+ Meer informatie

Christus' antwoord tot vrijlating der Zijnen

4 minuten leestijd

„Indien gij dan Mij zoekt, zo laat deze heengaan. (Job 18 : 8b.)

Wat waren de dienaren der' overpriesters en Schriftgeleerden blind voor hetgeen ze deden. Zij waren uitgezonden door deze machtigen en vijanden van de waarheid Gods om de Heere Jezus gevangen te nemen. Dat was hun opgedragen, door de geweldige blinde leidslieden der Joden, en de ganse bende was naar Gethsémané gekomen om de Grote Knecht des Vaders en de Borg der Zijnen gevangen te nemen. De ure van de macht derduisternis was gekomen. Macht zouden ze over de Heere niet hebben, indien het hun niet van boven gegeven ware. Goddelijk wonder en zalig heilgeheim. Immers zij, noch wij, kennen van nature het wonder van Christus' borgtocht. Het is uitnemend dat se de schriften onderzoeken en op zichzelf rr r '".svaardig, maar daarmede kennen we niet het GocL< .. .t der verlossing en wat daartoe nodig was.

Dit wonder wordt alleen de kinderkans geopenbaard en blijft voor de wijzen en verstandigen verborgen. Wij verstaan niet dat achter deze vijandschap der joden de eeuwige en onveranderlijke raad des Heeren staat. Petrus zegt het zo schoon in zijn magistrale Pinksterrede: eze, naar de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde. En Christus moest deze dingen lijden. Hij was met Zijn hart Borg geworden bij de Vader, naar Vaderlijke verordening. Hij moest tot zonde worden en is dat van de Vader gemaakt, naar 2 Cor. 5 : 21. Neen, o neen er is wondere genade in geopenbaard dat Christus dit koninklijk bevel gaf. Zij zochten Hem, omdat de Vader Hem zocht en dat , ist de Heere Jezus niet alleen, maar daar was Hij voikomen mee verenigd. Het is Zijn lust geweest Zijns Vaders wil te doen. Zijn discipelen staan er bij. Trachten wel, althans Petrus deze gevangenneming te verijdelen, maar de Heere duldt dat niet. Kan Hij ook niet dulden. Het welbehagen des Vaders moet door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan. O welk een vastigheid en onuitsprekelijke troost voor Gods arme volk dat door ontdekkende genade bekend gemaakt wordt met de eeuwige schuld die ze bij God hebben. De slavernij waaronder ze gebonden liggen van de duivel en de gebondenheid aan de zonde, en dat deze gezegende plaatsbekledende Borg nu in hun plaats gesteld is en gekozen is en ter hunner vrijmaking Zich geeft, opdat zij in de zaligende toepassing door de Heilige Geest en in de oefeningen des geloofs mogen zingen: eer mijne ziel tot uwe ruste weder; Gij zijt verlost, God heeft U welgedaan. Mijn jonge vrienden, zowel als ouderen, wie dit ook leest, het is gelijk ik reeds

opmerkte uitnemend dat we in de schriften wèl onderlegd zijn. Wij zijn daartoe zelfs geroepen dezelve te onderzoeken, maar o weet toch dat We met al de kennis die we van de waarheid hebben, geen deel aan deze vrijmaking door Christus hebben. Hoe nodig is het dat de Heere die vrijmaking heerlijk maakt aan ons en in ons. Dat is het werk des drieënigen Gods. Neen, ik zeg niet dat de kennis der ellende en het gevangen liggen onder de zonde en het in slavernij leven van de duivel voorwaarden zijn tot de zaligheid, maar die kennis is wel vrucht van de genade Gods en anders kennen we die allerdroevigste staat niet. De Heere maakt in zulk een weg plaats niet alleen voor de noodzakelijkheid van Christus, maar voor de Persoon van de Heere Jezus zelf. Deel te hebben aan de persoon, geeft deel aan al Zijn weldaden. O dat de Heere onze blinde zielsogen opende en we in deze benarde dagen van dat goddelijk wonderwerk ter zaligheid eens wat mochten vernemen. Het is zo broodnodig tegen al de oppervlakkige beschouwingen de waarheid Gods te doen horen. Jonge mensen, we hebben zo nodig dit ontdekkende werk des Gt.estes te kennen. Ge moogt er de Heere om vragen of H, j U wil bekeren zo als Hij al Zijn volk bekeert.

Hij lere ons bidden door Zijn Geest. Hij geve Zijn bedrukte volk die ruimte in de zalige gemeenschap aan Christus om in Hem de verlating te leren kennen. Het is zulk een koninklijk bevel van de Middelaar: „Laat dezen heengaan". Dan moeten de vijanden hun prooi loslaten. Dat de Heere meer en meer het heilgeheim in Christus lere kennen. Niet onze bekering geeft de vrijmaking, noch het recht daartoe, doch het is de waarachtige bekering om steeds meer te leren kennen dr vrijmaking in Hem en door Hem. Laat niemand ooit zo verwaten zijn te denken dat zijn wonder-bekering het geeft. Maar het dierbare werk van de Heere Jezus toegepast door de Heilige Geest. Dit zal in de oefeninge 1 nooit geen grote mensen doen geboren worden, doch steeds meer in diepe verwondering doen buigen aan de trcon der genade en doen uitroepen met de dichter: „Gij deed mij in de ruimte gaan." Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.