+ Meer informatie

III. De Deugden Gods (i.)

GODS ALWETENDHEID

4 minuten leestijd

Leer en Leven (51)

De eerste uit de rij der mededeelbare eigenschappen Gods is Zijn alwetendheid. Deze deugd behoort tot het verstand Gods. Wij, mensen, weten wel wat met het verstand bedoeld wordt. Het is het vermogen, het zintuig, waardoor wij kennen en weten. Het is het sieraad, waardoor de mens zich onderscheidt van het redeloze schepsel.

Sprekend over Gods alwetendheid moeten we daar echter niet een menselijke voorstelling van maken. Door middel van de zintuigen — het zijn er vijf: gezicht, gehoor, gevoel, smaak en reuk — krijgen wij kennis van hetgeen buiten ons is. Wij kunnen die kennis aankweken, vermeerderen, maar ook verwaarlozen. De mens redeneert, oordeelt, overweegt en besluit en komt dan langs de weg van leren en oordelen en wikken en

wegen en nadenken door het ene tot de kennis van het andere. Zo echter is het hij de Heere God niet! Zijn kennen is een onmiddellijk kennen; Hij heeft voor Zijn kennen geen middelen, geen zintuigen, geen studie, geen ervaring nodig. Gods weten en kennen, is een aanschouwen, een rechtstreeks bewustzijn. Hij weet alles tegelijk; Hij ziet met Zijn alomtegenwoordig Wezen als met één oogopslag alle dingen in hun geheel en iedere zaak in het bijzonder; niet slechts uitwendig en oppervlakkig, maar dóór en dóór. Gods wetenschap dringt door tot in het diepste van al wat is en leeft in en buiten Hem. Die wetenschap is dan ook volkomen wdér, duidelijk, volledig, juist en gewis. Er is geen dwaling, verwarring of twijfel mogelijk.

dwaling, verwarring of twijfel mogelijk. Wij mensen kunnen vergeten, wat we eens geweten hebben; dat geschiedt als het geheugen ons in de steek laat; of het gebeurde lang geleden is. De beelden in ons geheugen gaan dan vervagen en verdwijnen. Maar dit is bij God ten enenmale onmogelijk. Bij Hem is er immers geen verleden tijd en geen voorheen. Het is bij Hem altijd n u, altijd heden en nooit anders. Daarom is Zijn wetenschap niet slechts allesomvattend, maar ook altoosblijvend. Gods kennis kan niet toe-en niet afnemen.

niet afnemen. Zo kent God dus alles, wat kenbaar is. Hij kent Zichzelf en alle dingen buiten Hem, werkelijke en mogelijke, verledene, tegenwoordige en toekomende. Hij kent het getal der sterren. Hij noemt ze allen bij name. (Ps. 147 : 4). Hij kent mens en dier; Ja, Hij weet al onze daden, onze woorden, zelfs onze gedachten.

Voor het kind van God is deze alwetendheid Gods een reden tot blijdschap, hoewel het voor de onverzoende zondaar een oorzaak van verschrikking moet zijn. Hij kent al de noden en behoeften van Zijn zuchtend volk. Daarom sprak Jezus tot Zijn discipelen: Uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. (Matth. 6 : 8).

God weet ook alle toekomende en toevallige dingen, Hij weet ook de vrijwillige handelingen des mensen, al willen de Pelagianen en Socinianen daar niet van weten. De Heilige Schrift leert dit immers duidelijk, dat Gpd zelfs van de klenste dingen de nauwkeurigste wetenschap heeft, zelfs van de onverschilligste en willekeurigste handelingen. Want, wat is toevalliger, wat hangt meer van de vrije wil des mensen af dan zijn zitten en zijn opstaan, zijn gedachten en zijn woorden ? En zie, dit alles, zegt ons de Schrift, weet God van te voren. Ps. 139 : 2 en 4: Gij weet mijn zitten en mijn opstaan. Als er nog geen woord op mijne tong is, zie, Heere, Gij weet alles."

Die wetenschap, dat de Heere alwetend is, is een troost van oneindige waardij, voor al diegenen, die het zelf niet meer weten. Ze roepen het dan ook wel eens uit: Heere! als ik het dan niet meer weet, welnu, dan weet Gij het gelukkig nog!" Zeg mij, is dat niet de taal van menig ontrust gemoed, dat tenslotte alleen rust kon vinden in de alwetendheid des Heeren? Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor de Heere verborgen en mijn recht gaat van mijn God voorbij? Weet gij het niet? hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Eris geen doorgronding van Zijn verstand. (Jes. 40 : 27—28)

Hij kent alle schepselen door en door, maar de Zijnen kent Hij in het bijzonder. Zij kunnen Hem dan ook niet tegenvallen. Wèl zichzelf! En elkander! Maar God nooit, want:

Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten; Hoe zwak van moed, hoe klein zij zijn van krachten, En dat zij stof, van jongsaf, zijn geweest.

(Ps. 103 : 7, ber., gewijzigd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.