+ Meer informatie

EMANUELS ONDERTROUW

5 minuten leestijd

7.

Wat nu volgt is het laatste gedeelte van de brief van een vriendin aan de bruid in haar zeer desolate, arme, eenzame en bedrukte toestand.

Dat ge uzelf zo veel vrolijke en voorspoedige dagen hebt voorgesteld, is, omdat ge Emanuels wegen naar uw eigen gedachten hebt afgebeeld, daar toch Zijn gedachten niet zijn onze gedachten, noch Zijn wegen de onze. En omdat ge niet gelet hebt op de ondervinding van zeer velen, die ook dit huwelijk hebben aangegaan. Want als ge dat gedaan had, zoudt ge gevonden hebben, dat iemand uit droefheid en twijfelmoedigheid (omdat Emanuël Zich niet openbaarde) vroeg: hebben Zijn toezeggingen een einde? Een ander uit dezelfde oorzaak hebben horen klagen: de Heere heeft mij vergeten, de Heere heeft mij verlaten. Dat Hij echter sommigen somtijds in gunst ontmoet, is niet omdat Hij met de andere niet ondertrouwd is of deze minder liefheeft, maar omdat Hij dit volgens Zijn vrije bedeling zo goed en best vindt.

Leg dan uw verstand in het toekomende voor Zijn voeten neer. Geef het ganse bestel vrijwillig in Zijn hand. Oefen u om een nauwkeurige kennis te hebben van het huwelijkskontrakt en al wat daaromtrent is. Voeg u bij het gezelschap van al de ondertrouwden, waar Hij veeltijds in ’t midden komt. Zend Hem menigmaal een bode en schrijf Hem dikwijls een briefje, mogelijk of ge ook een extra-ordinair antwoord ontvangt. Maar zo niet, zo denk, dat er reeds een antwoord in het kontrakt ligt: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. Geloof Hem op Zijn woord, dewijl Hij getrouw en waarach tig is. En hoop zo op een onfeilbare vervulling van al Zijn beloften.

Eindigende wens ik, dat Emanuël zij enblijve de lust van uw ogen, het leven van uw hart en het enige doel van al uw zoeken. En dat Hij u doe geloven en bevinden, dat Hij u zal blijven die Hij is.

En zo blijf ik, waarde vriendin, UE. liefdensschuldige.

Dit is het einde van de derde brief. Nu volgt de vierde, het antwoord van de bruid aan haar vriendin.

O, wat is mij dat een aangenaam briefje, waarlijk het is een woord, gesproken naar mijn hart. Ik zou mij voorstellen, dat mijn vriendin (dus schrijvende) naar de aard der liefde (welke somtijds wat blind is) met mij handelde, als niet de konditie, waarop de vertroosting gefundeerd is, daarnaast was gesteld en de beproeving aan mij zelf bevolen. En als ik die dan tot mijzelf breng, zo kan ik niet loochenen, of ik vind mij alleszins zo ellendig, ’t Is waar, dat het mij zo gevoelig niet smart als mijn ellende wel groot is, echter bevind ik mij zo ellendig te zijn, en ik acht, dat die ongenoegzame smart mij n ellende vergroot. Ook ben ik niets anders bewust, of ik wenste (zodanig als gezegd is) met Emanuël ondertrouwd te wezen en door Hem op zo’n wijze geleid te worden, dat ik van al mijn ellende bevrijd zijnde Hem alleen en in alles mocht behagen en gedurig als Zijn eigendom in Zijn nabijheid leven, begerende geenszins gelijk te zijn aan die klapachtige vrouwen, die ledig bij de huizen omgaanen ijdele dingen doen, maar zo een, die in de morgenstond opstaat en wier hand de spinrokken vat, haar huis met dubbele kleding versiert en maakt, dat haar Man geëerd wordt in de poort. Ik weet wel, dat die zich inbeeldt of veinst een eerbare vrouw te wezen, dezelfde begeerte zal voorgeven, waarom ik ook menigmaal denk, of mijn begeerte niet is als die van de luiaard, wiens handen weigeren te werken, en dat ik mij hierom in deze betuiging bedrieg, dewijl ik die praktijk zo weinig bereikt heb. Maar mij is echter niet bewust, dat ik met zulk voorgeven noch met simpel begeren voldaan ben en ik weet niet anders, of ik wenste dat mij alle bedrog ontdekt en ik daarvan gezuiverd was en dat ik bekwaam was om dat alles te doen. En dat wordt bewezen een zeker blijk te zijn van de ware ondertrouw.

Och, dat Emanuël dat op mijn hart gelidfde te verzegelen. En dewijl Hij het alleen is van Wie ik dit en alles ontvangen moet, wat blijf ik dan langer bij en in mijzelf nederzitten? En waarom houd ik mijzelf dan nog langer met mijzelf op? Waarom dan niet liever die raad opgevolgd van post op post, of wens op wens naar boven te zenden en Hem een briefje geschreven, of Hij mogelijk uit Zijn innig mededogen en overvloedige goedheid mij een gunstig antwoord deed toekomen? Maar hier sta ik bijster verlegen, dewijl ik mij onbekwaam vind om een goede letter op ’t papier te stellen, en niet weet op welke wijze Emanuël het best aan te spreken. Ik heb een afkeer ervan gelijk te zijn aan die hoofse vlijers, die gezet zijn op een deel hoge titels en grote eer-namen (naar de kunst der welsprekendheid) voort te brengen en het daarmee voldaan achten, al hebben zij zelfs niet de minste eerbied in hun hart. Ook durf ik mij niet gelijk te stellen aan hen, die door een familiare omgang met Emanuël Hem op de beste wijze leren ontmoeten. Ik durf Hem ook niet aanspreken als mijn Emanuël, mijn Bruidegom, want indien Hij in waarheid de mijne niet was, zo zeg ik onwaarheid en Hij kon mij beschaamd maken. Noem ik Hem heerlijk of beminnelijk, zo ben ik overtuigd, dat ik Hem zo niet bemin, noch een rechte indruk van Hem heb. Maar is dan ook Emanuël één van hen, die een mens schuldig maken om een woord? Immers neen. ’k Zal dan, hopende dat Hij in vrije goedheid de kwade letters, verkeerde spelfouten en de woorden, die teveel of te weinig, te laag of te hoog mochten zijn, gunstig zal overzien of verbeteren, tot de zaak zelf overgaan.

Zo eindigt deze brief. De bruid haast zich nu een briefje te schrijven aan Emanuël.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.