+ Meer informatie

De gevolgen van belletje drukken

deel 4

4 minuten leestijd

Meneer kijkt voor zich.

Karel kijkt uit het raam. Corné loopt voorbij. Hij ziet Karei gelukkig niet zitten. Karei ziet dat het grintpaadje helemaal niet netjes meer is. „Meneer", zegt hij. „Zal ik het grintpaadje voor u harken? " „Dat is goed jongen, want ik kan het niet meer zo goed. Maar luister eersteven naar mij. Jaren geleden was ik ook heel verdrietig. Misschien nog verdrietiger dan jij nu. In dit huis werden twee lieve babytjes geboren. Twee jongetjes. We waren zo blij, mijn vrouw en ik. Maar na twee dagen lag het éne kindje ineens dood in het bedje. Wat waren we toen verdrietig. Als de Heere het wil, kan jouw broertje terugkomen uit het ziekenhuis. Maar ons kindje was gestorven. Toen het andere kindje twee jaar was, gingen we met z'n drieën in de auto op visite bij onze familie, die ver weg woont. Ik keek niet goed uit. We kregen een ongeluk. Mijn vrouw en ons kindje zijn kort daarna alle twee gestorven. Ik had zo'n verdriet. Ik wilde alleen maar hier in dit huis zijn, waar ik gelukkig was geweest met hen. Ik moest heel veel huilen. Ik durfde niet goed de straat op, want alle mensen keken naarmij. En als ik dan midden op straat moest huilen? Wat zouden de mensen dan wel zeggen? " Ja, dat kon Karei wel begrijpen. Hij was er stil van. „Eerst kwamen er nog wel eens mensen bij mij. Maar ik was toch altijd stil en verdrietig. Ik zorgde zelf wel dat alles netjes bleef. Net zoals toen mijn vrouw nog leefde. Nu komen er bijna nooit mensen meer. Jij vindt het zeker erg zielig voor jezelf datje broertje juist nu geboren is? " Karei knikt. „Ik vond het ook erg zielig voor mezelf. Ik was een beetje boos op de Heere God. Toen werd het hier zo stil en er kwam bijna niemand meer. Toen gebeurde er iets heel moois. De Heere zocht mij op. In die tijd heeft Hij me geleerd dat alles wat Hij doet goed is. O, toen was het een wonder dat de Heere nog elke dag voor mij wilde zorgen. Dat had ik niet verdiend. Ik had zoveel slechte dingen van de Heere gedacht. Ik durfde haast niet te geloven dat Hij niet boos meer op mij was. Maar de Heere heeft Zelf tegen mij gezegd: „Ik ben het die uw overtredingen uitdelgt." „Bent u niet boos meer op mij? ", vraagt Karei dan bedeesd. „Nee jongen." „Maar toen ik belletje gedrukt had, was u wel boos hè? " Nu moet meneer lachen.

„Ja jongen, ik vond het zo vervelend om elke keer voor niets naar die deur te lopen. Ik had geen zin om jouw moeder op te bellen. Dan had je van haar misschien nog wel meer straf gekregen dan je nu van mij gehad hebt. Je kleren zouden zo weer drogen. Ik had heel veel plezier toen ik jou zo zag afdruipen en ik was mooi van het belletje drukken af! Maar dat van die bus slootwater was niet goed jongen." Beschaamd slaat Karei zijn ogen neer. „Nee meneer", zegt hij. „Dat had ik 's avonds in bed zelf ook al gedacht." „Maar vertel me nu eens, hoe heet je eigenlijk en hoe heet je nieuwe broertje? " „Ik heet Karei en m'n broertje, o dat weet ik nog niet eens." „Dat zou ik dan maar gauw eens gaan vragen. Kom je het me morgen vertellen? " „Goed meneer, zal ik eerst uw paadje nog harken? Om vijf uur moet ik thuis zijn. Dan kan ik dat nog net doen." „Goed, ga maar door die deur, dan kom je in de keuken. Achter de keuken is de schuur, daar zie je de hark zo hangen." Even later is Karei ijverig bezig. O, wat doet hij zijn best. Als hij klaar is, hangt hij de hark weer netjes op en gaat meneer nog even zeggen dat hij weggaat. ..Bedankt hoor Karei. Zeg, zul je niet vergeten de Heere te vragen of hij ook voor je broertje wil zorgen? " „Nee meneer. Daag."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.