+ Meer informatie

Gesprekskringen in de gemeente

10 minuten leestijd

Ontstaan

Elk jaar komt op de belijdeniscatechisatie tegen het eind wel eens de vraag aan de orde: Als we nu straks geloofsbelijdenis hebben gedaan, hoe gaan we dan verder de gemeente in? Als er niets gebeurt, betekent deze prachtige belijdenis feitelijk alleen maar dat we er op achteruitgaan. De wekelijkse catechisaties, die jarenlang voor regelmatig onderling contact zorgden, vallen weg juist als dit contact tot een fijn hoogtepunt kwam, omdat het plichtmatige verdween en de persoonlijke betrokkenheid meer en meer stimuleerde tot openheid tegenover elkaar. Is de openbare geloofsbelijdenis niet het begin van een zekere eenzaamheid in de gemeente, zelfs ondanks het met elkaar mogen zitten aan de Avondmaalstafel? Of met andere woorden: hoe kunnen we straks tegenover elkaar als leden van één gemeente met wat we geleerd en beleden hebben werkelijk functioneren?

In de regel worden de jonge belijders niet direkt door de kerkeraad „verdeeld” over de verschillende commissies, voor zending, evangelisatie enz. Waarom eigenlijk niet? Maar al zou dit gebeuren, dan gaat het daarin alleen maar om een bepaald werk, maar niet om het elkander kennen en dienen als leden van één gezin. Samen geloven is méér dan de schouders onder hetzelfde stuk werk zetten.

Vroeger hadden we onze verenigingen, maar de jonge belijders voelen zich vaak een beetje ontgroeid aan de jeugdclubs, doch tevens veel te jong voor de mannen- en vrouwenverenigingen. Wat dit betreft zaten ze tussen wal en schip. Daarbij, of mede daardoor, staan we voor het feit dat de verenigingen niet meer zo „in” zijn. Met enkele uitzonderingen is het algemene beeld: jeugd die zich door fusies nog overeind houdt; mannenverenigingen die zware bloedarmoede lijden door gebrek aan leden; alleen de vrouwenverenigingen bloeien ( nog ). Maar met elkaar omvatten die verenigingen slechts een klein deel van de hele gemeente.

In mijn eigen omgeving (ik ben te weinig geïnformeerd om over het geheel te oordelen) voelde ook de kerkeraad dat er t.a.v. het onderlng contact iets moest gebeuren. We zijn begonnen met wijkavonden: elke wijkouderling organiseerde in zijn rayon een paar keer per jaar een ontmoetingsavond; hij zorgde voor een inleiding, bracht een gesprek op gang, maar stelde ook het samenleven in de wijk aan de orde: werden alle zieken bezocht, werd waar nodig geholpen, bleven we geen vreemden voor elkaar? enz. In de éne wijk sloeg dit beter aan dan in de andere. Vooral het leeftijdsverschil was wel eens een hindernis. Jongeren voelden zich in deze aanpak eerder thuis dan ouderen. Bijzonder goed functioneerde deze opzet t.a.v. nieuwingekomenen (en die waren er nogal veel).

En toen kwamen de gesprekskringen bijna vanzelf van de grond. Het begon met een kring van oud-belijdeniscatechisanten, die zich al spoedig splitste vanwege het te grote aantal deelnemers. Er kwam een groep van boven de 25 jaar en één van jongeren. Bij die laatste wilden zich al spoedig ook doopleden van plm. 20 jaar aansluiten, want ze vonden er méér dan op de jeugdvereniging (wéér dus dat leeftijdsverschil). Een groep ouderen namen er een voorbeeld aan en vormden een eigen Bijbelstudiegroep. En hier en daar gingen de wijkavonden over in de veel vaker (ééns per maand) samenkomende kring, waarbij sommigen over de wijkgrenzen heen zich aansloten. Een enkeling is lid van meer dan één kring. Nergens is een bestuur, soms is er één gespreksleider, soms doet men het om de beurt. Dat hangt helemaal van de samenstelling van de kring af. Er wordt regelmatig vergaderd. Voor zover ik weet komt het hoogst zelden voor dat een vergadering niet kan doorgaan.

Motief

Ontmoetingen van gemeenteleden buiten de officiële eredienst om zijn in de kerk niet iets nieuws. Lang voor de verenigingen bestonden er reeds de zg. gezelschappen, ons uit de kerkgeschiedenis en misschien nog uit eigen leven wel bekend. Het waren de kringen van gelovigen, die met elkaar spraken over de omgang met de Here en over de praktijk der godzaligheid.

Over deze gezelschappen is veel kwaads verteld. Het is onmiskenbaar dat zij lang niet altijd aan het doel beantwoorden. Aan de andere kant weten we dat de Afscheiding veel aan die gezelschappen had te danken. In tijden waarin van de kansel het evangelie niet werd gebracht, leefde het ware geestelijke leven voort in de gezelschappen. Dat zij dreigden te worden de kerkjes in de kerk, lag niet aan de leden van het gezelschap maar ook aan de ambtelijke gebreken van de kerk.

Trouwens ook de verenigingen stonden in het begin onder felle kritiek. Wie nagaat hoe zo’n 50 jaar geleden de plaatselijke verenigingen en de bonden van sommige kerkeraden tegenwerking ondervonden, vraagt zich wel eens verbaasd af of men dan geen oog had voor een goed onderling contact in de kerk. Ik meen dat hier het eigenlijke motief ligt voor de gesprekskringen, evenals voor de verenigingen en gedeeltelijk ook voor vele oude gezelschappen. Zij zijn niet in de eerste plaats geboren uit kritiek op de officiële kerk, maar zij zijn en willen zijn een functionering van het eigenlijke kerkelijke leven. Niet uit kritiek op de prediking, maar opgeroepen door de juiste, schriftuurlijke prediking. Immers, hoe schoon onze sobere, calvinistische eredienst ook moge zijn, en hoe trouw het huisbezoek ook mag worden gebracht, wat Schrift en Belijdenzs ons zeggen over waarachtig kerkelijk leven is veel meer dan het ambtelijke werk.

Wat de Schrift betreft: het gonst in de eerste christelijke kerk van onderling dienstbetoon. Er werd samen gejuicht en geleden, er werd samen gesproken en geloofd. In de kerk van Korinthe was er veel fout gegaan, maar één ding is duidelijk: men trachtte elkaar te bereiken met de ontvangen gaven in de samenkomst der gemeente, zo zeer zelfs dat Paulus hier en daar zegt: doe dat maar thuis! Het eenrichtingsverkeer van onze eredienst, waar de gemeente haar reactie op de prediking gedicteerd krijgt door de predikant, geeft daarvoor geen plaats. Ik zeg niet dat dit, gezien de grootte van onze samenkomsten, ook mogelijk zou zijn (het ware eens te overwegen).

De Catechismus zegt in het bekende antwoord over de gemeenschap der heiligen, Zondag 21, o.a.: dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid van de andere lidmaten aan te wenden. Dit zal beslist buiten onze eredienst moeten geschieden, want daarbinnen is hiervoor geen plaats. Het enige dat wij in het kader van de dienst elkaar aangeven zijn de collectezak en … de schotel en beker van het Avondmaal.

Maar dat doorgeven van schotel en beker vraagt eenvoudig om de mogelijkheid elkaar de Here Jezus Christus door te geven. D.w.z. de eredienst vraagt om de nadere ontmoeting, het nader elkaar leren kennen, het ontdekken wat de ander behoeft aan troost, hulp, versterking, terechtwijzing; het vraagt om gemeenschap, gemeente-zijn in multilateraal verkeer. Echt gemeente-zijn staat tegenover elke vorm van geestelijk agoisme en individualisme, van alleen voor zichzelf verkrijgen en voor zichzelf nouden. In déze zin is zalig-worden beslist niet een „persoonlijke zaak”, een zaak voor iemand alleen. De gemeente is erbij betrokken en moet erbij betrokken blijven, want elke gelovige is lid van het kerkelijk gezin! Daar komt nog iets bij. Het is onmogelijk om van predikant en ouderlingen te verwachten dat zij aan de gemeente kunnen geven wat de gemeenteleden aan elkaar kunnen schenken. Ik denk maar weer aan Korinthe, de gemeente met de menigerlei gaven. Daar staat óók van de herders en leraars dat zij niet alle gaven hebben ontvangen. Ik mag dat óók vertalen in de zin van: zij weten ook niet alles! Weet die dominee zoveel van het zakenleven af dat hij de zakenlui in zijn gemeente alles kan geven wat zij als christenen behoeven? Kan hij het laatste woord spreken in de problemen van de verhoudingen in de fabriek? Dàt geloof in de dominee zijn we toch zo langzamerhand wel kwijt!

Gespreksinhoud

De reglementen van de vroegere verenigingen gaven vaak als doel aan: elkaar bekwamen voor de taak die we als christen hebben in huisgezin, kerk, staat en maatschappij. Dat was nogal wat voor b.v. een jongelingsvereniging. Maar al klonk het hoogdravend, eigenlijk sprak het vanzelf: ons geloof heeft met het hele leven te maken, dus praten we ook over het hele leven!

Om dezelfde reden zal het gesprek op de kring mogen gaan over alles, waarmee ons geloof te maken heeft, en over de wijze waarop men als christen deze zaken mag beleven. Een beperking is hier moeilijk te geven. Deze zal gevonden worden in de kring zelf. De wijze waarop deze is samengesteld zal tot gevolg hebben dat bepaalde onderwerpen niet in het gezicht komen. Ik zie de jongste leden echt niet direkt praten over zware huwelijksproblemen. Maar er is door deze persoonlijke inbreng volop gelegenheid om de verhouding tussen persoonlijk geloven en het dagelijks leven aan de orde te stellen. Gevolg kan zijn dat men als leden van de kerk eens anders tegen elkaar aan leert kijken. In onze kerk met haar liggingen is dat wel nodig!

Samenstelling

Een gesprekskring van de gemeente zal rekening moeten houden met die gemeente. De kerk is geen genootschap van sociaal gelijk te stellen lieden. Ook geen club van mensen met dezelfde interesse. De kerk wordt niet door ens samengesteld, haar leden niet door ons bij elkaar gebracht.

Daarom moet de kring ertegen waken dat zij een coterietje wordt (altijd een grote bedreiging van de kerk!). Het behaagt Jezus Christus mensen bij elkaar te brengen die zo op het eerste gezicht en gehoor helemaal niet bij elkaar passen, maar wij hebben elkaar te nemen, te aanvaarden. Bij ons zal misschien de neiging ontstaan de eigen richting te laten prevaleren. Dan krijgen we een „lichte” en een „zware” kring. Dat zou de ontbinding van de gemeente zijn. Het gaat er om dat we elkaar leren dienen met wat we hebben. Het kan ook nodig zijn dat iemand van de éne kring, die goed in staat is leiding te geven, zich beschikbaar stelt voor een andere kring. Omgaan met elkaar vraagt nu eenmaal de bereidheid om zichzelf te verloochenen. En verder moet een kring vrij kunnen groeien, mits maar niemand wordt afgestoten omdat er voor hem nooit iets bij zit.

Kerkelijk toezicht

Natuurlijk heeft de kerkeraad te maken met dit stuk van het gemeentelijk leven. De kerkeraad kan deelname aan een kring stimuleren en vooral die tussen wal en schip zitten, zoals militairen, verpleegsters, mensen die wat verlegen zijn, broeders en zusters die misschien wel wat eigenaardig zijn, in het oog houden. Zij horen toch ook bij de gemeente.

En verder kan op heel veel manieren iets fout gaan. Een bepaalde kring kan de eenzijdige belangstelling van één der leden als een stempel meekrijgen. Zo iets van: in die kring gaat het altijd alleen maar over maatschappij-vragen b.v. Sommigen kunnen in zo’n kring oude frustraties uitleven, hun stokpaardjes willen berijden, een beetje dominee willen spelen enz. Ach, waarom zou het gezelschap van vroeger wel die gevaren hebben vertoond en de gesprekskring er bij voorbaat vrij van zijn? Het gaat om mensen, kerkmensen weliswaar, maar mensen die tot alle boosheid geneigd zijn. Om zulke mensen gaat het in de kerk altijd. Mensen, die genade behoeven, en mensen die geroepen worden elkaar die genade des Heren te laten zien.

Gesprekskring, dat is dienst aan elkaar. En na het gesprek komt het betoon van de liefde. Als die maar leeft, dan komt veel goed.

En de kerkeraad kan de vinger bij de pols houden. Zo nodig waarschuwen en adviseren. Want het doel is, dat het geestelijke leven blijft kloppen en we allen ònze schatten en gaven aan elkaar ten dienste stellen, zoals Christus Zíjn schatten en gaven ons ten dienste stelt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.