+ Meer informatie

HET EVANGELIE VAN CHRISTUS

5 minuten leestijd

1

Met de bede dat wij in ons hart er door gesticht mogen worden, hopen we met u vanuit de Galatenbrief het Evangelie van Christus te gaan overdenken. Maar bij het volgen van het onderwijs dat ons in deze brief door Paulus gegeven wordt tot verdediging van de vrijheid die in Christus is, hebben wij de leiding van de Heilige Geest nodig, Die ons door Christus beloofd is.

Daar ons verstand verduisterd is door de zonde, kunnen wij met ons godsdienstige denken niet komen in de verborgenheden van het heil. „De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. ”

Beseffen wij dat, dan is het ons tot droefheid dat wij zo verduisterd en verdwaasd zijn door de zonde. En dat blijft zo in ons veiderven bestaan; dat wordt niet een beetje beter. Naarmate het hart Goddelijk onderwijs mag ontvangen door de onderwijzingen van de Heilige Geest, stelt ons dat steeds dieper in de zelfverfoeiïng met de vraag „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Daarmee wordt het door Paulus betuigd dat er van onze kant geen verwachting is. Dat doet ons dan wel deze bede verstaan: „Verwerp mij niet van Uw aangezicht en neem Uw Heilige Geest niet van mij.” Vanuit de Galatenbrief wordt het ons duidelijk aangetoond waar de mens terecht komt als de afhankelijkheid van de Heilige Geest niet beleefd wordt. Ja, dat doet de mens opgaan in zijn godsdienstige denken tot grote schade vooi zijn innerlijk leven. Het brengt ons in de slavernij van eigengerechtigheid en ongerechtigheid.

En nu wil de Heere ons naar de grootheid van Zijn genade door het Woord van Zijn Geest onderwijzen in de weg des heils. Daartoe was Paulus als kind en knecht geroepen door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.

Door het Goddelijk roepen is Paulus gegrepen in het hart om hem vanuit de staat van zijn vijandschap te stellen in de staat der genade. In deze greep van Gods ontfermende liefde is zijn hart verenigd met Christus om Hem vanuit die liefde aan te kleven en ootmoedig te vragen: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?”

Paulus werd niet alleen in zijn loop gestuit, maar ook in zijn hart getroffen, zodat de Heere hem dierbaar en onmisbaar werd En die liefde deed hem dag en nacht wenen over zijn zondigen tegen de Heere met een innig smeken om ontferming.

Nooit kan die dag en dat uur vergeten worden. Naarmate men daarna de Heere leert kennen, krijgt dat steeds meer betekenis. Met verwondering zegt men dan: De Heere heeft mijn hart omstrengeld met het snoer van Zijn ontfermende liefde. Hij heeft mij getrokken vanuit de heerschappij van zonde, Satan en ongeloof. En nu mag ik Hem liefhebben, omdat Hij mij eerst heeft liefgehad.

Maar de Heere heeft die genade niet alleen in hem verheerlijkt tot zijn zaligheid, maar ook om het Woord der zaligheid te verkondigen onder de heidenen, zodat Paulus als een ontijdig geborene gesteld is onder de apostelen. In enkele dagen tijds stond Paulus in de ambtelijke bediening, waar anderen maanden en jaren voor nodig hadden. Daarom stelt Paulus tot roem van Gods genade, zijn roeping tot kind en knecht op de voorgrond tegenover de valse apostelen, die daarvan niet wisten te spreken. En vanuit dat Goddelijk roepen tot de staat der genade, spreekt Paulus ook al die broeders aan, die door de genade van de Heere Jezus Christus geroepen waren vanuit de staat der ellende tot die der genade.

Het waren de gemeenten van Galatië, die met hem door de prediking van het Evangelie mochten delen in de bediening van de Heilige Geest. Gedrongen door de Heilige Geest spreekt Paulus vanuit zijn ambtelijke bediening in de eerste plaats de zegen des Heeren uit over Zijn erfdeel. „Genade zij u en vrede van God de Vader en onze Heere Jezus Christus, Die Zichzelve gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige wereld, naar de wil van onze God en Vader, Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.”

Zie, vanuit de zegen des Heeren wordt het ons vermeld dat de Heere Jezus Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, om haar kracht te breken, haar schuld te verzoenen en haar verdorvenheid te dekken, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld. En dat hebben wij bij de aanvang en voortgang nodig, daar wij in ons verdorven bestaan van alle kanten aangegrepen worden om ons af te trekken van de Heere en van Zijn wegen. Wij zijn er niet tegen opgewassen. Door te vertrouwen op onze kracht kan niemand het staande houden. Wij hebben het nodig getrokken te worden door Gods Woord en Geest om achter de Heere aan te komen en Zijn voetstappen te drukken die druipen van vettigheid.

Let op Gods goedertierenheid waarmede de Heere ons omringt. Ga er niet aan voorbij, want daaruit kan het hardste hart getrokken worden tot bekering. Het zal tegen de mens getuigen de rijkdom van Gods goedertierenheid te verachten, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt. Gal. 1 : 1 - 5.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.