+ Meer informatie

Waarom twee examens ?

13 minuten leestijd

Bovenstaande vraag heeft betrekking op het examen aan de Theologische Hogeschool waardoor bij een gunstige uitslag een student van deze Hogeschool beroepbaar verklaard wordt in onze kerken én op het examen dat deze zelfde student voor de classis moet afleggen vóór hij bevestigd mag worden in de gemeente waarvan hij het beroep heeft aangenomen. Er zouden nog een paar andere voorbeelden te noemen zijn maar die kunnen we in dit verband gevoeglijk laten rusten. Wij bepalen ons dus tot het zgn. kandidaatsexamen aan de Theologische Hogeschool en het zgn. classical examen.

Waarom moet iemand die predikant in onze kerken begeert te worden deze beide examens afleggen ? Deze vraag wordt nog al eens gesteld en dat is de reden waarom de redactie van Ambtelijk Contact mij verzocht iets ter beantwoording van deze vraag te schrijven. Jaren geleden is deze zaak reeds aan de orde geweest bij de behandeling van artikel 4 van de Kerkorde in mijn Toelichting op de Kerkorde in De Wekker, maar dat is al lang geleden en slechts weinigen zullen in de gelegenheid zijn die artikelen over de Kerkorde te raadplegen. Daarom voldoe ik gaarne aan het verzoek van de redactie. Een breed en op zichzelf interessant en leerzaam overzicht geven wij nu niet. Wij beperken ons tot enkele hoofdzaken.

Het principiële uitgangspunt dat wij altijd bij deze zaak voorop moeten stellen is dat de kerk des Heren, waarvan Christus in de meest absolute zin van het woord Koning en Hoofd is, Ps. 2:6; Jer. 23 : 5; Hand. 5 : 31; Ef. 1 : 22, enz., gebouwd is op het fundament der apostelen en profeten, Ef. 2 : 20, en pilaar en vastigheid der waarheid is, 1 Tim. 3 : 15. Hieruit nu vloeit rechtstreeks voort dat de Heilige Schrift enerzijds bepaalde eisen stelt ten aanzien van hen die Christus’ gemeente, laat ons nu maar zeggen, als ambtsdragers dienen, en anderzijds ook allerlei waarschuwingen bevat tegen het toelaten en optreden van valse leraars, die op een ander fundament bouwen en aan de waarheid Gods te kort doen, en daardoor de zielen misleiden en Christus van Zijn eer beroven en Hem zelfs verloochenen.

Niet iedereen, niet iedere gelovige zelfs, mag in de gemeente des Heren als herder en leraar optreden. Niet alleen dat iemand daartoe door de Koning der kerk geroepen en gezonden moet zijn, zie bijv. Rom. 10 : 15, Hebr. 5 : 4, verg. Jer. 14 : 14, maar hij moet naar 2 Tim. 2 : 2 ook bekwaam zijn om anderen te leren of te onderrichten, waarbij de kanttekenaars op de Statenbijbel kort en krachtig aantekenen: dat is, niet alleen in de leer geoefend, maar ook bekwaamheid hebben om deze stichtelijk voor te dragen. Als Paulus in de brief aan Titus de eisen aangeeft, waaraan de ambtsdrager moet voldoen, zegt hij onder meer dat een ambtsdrager iemand moet zijn, die vasthoudt aan het betrouwbare woord naar de leer zodat hij in staat is te vermanen naar, of op grond van, de gezonde leer en de tegensprekers kan weerleggen, Tit. 1 : 9. Daarom vermaant de apostel Timotheus dat hij niemand haastig of overijld de handen moet opleggen, of wil men, in het ambt moet stellen, 1 Tim. 5 : 22. De kanttekenaars hebben de bedoeling van Paulus’ woorden o.i. zeer juist weergegeven door te zeggen: dat is, zonder behoorlijke en genoegzame beproeving van de persoon, zijn leven en leer, gedaan te hebben. De dienaren der gemeente moeten vóór zij in de dienst gesteld worden eerst beproefd worden, schrijft Paulus nadrukkelijk in dezelfde brief aan Timotheus, ni. 1 Tim. 3 : 10.

Op grond van deze en nog veel meer Schriftgegevens heeft de christelijke kerk dan ook altijd een onderzoek naar leer en leven van haar dienaren, of met andere woorden, een examen, noodzakelijk geacht. Deze kerkelijke examens zijn dus in de Schrift gefundeerd. De kerk des Heren moet zo goed mogelijk waarborgen hebben dat de gemeenten bekwame en betrouwbare leidslieden hebben en geen valse leraars die verderfelijke ketterijen op een bedekte wijze invoeren, zoals Petrus zegt, 2 Petr. 2 : 1, waardoor zij als wolven de kudde des Heren verwoesten, Hand. 20 : 29. De kerk moet mede daardoor tot het uiterste strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is, Judas : 3.

Wij zullen de praktische uitvoering van deze Schriftuurlijke beginselen in de lange, soms tragische en trieste, geschiedenis van de oude kerk, van de Rooms-katholieke kerk en van de Reformatorische kerken in allerlei landen laten rusten omdat wij dan veel te breedvoerig zouden worden, terwijl van volledigheid zelfs niet eens sprake zou kunnen zijn. Alleen merken wij op dat in onlosmakelijk verband met de genoemde eisen der Heilige Schrift de kerk altijd een goede wetenschappelijke voorbereiding voor het leraarsambt noodzakelijk heeft geacht, al zijn er, helaas, wel eens Perioden geweest waarin men hiermede op soms ergerlijke wijze de hand heeft gelicht. Alleen geestdrijvers van allerlei soort verwierpen een wetenschappelijke voorbereiding. Het was met name tegen deze gevaarlijke stromingen dat de grote Reformatoren der 16e eeuw een wetenschappelijke opleiding tot het predikambt sterk hebben benadrukt. Wij beperken ons nu tot enkele hoofdzaken van de geschiedenis van het door de Schrift geëiste onderzoek of examen, in de kerken der Reformatie in ons land.

Toen de Hervorming hier wortel had geschoten en er plaatselijke kerken van gereformeerd belijden ontstonden, heersten er in het begin op kerkelijk gebied nog allerlei vreemde toestanden. In de plaats van de Rooms-katholieke kerkelijke organisatie was nog geen Schriftuurlijke organisatie naar gereformeerde opvatting gekomen. Zij was in elk geval nog niet voldoende ontwikkeld of werkzaam, hetgeen veelszins het gevolg was van de turbulente tijd waarin men leefde. Zo waren bijvoorbeeld aanvankelijk de gemeenten vrij om te beroepen wie zij wilden en zij die beroepen werden, behoefden niet eerst een examen af te leggen. Deze vrijheid heeft gelukkig niet zo erg lang geduurd. Al spoedig zagen de kerken het heilloze van zulk een vrijheid in. Allerlei onbekwame personen werden predikant. Roomse geestelijken, die met het getij de bakens gingen verzetten, schoolmeesters, handwerkslieden die gemakkelijk aan de kost wilden kornen, enz., enz., konden, indien het hun gelukte door een innemend optreden of door een gladde tong ingang bij de gemeenten te vinden, beroepen worden zonder enig examen of onderzoek naar hun bekwaamheid. Toen er eenmaal enige organisatie groeide en er bijv. classicale vergaderingen werden ingesteld moesten zulke heden, die zich op de een of andere manier in de dienst van een kerk hadden ingedrongen of die er door anderen (patronaatsrecht !) waren ingehaald, nog wel een beslissend of peremptoir examen voor de classis afleggen. Soms konden zij als predikant gehandhaafd worden, maar het gebeurde ook meermalen dat zij van de predikdienst vervallen werden verklaard. Soms ook werd hun opgelegd zich verder in de leer der waarheid te bekwamen, waarna weer een classicaal onderzoek, examen, volgde.

Later kwam er meer orde in het kerkelijke leven, ook in het beroepen van predikanten. Zo sprak de nationale synode van Dordrecht, 1578, uit: Men zal overal toezien, dat bekwame personen tot de dienst des Goddelijken Woords beroepen worden. En daarom zal men niemand tot deze dienst beroepen, dan degenen, die men genoegzaam beproefd heeft, dat zij rein zijn in de leer en oprecht van leven zijn met gaven om anderen te onderwijzen versierd, en een goed getuigenis binnen en buiten de gemeente hebbend. De nieuwelingen, die het pausdom of enige sekte eerst verlaten hebben, zullen tot de dienst des Goddelijken Woords niet toegelaten worden, voor dat de gemeente van hun zuiverheid en bestendigheid in de leer en oprechtheid des levens genoegzaam zal verzekerd zijn, art. 1, 2. Het duurde echter nog al even voordat deze bepaling overal opgevolgd werd. Latere synoden hebben een en ander nader geregeld. Om beroepbaar te zijn moest men een voorbereidend of met een vreemd woord een praeparatoir examen hebben afgelegd. Maar werd een beroep aangenomen dan moest men nog een beslissend of peremptoir examen afleggen. Werd aanvankelijk dit voorbereidend, praeparatoir, examen, waardoor iemand beroepbaar werd gesteld, afgenomen hetzij door de kerken, hetzij door de later gestichte universiteiten, in latere tijden trokken de kerken dit examen, vooral met het oog op de opkomende ketterijen aan de universiteiten, geheel aan zich, zodat zij zowel het voorbereidende als het beslissende examen afnamen. Alleen in Groningen behield de universiteit het recht om het voorbereidend, praeparatoir, examen af te nemen, benevens het beslissende, peremptoire, examen, zij het onder bepaalde voorwaarden. Enkele andere uitzonderingen in Zeeland en Priesland laten wij nu buiten beschouwing.

Toen in ons land de kerken der Afscheiding een Theologische School te Kampen hadden gesticht, 1854, werd aan deze School het recht verleend het praeparatoir of voorbereidend examen af te nemen. Toen in 1892 de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsch Gereformeerde (Dolerende) Kerken verenigden tot de Gereformeerde Kerken in Nederland werd het weer veranderd, zodat nu de classis waarin een kandidaat in de theologie domicilie heeft het praeparatoir examen afneemt en de classis waarin iemand predikant wordt het peremptoir examen. Bij ons is het gebleven zoals het vroeger in de oude Christelijke Gereformeerde Kerk altoos was. Een voorstel van een van de particuliere synodes om aan de classen de beroepbaarstelling in handen te geven werd door de synode van 1937 verworpen. Bij ons is het nu zo, dat het college van hoogleraren een student die het laatste gedeelte van het kandidaatsexamen met gunstig gevolg afgelegd heeft, met instemming van het curatorium bevordert tot kandidaat in de theologie. Het curatorium stelt daarna, gehoord het advies van de hoogleraren, iemand dan beroepbaar in onze kerken. Hij heeft dan het voorbereidend of praeparatoir examen afgelegd. Maar of hij werkelijk de kerken als dienaar des Woords zal gaan dienen, staat niet ter beslissing van het curatorium of van de hoogleraren maar aan de kerken in classicale vergadering bijeen gekomen. Het classicale examen is daarom het beslissende of peremptoire examen. Dit examen beslist of iemand al of niet in het ambt van dienaar des Woords werkzaam zal zijn. Het is de laatste deur die men door moet om in het heiligdom van het ambt te komen.

Daarom is het classicale examen het allerbelangrijkste examen !

Het is jammer dat men van de belangrijkheid van het classicale examen niet meer doordrongen is. Er zijn mensen die van mening zijn dat het eigenlijk totaal overbodig is: de beroepen kandidaat is immers reeds geëxamineerd aan de Theologische Hogeschool ? Moet een classis ailes nog eens dunnetjes overdoen ? Deze redenering doet, naar het mij voorkomt, nog al eens hier en daar opgeld. En dat niet alleen bij ons maar ook bij andere kerkgemeenschappen. Zo moest bijv. de synode van de Chr. Ref. Church in Noord-Amerika in 1961 nog nadrukkelijk de betekenis van het classicale examen beklemtonen, omdat deze examinatie dikwijls beschouwd werd als een wassen neus. En in 1962 was er op de generale synode van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland een verzoek van een particuliere synode om tot regel te stellen dat eerst na een met gunstig gevolg afgelegd peremptoir examen voor de classis „de bijzonderheden omtrent de bevestiging van een kandidaat zullen worden vastgesteld, opdat het peremptoir examen niet tot een blote formaliteit zal worden”. De generale synode was het hiermee wel eens.

Er zou nog meer te noemen zijn waaruit kan blijken dat het classicale examen niet hoog aangeschreven staat, maar wij laten het hierbij. Alleen op één zaak hoop ik nog eens in De Wekker te attenderen, nl. op de steeds meer voorkomende gewoonte om de pastorie reeds in te trekken vóór men het peremptoir examen heeft afgelegd. Ik hoop er dan op te wijzen dat de kerkeraden die dit toestaan of zelfs animeren hier in feite niet te dragen risico’s nemen en dat het eveneens een onverantwoordelijke daad van de betrokken kandidaat is.

Over de verdere regeling van de praeparatoire en peremptoire examens gaan we thans niet handelen. Deze regelingen zijn hier niet aan de orde. Het ging in ons artikel over de kwestie of er twee examens moeten zijn: één aan de Theologische Hogeschool en één door de classis af te nemen. Ik hoop enigszins duidelijk gemaakt te hebben dat dit inderdaad het geval is. Er moet een voorbereidend of praeparatoir examen zijn, waardoor de kerken door middel van haar deputaten (curatoren) zeggen: deze persoon heeft de vereiste kermis van de godgeleerdheid om als predikant beroepen te worden. Hopelijk zullen de kerken hem inderdaad als dienaar des Woords begeren. En wórdt hij beroepen en neemt hij de roeping van een gemeente aan, dàn volgt de definitieve beslissing of hij inderdaad de kerken zal mógen dienen in het hoogst belangrijke ambt van predikant en daarom gaan wij hem, niet door middel van enkele deputaten, maar in een vergadering van de kerken zelf nog eens ter dege onderzoeken of hij bekwaam en geschikt is om als herder en leraar de kerken te dienen. Zuiver formeel gesproken berust het recht om dit definitieve, dit beslissende, dit peremptoire examen af te nemen bij de kerkeraad van de gemeente waarvan hij het beroep heeft aangenomen. Maar omdat de toelating tot de dienst des Woords (en der sacramenten) bij onderlinge afspraak een zaak is die het verband van alle kerken aangaat, en de meeste kerkeraden niet in Staat zijn zulk een examen af te nemen, Staat dit examen aan de classis, waarbij dan nog de deputaten van de particuliere synode komen om de classis te adviseren. Hiervan nu meer te zeggen is o.i. overbodig.

Om een en ander nog eens kort samen te vatten: het kandidaatscxamen draagt een wetenschappelijk karakter, of wil men, een „schools” karakter, het classicaal examen draagt een kerkelijk karakter. Het kandidaatsexamen wordt afgenomen door mensen die door de kerken daartoe zijn gedeputeerd, het classicaal examen wordt door de kerken zelf afgenomen. Het kandidaatsexamen is een voorbereidend examen, en zegt dat iemand beroepen mag worden, het classicaal examen is het beslissende examen en zegt of iemand bevestigd mag worden.

Beide examens dienen zeer ernstig genomen te worden. De Theologische Hogeschool mag met het voorbereidend of kandidaatsexamen niet de hand lichten, omdat dit zeer schadelijke gevolgen voor de kerken heeft, zoals de historié genoegzaam geleerd heeft. Maar ook een classis mag met het laatste, het beslissende examen in genen dele de hand lichten omdat de gevolgen daarvan niet te overzien zijn. Zij moet haar grote verantwoordelijkheid diep beseffen, om de gemeenten, zo mogelijk te bewaren voor wolven die de schaapskooi willen binnendringen, Hand. 20 : 29, en dezen komen in de regel niet „van buiten” maar uit de kerken zerf, Hand. 20 : 30. Daarom moet de classis, om het nu met de woorden van de oude kerkorde van Bentheim, daterend uit 1613, te zeggen: zorgvuldig en getrouwelijk onderzoeken of de kandidaat „so veel kennis van Gods Woord, ook in de grondtalen; so veel Godgeleertheid; so veel talent om te prediken, en te bidden; so veel deugd en waere Godsaligheid; so veel ernst, y ver en naarstigheid; so veel wysheid en bescheidenheid besit, dat hy waerdig en bequam is, om de kudde Jesu Christi te weiden met wetenschap”, art. 30.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.