+ Meer informatie

Naarde katechisatie

6 minuten leestijd

138.

DE WET DES HEEREN.

Het derde gebod.

Dit gebod gaat over de heiliging van de Naam des Heeren.

De Naam des Heeren is de Zèlf-openbaring van het Wezen Gods. Gods Namen zijn niet maar alleen onderscheidingen ten opzichte b.v. van de afgoden, zij openbaren: wat God is! Zoals God Zichzelf noemt, zo is Hij. „Uw Naam ziet het Wezen”, lezen we in Micha 6 : 9. Zo krijgen teksten als: „Die Uw Naam vrezen”, „Die Uw Naam liefhebben”, „Die op Zijn Naam betrouwen” een troostvolle betekenis. Zo o.m.: „Wie is er onder ulieden, die den Heere vreest, Die naar de stem Zijns knechts hoort? Als hij in duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op den Naam des Heeren en steune op Zijnen God”. Jes. 50 : 10.

In Zijn heerlijke Namen verklaart de Heere dus Wie Hij is, in Zijn Hoogheid, Majesteit, Heiligheid en Rechtvaardigheid, in de rijkdom Zijner barmhartigheid en genade voor al Zijn volk!

Ook in al Gods werken schitteren Gods namen uit. Zie psalm 8, 113, 145, en zoveel andere psalmen. Gods werken laten zien: Zijn almacht, wijsheid, goedheid en trouw.

God heeft als ’t ware Zijn Namen neergelegd, in Zijn schepping, ja, in de mens, zoals Hij die schiep naar Zijn Beeld, opdat de mens zijn Schepper zou kennen, grootmaken en verheerlijken. Dat is: Zijn Naam „heiligen”, namelijk: afzonderen tot Zijn eer en verheerlijking, „opheffen” tot een heilig gebruik van die Naam.

Maar de mens heeft door zijn zonde ’s Heeren heilige en heerlijke Naam onteerd en ontluisterd en zo Gods Naam omlaag gehaald! Rechtvaardig had nu de Heere Zijn Naam, Zichzelf, voor eeuwig kunnen onttrekken aan de mens, ja, in Zijn eeuwige toorn de mens kunnen verdelgen van voor Zijn heilig Aangezicht!

Maar eeuwig wonder! God zocht Adam op en in de weg van schulderkentenis openbaarde de Heere Zich aan hem in Zijn verlossende genade, in de „moederbelofte”, Gen. 3 : 15.

Zo kwam God Zich weer bekend te maken in Zijn Namen als de rechtvaardige, maar ook als de genadige God, doch... in Christus, de van God geschonken Middelaar, uit het „zaad der vrouw”, Eva, gekomen.

En in de heilige linie, in Abel, Seth, Henoch, Noach, Abraham heeft God Zijn NAAM doen kennen en doen bewaren. Echter zó, dat God Zelf voor die bewaring zorgde. Vandaar, dat de Heere Zich bekend kwam te maken met de Naam: Jehova, zoals bijzonder aan Mozes bij de brandende braambos. Jehova, God als de ZIJNDE, de LEVENDE, de GETROUWE: „Ik zal zijn, Die Ik zijn zal”. Het is Gods eeuwige Verbondsnaam, krachtens Zijn Verbond, dat Hij met Abraham, Izaak en Jacob heeft opgericht, d.i. gesteld. Want God zei niet: laat ons met elkaar een verbond maken. Neen, het ging alleen van God uit, éénzijdig. En in de Naam „Jehova” verklaarde God, dat Hij Zijn Verbond zou HOUDEN, ook tegenover de ontrouw van Zijn volk! Dit kwam wel duidelijk uit bij de formele verbondssluiting in dat wondere visioen, dat, Abraham ontving, zoals in Gen. 15 beschreven staat, namelijk van die vurige oven met de brandende fakkel, die tussen de beide stukken van de geslachte dieren doorging. Niet Abram, maar de Heere Zélf ging tussen die stukken door. Zo verklaart Gods Verbond, dat alles alleen van God uitgaat, dat Hij Zélf alles doet! Was het Zijn heilige eis, dat Abraham en later Israël Gods Verbond zou houden. „Gij nu zult Mijn Verbond houden”. Maar het vertroostende was en is: wat God rechtvaaardig eist, wil Hij schenken, uit loutere genade! Bij het Werkverbond was het: eerst de EIS en dàn de BELOFTE: „Doe dat en gij zult leven”. Bij het Genade-Verbond is het: EERST Gods belofte en dàn Zijn eis. Zo zal Gods eis alleen worden volbracht door genade-bearbeiding van de Heilige Geest in de deelachtigmaking van de beloften des Evangelies.

Nu gaat onze les echter niet over het Genadeverbond, maar over het derde gebod: de heiliging van Gods Naam. Toch hopen we, dat u het verband zult begrepen hebben ten opzichte van het Genadeverbond en Gods Naam.

Israël mocht leven onder de rijke openbaring van ’s Heeren NAAM, bijzonder als Jehovah, de Onveranderlijke en Getrouwe God des Verbonds. De kennis van die Naam moesten de volken buiten Israël missen. Welk een genadige onderscheiding voor Abraham’s zaad!

Maar opdat Israël ’s Heeren heiligen Naam niet anders dan met heilige eerbied zou gebruiken, gaf de Heere daartoe nadrukkelijk Zijn bevel in het derde gebod van Zijn Wet. „Gij zult de Naam des Heeren Uws Gods niet ijdellijk gebruiken, want de Heere zal niet onschuldig houden die Zijn Naam ijdellijk gebruikt”.

Zeer nauw nam God het dus met het gebruik en de heiliging van Zijn Naam. We kennen die ontroerende geschiedenis, beschreven in Levit. 24, van die zoon van Selomith, uit de stam van Dan, die de Naam des Heeren lasterde en vloekte. Hoe moest deze jongen deze zonde met de dood der steniging bekopen.

„Niet ijdelijk gebruiken” betekent letterlijk: niet opheffen tot het ijdele, tot het zinloze. God heeft Zijn Naam willen neerleggen in het midden van Zijn volk Israël niet anders dan tot een heilig gebruik om die Naam op te heffen tot Zijn verheerlijking.

Doch niet alleen in Israël heeft God Zijn Naam neergelegd om Die op te heffen tot een heilig gebruik, ook onder ons, namelijk in Zijn Woord! Ja meer. Zelfs heeft de Heere Zijn driemaal heilige Naam als doen schrijven op onze voorhoofden bij het sacrament van de heilige Doop! We zijn immers gedoopt in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.

En hoe staan wij nu tegenover die Naam, Die ons verklaart, wie God wil zijn voor arme verloren zondaren en zondaressen, ja, Wie Hij is voor een schuldig en doemwaardig volk, dat leert zien en erkennen Zijn Naam te hebben onteerd en ontluisterd in Verbondshoofd Adam en van nature niet anders zijn dan ontheiligers en lasteraars van die heerlijke Naam?

Is de Wet des Heeren kenbron van onze ellende, zo geldt dit dus ook het DERDE gebod. Wie door Gods Geest leert zien in de spiegel van Gods heilige Wet, zal verstaan, hoe diep schuldig men staat vóór God, ook ten aanzien van dit derde gebod. Die leert zich kennen als een vloeker, al zou men nooit uiterlijk gevloekt hebben. Want Gods gebod is „zeer wijd”, en wel ten opzichte van de geestelijke zin der Wet!

In deze weg der ontdekking krijgt de zondaar nodig de reiniging en verzoening voor zijn zonde en schuld, in Hém, Die als een Godslasteraar werd veroordeeld voor Kajafas’ rechterstoel, maar dan plaatsvervangend voor een schuldig volk!

Kent u hier iets van? O, smeek om die genade! En dat u van een „vloeker” een „bidder” moogt worden.

Over de „geestelijke zin” der Wet, waaruit blijkt, dat wij allen schuldig staan, ook aan dit derde gebod, willen we nader bezien in een volgende les D.V.

E.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.