+ Meer informatie

Brutaal vakantienemen van ware vreze Gods

Heruitgaven van prof. G. Wisse

10 minuten leestijd

„In de avond des levens is avond.... avond, daar valt niets aan te veranderen, maar in die avond kan de avondhemel soms nog schoon worden gekleurd. Avondrood is evenzeer een Godsgeschenk als het licht des dageraads".

Dit schreef de onvergretelijke prof. G. Wisse in zijn ná-woorcl aan het begin van het opnieuw uitgegeven „Avondrood", een bundeling van zijn pastorale brieven.

Wij doen niet aan mensverheerlijking maar mogen toch wel stellen dat deze begenadigde hoogleraar velen tot zegen is geweest en wellicht nog is door zijn geschriften. Overvolle kerken trok hij met zijn tijdredes. Hoe herinneren we er ons nog vele. Zo bijvoorbeeld in de Konlnginnekerk te Rotterdam. Ruim een uur van te voren stond men al in de rij voor het kerkgebouw. Hij trok duizenden mensen van alle richtingen. Hij had wat te zeggen!

Hoe herinneren wij ons nog de pakkende titels van zijn onderwerpen, zoals „Een nacht in het logement van de duivel", „Schoon gelijk de maan" (bij de eerste kunstmaan). Origineel en toch niet overdreven, sprak hij aan. Er bleef iets van hangen. Zonder overdrijven kunnen we van hem spreken als een grote in Israël.

Wij vinden het dan ook een goede zaak van „De Banier" om twee van zijn boekjes opnieuw het licht te doen zien. Dat hij ook in onze tijd nog wat te zeggen heeft, blijkt duidelijk. Het is dan ook te hopen dat velen van de inhoud kennis nemen en er winst mee doen.

Eeuwigheid

Om ons bij het eerste boekje te bepalen, „Avondrood", brieven uit gewichtvolle dagen, dan valt ons direct op de pastorale bewogenheid, die uit deze brieven spreekt. Vanaf zijn ziekbed begon hij te schrijven. Plotseling was hij door de Heere hierop gelegd. Op een tweede Kerstdag nog gepreekt, begaf hij zich vroeg te bed. Bij het ontwaken de volgende morgen bemerkte hij niets bijzonders, maar toen hij wilde spreken kon hij geen woorden meer uitbrengen. „Terwijl ik in de spiegel keek, zag ik dat mijn mond scheef getrokken stond". Niets had hij hiervan gemerkt in de slaap. Zelf zegt hij: „O, o zo zou een mensenkind, die toch enkel ijdelheid is, ongemerkt en onbewust de eeuwigheid inreizen".

Door dit voorval kwam bij ertoe aan deze brieven te beginnen en ze als het ware de ondertiteling: „eeuwigheidsoverpeinzingen" mee te geven. Hoe spreekt hij menigmaal naar het hart van Jeruzalem. Als godgeleerde was hij ook een van God geleerde. Zelf zegt hij hierover: „Bij voorkeur zal ik mij wenden tot degenen, wier echte „godgeleerdheid" moge zijn: zich te weten en dit te beoefenen: een ellendig en arm volk, hetwelk op de Heere vertrouwt". Wat toont hij, vooral in de eerste brieven, een groot geleerde te zijn geweest.

Welk een diepzinnige gedachten ontwikkelt hij. Sprekende over het woord tijd en het woord eeuwigheid, zegt hij bijvoorbeeld: „Eeuwig is maar niet heel lang, maar het is boven alle tijdsindeling, zonder einde. De eeuwigheid is „in" God en God woont in de eeuwigheid. Hij is de Eeuwige. Hij is om zo te zeggen van geheel andere dimensie, dat is boven alle tijd- en ruimtebegrip uitgaande. Eeuwig en eeuwigheid is in feite het eerste en het laatste, het „enig alles". Wij zouden zo door kunnen gaan. Echter genoeg hierover.

Ambtelijke zonden

In de zevende brief komt hij te spreken over de ambtelijke zonden. Het overdenken hiervan is geen alledaags werk maar toch zo nuttig en nodig, voor alle ambtsdragers. Hij verhaalt hierbij over een ambtsdrager die hij eens in Friesland op het ziekbed ontmoette. Deze broeder klaagde tegenover hem dat hij zo te doen had gekregen met zijn ambtelijke zonden. Hij was bedroefd over zijn tekort, zijn nalatigheid, zijn niet genoegzame nauwgezetheid en ernst in zijn ambtelijke bediening.

Wisse zegt hierover: „Het was zeer treffend en in zekere zin aangenaam, om deze zo meer aan zichzelf ontdekte broeder te horen spreken en klagen, 'k Geloof dat men met zo'n cadeautje beter af is dan met sigaren en taart op zijn verjaardag. Dat zijn geschenken van de hemel, die voor een ware naar God uitziende ziel meer waard zijn".

Hoe bewogen spreekt hij in deze brief over het eerlijk behandelen van de aan de zorgen toebetrouwde zielen. „We kunnen niet te nauwgezet zijn naar beide kanten: namelijk in de ware zuivere voorstelling van de nauwe weg ten leven en insgelijks van de rijkdom des Evangelies voor zulk een, die het leven bij zichzelf niet (meer) kan vinden".

Wat al een beschuldigingen kunnen er rijzen. Als één van de voornaamste zaken noemt hij de voorbereiding voor, en de viering van het Heilig Avondmaal, zowel in de Evangelische lokking als in de strenge vermaning om de heilige dingen van de kinderen Israëls niet te ontheiligen. Hij zegt dan: „Als men, ik noem nu nog maar slechts het zichtbare, maar als de ambtsdragers toelaten dat men in opzichtelijk gewaad, soms (het gebeurt!) met geverfde lippen, met blote hoofden en opgesmukte haartooi, als ware het een avondconcert, ten heiligen dis gaat, waar staan in zulke avondmaalsontheiligingen de ouderlingen nog voor als „wachters" aan de dis?"

Half ernstig

Hij toonde zich een ware man van de afscheiding. In de weken van opgelegde rust las hij diverse geschriften betreffende de afscheiding van 1834. Bepaald treffend is het te lezen over ds. Gezelle Meerburg Sr. Met welk een ernst en diepe bewogenheid bracht deze prediker het woord. Wat waarschuwde hij tegen zelfbedrog en inbeelding maar ook, hoe liet hij de welgemeende nodiging Gods om het naar verderf te ontvlieden horen. „Zo behoort het ook", aldus Wisse, „er zijn te allen tijde predikers geweest, die wél de ernst van het oordeel aanzeiden, maar niet in diezelfde mate nu ook verkondigen, dat onze dood wel Gods recht, maar ons leven en behoudenis Gods lust is, ja Gods lust, zie b.v. Ezech. 33-11.

Met andere woorden, zij maakten dan wel ernst met ons en onze zieletoestand, maar feitelijk geen ernst met God en Diens welgemeende roepstem en nodiging tot behoud.

En toch, als dit laatste in de prediking zou ontbreken, dan is het maar een half ernstige dominee. Dan is het mij, alsof ik de Heere uit de hemel zou horen roepen: maar bazuinblazer, waarom neemt ge nu ook niet de bazuin aan de mond om eens wat goeds, veel en eeuwig goeds van Mij te verkondigen". Gezelle Meerburg verstond te dezen wel de roeping en opdracht.

Al te ruim

Wisse haalt dan in zijn brieven een gedeelte aan uit een preek van deze predikant. Hoor slechts: „Er is misschien iemand in deze vergadering, die bij zichzelf zegt, dat ik al te ruim ben in de prediking van Christus, dat ik spreek als een voorstander van de algemene genade, als zulk een, die gelooft, dat Christus voor alle mensen gestorven is. Zich voor alle mensen heeft overgegeven. Wij antwoorden: Zeg mij voor wie in deze vergadering Christus zich niet heeft overgegeven, en ik zal hem Christus niet prediken, ik zal niet voor hem bidden, gelijk ik voor de duivelen niet bidden zal. Ik geloof een eeuwige, vrijmachtige, onvoorwaardelijke verkiezing....maar ik geloof ook evenzeer, dat wij aan allen zonder onderscheid de Heere Christus moeten prediken. Hem aan allen door die prediking moeten aanbieden, allen tot geloof en bekering met alle mogelijke drangredenen moeten vermanen,....niemand zal ooit kunnen zeggen, dat hij uit kracht van Gods besluit verloren gaat, maar omdat hij het leven niet gewild heeft!"

Men heeft - zo gaat ds. Gezelle Meerburg voort - mij wel eens gezegd dat wij de dode zondaar alleen moeten voorstellen hoe ellendig hij is en wat hij te wachten heeft, maar hem niet op Christus wijzen moesten. Doch indien dit onze regel moest zijn, dan zouden wij hem niets meer zeggen, terwijl hij dan ook het eerste niet horen kan. Neen, zo zou er aan duivelen gepredikt moeten worden, niet aan mensen".

Brutale vakantie

Hoe kernachtig Wisse een en ander kon zeggen moge blijken uit een uitspraak als hij oproept tot het houden van een bede- en boetedag (dat was in 1966). Woordelijk zegt hij: „Zouden de daartoe aangewezen organen niet eens de hand aan de ploeg slaan? Of moet het eerst nog veel erger worden? Dit is wel de naarste vorm van vakantie. Ja vakantie! die ik ken. Het is meer dan nodig, dat we eens vakantie nemen van ons brutale vakantienemen van de ware vreeze Gods".

Wederkomst

In het andere, opnieuw uitgegeven boekje, spreekt Wisse over de wederkomst des Heeren. Geschreven in 1964 had dit ook in onze dagen geschreven kunnen zijn. Ook hier weer komen de bijzondere gaven van deze professor naar voren. Ook hier weer schrijft hy op de hem eigen wijze. Het is aanlokkelijk om ook uit dit geschrift het een en ander te citeren. Wij willen echter graag wat voor u overlaten.

Zondecultuurtent

Een ding echter: schrijvende over de dagen van Noach lezen we: Er waren te dien tijde reuzen op aarde, mannen van naam. Reuzen niet slechts naar de gestalte van hun lichaam, maar stellig niet minder in figuurlijke zin, reuzen naar de geest, cultuurreuzen. Gelijk we ook in onze dagen daarvan kunnen spreken. Mammonreuzen, militaire reuzen, sportreuzen, kunstreuzen enz. In de tent van Lamech vinden we het centraal bureau. De zondecultuurtent. In deze tent vinden we de drie zonen, de pioniers der zgn. beschaving.

Jabal, de vervaardiger der tenten met hun veekudde rondom zich, de grondslag, de inzet der sociale samenleving, met al de sociale toestanden, vraagstukken en worsteling daaraan verbonden, de georganiseerde mens en arbeider, die zulk een geweldige plaats zal innemen in de geschiedenis. En dan Jubal, de vervaardiger der muziekinstrumenten, het leven vraagt nu eenmaal om kunst, vooral muzikale kunst, want men zal trachten daardoor het leven op de been te houden. Men vraagt te midden van het uitgemergelde leven naar muziek om de muziek.

Zang en muziek zijn nu eenmaal van de hemel, behoren tot de hemel en zijn bestemd voor de hemel, geen wonder dat deze dan ook wordt opgeroepen om als karikatuur dienst te doen bij het gemis van de vreugde des hemels.

En dan die derde: Tubal-Kaïn, de vader van de industrie. In deze sociale samenleving (Jabal) met haar kunstmatige vreugde (Jubal) is Tubal-Kaïn de sluitsteen: industrie en techniek, die grondstoffen van metaal en techniek bewaart tot machtscultuur".

Golfslag

Ten slotte willen wij nogmaals stellen dat wij uitgeverij De Banier dankbaar zijn voor deze heruitgaven. Wij hopen dat deze brieven in boekvorm de weg zullen vinden naar veel gezinnen. Het is, zeker in onze tijd, alleszins de moeite waard om nog eens naar deze van God geleerde godgeleerde te luisteren. Het ware te wensen dat ons aller deel zij zoals hij eindigt in zijn besluit, dat nog geen slot is: „Als de laatste golfslag over het hoofd zal gaan en we wegzinken in schijnbare diepte-afgronden en het laatste levenslicht geblust wordt, en de afgetobde boezem hijgend stamelt: O, Heere, waar ben ik? - dan zal het antwoord uit de eeuwige lichtzaal ons tegenklinken:
Kind, gij zijt thuis.
Thuis in het Vaderhuis.
Thuis bij Vader.
Zo doe de Heere ook aan ons.
Amen"

N.a.v. „De Wederkomst des Heeren", 86 blz., en „Avondrood" 96 blz., door prof. G. Wisse, uitgave „De Banier", Utrecht, 1976, prijs ƒ 9,75 per stuk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.