Christus Zelf, en dan niet tegen een heiden, maar tegen een bondeling eerste klas, n.1. Nicodemus, een mens uit de farizeën, een overste der joden, een leraar in Israël.

De wedergeboorte is dus een noodzakelijke zaak. Dat moet vóór alle dingen benadrukt worden en ook blijven.

Wat is nu die wedergeboorte? De wedergeboorte is geen natuurlijke zaak. Zij is van de mens uit nooit te verklaren. Zij is van de mens uit ook nooit tot stand te brengen. Een mens kan zichzelf niet wederbaren. De ene mens kan het ook de andere niet. De man kan het de vrouw niet. De jongen het meisje niet en ga zo maar door. De wedergeboorte is een wonder. De wedergeboorte is een daad Gods in het leven van een mens. Het is een „vrijmachtige” daad Gods. Vooral dat woord vrijmachtig wil ik hier ook even onderstrepen. D.w.z. de Heere verheerlijkt dit wonder in het leven van een mens naar Zijn vrijmachtig welbehagen. Hij doet dit wanneer Hij wil en ook bij wie Hij wil. Ook ten deze geldt: Het is niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. En Hij ontfermt Zich diens Hij wil en Hij verhardt ook wie Hij wil. Zie Rom. 9.

Deze vrije daad Gods nu van de wedergeboorte wordt uitgewerkt in de harten van de uitverkorenen.

Dit pleit natuurlijk de mens niet vrij, wanneer hij onwedergeboren blijft. Hij kan daarvan nooit God de schuld geven. De mens van nature is wel daartoe genegen. Doch als hij dat doet, dan komt daarin alleen zijn vijandschap tegen God openbaar. Hij leeft dan uit wat hij is: een vijand van God.

Men gaat dit onderschrijven als de liefde tot God in het hart is uitgestort. Dan denkt men van God geen kwaad meer. Dan geeft men van zijn verlorenheid God de schuld niet meer. Dan geeft men zichzelf de schuld. Dan zal het een wonder zijn, als God het wonder van de wedergeboorte in het leven van de zodanigen zou willen verheerlijken. Men kan het alleen niet bekijken, dat het wonder dan reeds in beginsel heeft plaats gehad. Want, zolang een mens in zijn natuurstaat leeft, dus onwedergeboren is, geeft hij in waarheid van zijn verlorenheid zichzelf de schuld niet. Dit gaat hij doen als hem de ogen geopend zijn. Dan wordt alles eigen schuld. Ook dat men zichzelf niet bekeren kan, dat men zichzelf niet wederbaren kan. Dan moet God het doen. En het zou een wonder wezen als God het deed. Men laat dan God vrij, maar niet los. Men gaat dan roepen tot God, Die alleen heil kan zenden: O Heer’ aanschouw mijn smart. Ja, men heeft er dan smart over, dat men tegen een goeddoend God gezondigd heeft. Men zou zo gaarne alle zonden willen laten, omdat men alle zonden leert te haten. En men zou zo graag heilig voor God, dat is zonder zonden willen leven. Niet om er de hemel mee te verdienen, noch ook om er de hel door te ontgaan, maar omdat God het zo waard is. Men zou dan God wel willen dienen, al was er geen hemel tot beloning en geen hel tot straf. Men wil dan God dienen om God.

In het leven van zulk één is de strijd geboren. Dat is een kenmerk van het nieuwe leven. Waar geen strijd is, daar is geen leven. En waar leven is, daar is strijd. Men heeft ontdekt dat God er is. Dat God een levende werkelijkheid is. Maar men komt er ook achter dat de duivel er is. En deze wil zijn prooi niet laten schieten. Hij wil zijn dienaren behouden. Hij schakelt daartoe alles in. De zonden komen in verhevigde kracht in het binnenste op. De wereld wordt dan ook van binnen ontdekt, en het boze vlees, de oude natuur of de oude mens geeft zich ook niet gewonnen. Men komt er in de strijd ook achter, dat men in eigen kracht die strijd niet volbrengen kan. Eigen krachten moet men leren verachten. Men gaat dan ook kracht zoeken bij God. Want het is Israëls God, Die krachten geeft; van Wie al het volk zijn sterkte heeft.

En welzalig is hij, die al zijn kracht, en hulp alleen van God verwacht. Zulk één wordt veel in het gebed gevonden. Hij’ gaat dan beoefenen wat Paulus schrijft in 1 Th. 5:17: Bidt zonder ophouden. Men bidt dan altijd en overal. Men doet het dan thuis, op school, onder het werk. Men doet het als men naar bed gaat. Maar ook als men er op ligt. Men is dan voortdurend in het gebed. Men kent voor al zijn noden maar één adres en dat is de Heere. Die legt men dan zijn zonden voor. Die laat men lezen op de bodem van het hart. Die bidt men om kracht om tegen de zonden te strijden. Men vraagt Hem ook of Hij de zonden wil vergeven. Want wie anders kan de zonden vergeven dan God alleen?

Men bidt dan zo, omdat men daartoe vanuit het Woord des Heeren bemoedigd wordt. Als de boze zegt, dat het toch allemaal vruchteloos is, dat het bidden toch niet helpt en dat men ondanks alle strijd tegen de zonde, de zonde toch steeds weer doet, dan is daar tussendoor, als het ware een andere stem in het hart, die zegt: Ken Hem in al uw wegen… Roep Mij aan in de dag der benauwdheid… Doe uw mond maar wijd open… enz. Dat zijn dan bemoedigingen voor een ware bidder, die het waarlijk om God te doen is, om aan te houden. Om niet af te laten, hand en oog, op te heffen naar omhoog, totdat Hij (God) ook hen genadig zij. Mijn beste vriend, vriendin, ik hoop niet dat dit vreemde zaken voor jullie zijn. En als je door genade er iets van weten mag, houdt dan aan en grijpt moed. Want uw hart zal vrolijk leven. Nooddruftigen veracht Zijn goedheid niet. Want nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven. De volgende keer nog iets meer hierover.

Ontvang de hartelijke groeten van jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.