+ Meer informatie

Bemoeit god zich met deze wereld en genieten gelovigen daarbij een voorkeursbehandeling?

15 minuten leestijd

Dit onderwerp was aan de orde in een ontmoeting die ik enkele weken geleden mocht hebben met ambtsdragers uit de classis Zwolle. Uit de reacties op wat aan inleidende woorden over deze vraag werd gezegd, heb ik afgeleid dat deze vraag het leven van veel mensen, kerkmensen en onkerkelijke mensen, bewust of onbewust sterk beheerst en dat deze vraag in het leven van veel jongeren één van de factoren vormt, die hun band met de kerk en met het geloof losser dreigt te maken. Op allerlei wijze en in verschillende situaties kan deze vraag in de ambtelijke praktijk, bij het uitoefenen van pastorale zorg, op de ambtsdrager toekomen. Als in de gemeente de dood zich naar menselijke berekening te vroeg aandient; als kanker al op jonge leeftijd toeslaat; als een moeder na de geboorte van haar kind in coma geraakt, zonder uitzicht op herstel; als zich in onze wereld rampen voltrekken waarbij duizenden mensen als dieren omkomen; als indringende beelden op de televisie ons steeds weer te binnen brengen dat dagelijks miljoenen mensen creperen omdat zelfs de eerste voorwaarden om in leven te kunnen blijven hun ontbreken. Elke ambtsdrager kan met vragen over deze dingen te maken krijgen. Ze zijn niet (altijd) te ontgaan. En vandaag kunnen deze vragen niet meer met dooddoeners, in de vorm van met traditionele woorden gevulde algemeenheden worden afgedaan. Niet zelden verkeert de ambtsdrager rond vragen van mensen in zulke omstandigheden dan ook in een situatie van verlegenheid.

Als in dit artikel een poging wordt gedaan over die vragen iets te zeggen, zal die verlegenheid daarmee niet opgeheven zijn. Vanuit de Heilige Schrift wil het slechts enkele gedachten aanreiken die voor de gesprekken over deze dingen wellicht bruikbaar zijn.

De bijbel spreekt er in monumentale woorden over

„Bemoeit God zich met deze wereld en genieten de gelovigen daarbij een voorkeursbehandeling?”, wat zal een nietig mensenkind met zijn beperkte denkraam daarvan kunnen zeggen? Zelfs als een mens weet wat de Heilige Schrift over deze dingen zegt, zal hij of zij in het naspreken van Gods Woord toch nog maar over een beperkt inzicht beschikken en merken dat menselijke woorden ontoereikend zijn om op de hier liggende vragen een duidelijk antwoord te geven. De vraag die het thema van dit artikel vormt is niet speciaal de vraag van de mens van nu. Het was ook de vraag in vroeger tijden, ook van de gelovigen uit de tijd van de bijbel. Het is de vraag van alle eeuwen. Ten diepste is het de vraag naar God zelf. Wie is God, hoe is God?

Men kan de vraag naar Gods bemoeienis met deze wereld met een kort „ja” beantwoorden en verwijzen naar de bijbel, waarin op menige plaats staat dat God deze wereld schiep en haar onderhoudt. We denken daarbij dan vooral aan de monumentale woorden uit Jesaja 40: 12-31. „Weet gij het niet? Hebt gij het niet gehoord? Ishetu van de aanvang niet verkondigd? Hebt gij geen begrip van de grondvesten der aarde? Hij troont boven het rond der aarde en haar bewoners zijn als sprinkhanen”. Gods grootheid tegenover onze menselijke kleinheid, zou men kunnen zeggen. En dan de verzen 25 en 26: „Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem gelijk zou zijn? zegt de Heilige. Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en elk daarvan bij name roept door de grootheid zijner sterkte en omdat Hij geweldig van kracht is; er blijft niet één achter”. Prachtige woorden die gevolgd worden door de vraag hoe het dan toch kan zijn dat het volk van God ook maar kan denken dat het buiten Gods waarneming zou zijn.

Een tweede bewijs van Gods bemoeienis met deze wereld vormt de verschijning van Jezus Christus in de geschiedenis van deze wereld. „Alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe”. Paulus heeft over deze dingen gloedvolle woorden gesproken toen hij in Athene op de Areopagus stond, in een poging de onbekende God aan te duiden en de betekenis van Jezus Christus aan te geven. We vinden die woorden in Handelingen 17 : 15-31.

Werkelijkheidservaring van mensen Allemaal goed en wel, zegt de mens van vandaag, maar heeft God mij onder miljoenen op deze aarde werkelijk in het oog?

Een God die mij persoonlijk in het oog heeft, die in alle sferen van mijn kleine bestaan aan mijn leven richting en stuur geeft, aan wie niets ontgaat en buiten wie niets omgaat, die goede en verkeerde dingen van de miljarden van alle eeuwen per individu registreert, om er in een gericht aan het einde van de menselijke geschiedenis op terug te komen, het is een gedachte die in het levensgevoel van de mens van nu niet meer past. De werkelijkheidservaring heeft die gedachte uit het levensgevoel van veel mensen verdrongen. De enkeling object van Gods aandacht en zorg? Ondenkbaar, zeggen ongelovigen als je over deze dingen met ze spreekt; een nai've illusie, die door de gang der dingen in de wereld weersproken wordt. Gelovigen zeggen dat natuurlijk niet hardop na, maar ook hen bespringt die gedachte wel eens. De orkaan Gilbert zaaide enige tijd geleden dood en verderf op Jamaica en teisterde op een verschrikkelijke manier het vasteland van Mexico. Hetzelfde deed de orkaan Ruby in Azië. Bangladesh liep als gevolg van zware regens bijna helemaal onder water, met duizenden doden. Honderdduizenden Iraniërs en Irakezen stierven als slachtvee in een jarenlange oorlog tussen beide landen. In de armste landen van het Afrikaanse continent sterven jaarlijks honderdduizenden kinderen van honger, in combinatie met onvoldoende medische verzorging.

Omgeven en telkens weer opgeschrikt door zulke gebeurtenissen en ontwikkelingen, steeds weer geconfronteerd met massa's mensen in het televisiebeeld, kan een mens toch onmogelijk aannemen dat er een God zou zijn, die in dit alles een individueel mensenleven tot in de kleinste details binnen zijn waarneming heeft en dat er in dat leven niets gebeurt buiten zijn wil om?

Is het niet pretentieus van christenen om in tijden van voorspoed, bij het bereiken van mijlpalen in hun leven, bij een gunstige wending in ziekteprocessen, in tijden van voorspoed in zaken, zo goed als onder moeilijke omstandigheden en negatieve ontwikkelingen in het leven, het er in de zin van zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus op te houden, dat hun leven voorwerp van Gods bijzondere aandacht en zorg is? Hangt alles niet veel meer af van de vraag waar mijn wieg stond, waar ik leef en werk, in welke milieus ik verkeer, hoe mijn ontwikkelingsmogelijkheden zijn, wat ik er zelf in alle sferen van mijn bestaan van weet te maken en hoever de spankracht reikt van mijn durf om de confrontatie met de risico's van dit leven aan te gaan? Speelt in alles ook het toeval geen grote rol?

Het kwaad treft evenzeer de goeden als de slechten

Misschien anders dan bij onkerkelijken en ongelovigen, maar twijfel en onzekerheid over de sturende hand van God in ons leven manifesteren zich ook bij kerkmensen. Veel jongeren, die op de rand van het geloof en van hun betrokkenheid bij de kerk balanceren, lijden bewust of onbewust ook aan deze twijfel. Met een andere instelling, dat wel, maar ook de gelovige, ook de kerkelijke mens, ook hij of zij die zich in bijbelse zin kind van God mag weten, kan ermee overhoop liggen. Christenen staan niet buiten het grote wereldgebeuren en ook hen kan, als zij kijken naar het bonte gewrie-mel en gewemel op deze aarde, naar alle turbulente gebeurtenissen en rampen, naar alle onrecht en vernedering van mensen dóór mensen, wel eens de wurgende vraag bespringen: hoe moet ik in en achter al deze dingen de hand van God zien en welke zekerheid mag ik hebben dat mijn kleine leventje, met alles wat daarin aan vreugde en verdriet, aan voorspoed en tegenspoed omgaat, bij God bekend is? Treft in deze wereld het kwaad niet evenzeer de goeden als de slechten? Ik denk aan die oude vader die enkele weken geleden vóór de aanvang van de dienst op mij toekwam en opmerkte: begrijpt u God, als Hij mijn kleinkind geboren laat worden en vervolgens de moeder, mijn dochter, die in coma ligt, lijkt weg te nemen?

Prediker: een verschrikkelijk somber boek

Vragen als deze zijn niet specifiek van deze tijd. De mens van alle eeuwen heeft ermee omgetobd. In allerlei toonaarden komen we ze ook tegen in het boek Prediker. Dit boek is van ons uit gezien eigenlijk een verschrikkelijk boek. Er staan dingen in die ons eigenlijk in onze situatie als mens maar weinig bemoediging bieden. Zou het daardoor komen dat er maar zo weinig uit dit bijbelboek wordt gepreekt?

Ook Prediker heeft met de Godsvraag geworsteld, in pogingen Gods leiding in het mensenleven en in het grote wereldgebeuren aan te duiden, in het zoeken naar verklaringen voor de ongerijmdheden die dit aardse leven te zien geeft. Nadenkend over de relatie tussen God en mensen, zei Prediker bij zichzelf: „Wat de mensenkinderen betreft, God wil hen schiften en laten zien, dat zij eigenlijk dieren zijn. Want het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja, éénzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen, en allen hebben enerlei adem, waarbij de mens niets vóór heeft boven de dieren, want alles is ijdelheid, alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof”.

Nadenkend over de ondoorgrondelijkheid van het Godsbestuur legde Prediker vast: „Eveneens zag ik, hoe goddelozen begraven werden en (de rust) ingingen, terwijl zij die recht gehandeld hadden, van de heilige plaatsen moesten weggaan en in de stad vergeten werden” en „er zijn rechtvaardigen, wie het gaat naar de verdienste der goddelozen en er zijn goddelozen, wie het gaat naar de verdienste der rechtvaardigen”. Constaterend dat alle mensen éénzelfde lot treft, tekende Prediker op: „Alles is gelijk voor allen, éénzelfde lot treft de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine, als ook de onreine; hem die offert en hem die niet offert; het gaat de goede evenals de zondaar, hem die zweert als hem die niet zweert”.

Wanneer zich in de gemeente een schokkend ongeval met dodelijke afloop voordoet, als iemand plotseling aan zijn of haar gezin en aan de kerk ontvalt, als een lieve kleine van twee jaar verdrinkt, ach, dan komen die moeilijke vragen sterk naar boven. Mogen wij ons in de grote en vele gevaren van dit leven en van onze tijd, als christen, wanneer wij ons elke dag weer in ootmoed en afhankelijkheid in Gods hoede aanbevelen, in een beschermde positie weten? In zekere zin wel en in zekere zin niet. De woorden uit het boek Prediker maken ons met grote werkelijkheidszin duidelijk dat van die bescherming niet altijd sprake is in de zin waarin wij ons dat voorstellen. Mogen gelovigen en vromen enerzijds geloven in en hopen op Gods bescherming in de gevaren waarmee wij in dit leven omgeven zijn, het betekent niet dat onheilen ons niet zouden kunnen treffen. Wie op Gods bescherming wacht, mag zeker zijn van beveiliging, maar dat woord is met méér gevuld dan alleen de bewaring tegen onheilen in fysieke zin. De betekenis en de troost ervan reiken verder, door de onheilen die ons treffen heen, tot in ons sterven toe, als dat op enig moment door een plotseling onheil of door ziekte ons lot zou zijn. De beloften die wij op dit punt in de bijbel aantreffen worden dan ook niet weersproken als het kwaad in de wereld de „goeden” treft. Al kan het daar we! eens de schijn van hebben. Velen - en vooral jonge mensen -kunnen het op dit punt van zaken maar wat moeilijk hebben.

Wie met jonge mensen op huisbezoek of in een gesprek om ze zo mogelijk terug te halen van hun randkerkelijkheid praat, kan met deze vragen worden geconfronteerd. Op catechisatie worden ze ook wel opgeworpen. Waarom zo'n ramp; waarom juist die, waarom nu al, waarom zo, waarom kwamen bij die gebeurtenissen ook kinderen van God om? Wij weten op deze vragen dikwijls niets te antwoorden. In elk geval hebben we afgeleerd er met onze in de loop der tijden uitgedachte constructies over te praten. Veel vanzelfsprekende antwoorden van vroeger blijken vandaag echt niet meer gebruikt te kunnen worden. Ik herinner mij dat aan een niet onvermaard en reeds lang geleden overleden theoloog uit onze kerken door een jongere eens de vraag werd gesteld hoe hij het nu zag, dat wij het hier zo goed hadden en verder weg in de wereld mensen gebrek leden en voortdurend door natuurrampen geteisterd werden. Dat is verkiezing jongen, was het antwoord. Zo simpel ligt het natuurlijk niet.

Nee, we kunnen beter antwoorden dat op alle vragen rond het Godsbestuur de bijbel berekend is. Het gevoel van opstand en vertwijfeling, de klacht over de ondoorzichtigheid van veel dat in deze wereld en in ons kleine leven gebeurt en de ergernis over de ongerijmdheden in het menselijk bestaan, het is in het Woord van God allemaal terug te vinden. Dat de twistende Job en de twijfelende Thomas ook in de heilsgeschiedenis voorkomen, is voor allen die misschien op heel bijzondere wijze deel aan het lijden van deze tijd hebben, erg troostvol.

Prediker heeft méér gezegd Wie mensen op moeilijke momenten en in moeilijke situaties troosten moet of helpen mag, moeten mag er weet van hebben dat Prediker méér heeft gezegd dande toch wel erg sombere woorden die zojuist werden aangehaald. Hij tekende ook dingen op die ons in deze tubulente tijd tottroost en bemoediging mogen zijn. „Voorzeker, dit alles nam ik ter harte en dit alles onderzocht ik: dat de rechtvaardigen en de wijzen met hun werken in Gods hand zijn, zowel liefde als haat”. En op wat te lezen staat in Prediker 8:11 en 12 volgt: „Nochtans weet ik, dat het de Godvrezenden wel zal gaan, omdat zij voor Hem vrezen”. Niet alleen in Prediker, maar het Woord van God bevat veel méér plaatsen waar de gelovige christen bevestigd vindt, dat hij of zij in het bonte gewoel op deze aarde, in situaties van dreiging en geweld, van gezondheid en ziekte, niet aan Gods aandacht ontsnapt.

„De Here woont in zijn heilig paleis, de Here heeft in de hemel zijn troon; zijn ogen slaan gade, zijn blikken doorvorsen de mensenkinderen” (ps. 11:4). Hoe bemoedigend is ook psalm 34 :16 „De ogen des Heren zijn op de rechtvaardigen en zijn oren tot hun hulpgeroep”. Even verderop in deze psalm staat weliswaar dat de rampen van de rechtvaardige talrijk kunnen zijn, „maar uit die alle redt hem de Here”, volgt erop. In dit verband mag ook psalm 37:17a en 18 worden aangehaald: „maar de Here schraagt de rechtvaardigen. De Here kent de dagen der vromen en hun erfdeel zal voor altijd bestaan”. En in diezelfde psalm zegt de dichter: „Jong ben ik geweest, ook ben ik oud geworden, maar een rechtvaardige heb ik niet verlaten gezien”.

Bemoediging

Veel jongeren die aan hun toekomst denken, voelen zich in de wereld van vandaag bedreigd en niet weinigen onder hen leven met een minimum aan verwachting. Op zijn weg door de gemeente vindt de ambtsdrager ook ouderen, die zich in hun situatie van teruggetrokkenheid uit het volle leven niet alleen van mensen maar soms ook van God verlaten voelen, althans niet meer met zo veel zekerheid gevoelen dat God hen onder miljoenen, in hun kleine of wat grotere kamer in het bejaardenhuis, onder alle beperkingen en lasten die de ouderdom meebrengt, in het oog heeft en dat niets van wat hen aan goed en kwaad overkomt. Hem ontgaat.

Aan zulke mensen en tegen ons zelf, mogen we zeggen wat eveneens in het boek Prediker staat, namelijk dat we ons brood met vreugde zullen eten en dat we de wijn met een vrolijk hart mogen drinken; dat onze kleren te allen tijde wit mogen zijn en dat olie op ons hoofd niet hoeft te ontbreken; en dat we moeten blijven doen wat onze hand vindt om te doen.

En zou kwaad en onheil ons treffen dan mogen we ons kleine en nietige leven - als we bij God leerden schuilen - veilig besloten weten in de opstanding van Hem, op wie in het midden der tijden alle plagen en onheilen van dit aardse leven in hun diepste oorzaak, onze zonden, zijn neergekomen. En aan dat bewijs van Gods bemoeienis met deze wereld kunnen we ons het beste vasthouden, ook in de ambtelijke gesprekken die we soms over en in situaties van gebrokenheid moeten voeren. Veel verder komen we in ons nadenken over de dingen die zich aan ons voordoen niet. Het slot van Prediker 8 luidt:

„Toen ik mijn hart erop zette om wijsheid te leren kennen en om de bezigheid te aanschouwen, die op aarde geschiedt, terwijl men noch bij dag noch bij nacht met zijn ogen de slaap te zien krijgt - zo zag ik, dat de mens niets kan ontdekken van het werk Gods, dat onder de zon geschiedt; want hoezeer de mens zich ook aftobt met zoeken, hij kan het niet ontdekken, en wanneer soms een wijze mocht zeggen, dat hij het weet, hij kan het niet ontdekken”.

De Naamathiet Zofar vroeg aan Job: „Kunt gij de geheimen Gods doorgronden, de Almachtige doorgronden ten einde toe?” (Job 11:7). Dat kunnen we niet. Slechts één geheimenis is ons ten volle geopenbaard, Gods liefde in Jezus Christus. En dat moet ons vooralsnog kennelijk genoeg zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.