+ Meer informatie

Onvervuld verlangen

5 minuten leestijd

DE DICHTER J-C. BLOEM

Dichters en dichteressen vermogen in woorden, met grote zorg gekozen, uitdrukking te geven aan de gewaarwordingen, die van buitenaf of van binnenuit doorleefd worden. Wanneer w§ bijvoorbeeld een mooie zonsondergang zien, dan brengen we het in de regel niet verder dan te zeggen , , Wat is dat mooi!" We ondergaan de ontroering wel, maar we hebben geen woorden om die uit te drukken. Als we aan de zeekust staan en we zien die uitgestrekte watervlakte, met de nooitrustende golven, dan worden we even stil, maar we kunnen moeilijk dat overweldigende uitspreken.

Sommige dichters zijn in hun woordenkeus heel eenvoudig, andere zijn minder goed te vatten. Pas na 1 herlezing, twee-, drie keren, gelukt het soms de zin te vatten.

De dichter J. C. Bloem, van wie we vorige maal hoorden hoe een vers ontstaat, schrijft zijn ontroeringen op in eenvoudige taal, die dicht bij het gewone spreken staat.

De inhoud van zijn werk bestaat voornamelijk uit: verlangen en teleurstelling, lente en herfst. Zijn eerste bundel heeft als titel: „Het verlangen." Hij verstond er onder: „Het verlangen is niet de ontevi-edenheid om een gemis, die een leven, dat overigens zo kalm als een sloot zou zijn, vertroebelt met haar slijmerig kroos; het is de goddelijke onvervuldheid, die wel verre van ons 't leven tot een last te maken, ons juist de andere onduldbare last des levens doet dragen niet alleen, maar zelfs bovenal beminnen."

Bloem is afkerig van het rumoer en zoekt de eenzaamheid en de stilte. Maar toch ook voelt hij zich verbonden met zijn medemensen. Hij heeft medelijden met wie leden, en dit alles drukt hij in eenvoudige poësie uit, zodat zijn werk een menselijke toon bezit, voor velen verstaanbaar.

Augustinus heeft eens; gezegd, dat ons hart onrustig in ons is, maar wist ook, dat het rust kon vinden in God. Zo is het ook met het verlangen. Er is in dit leven nooit het volmaakte te bereiken en er is een streven om het verlangde te verkrijgen. Een mens die niets meer verlangt is feitelijk al gestorven. Er moeten wensen blijven en verlangens.

Nu is het een groot verschil, waar onze verlangens naar uitgaan. Zijn ze alleen op de aardse dingen gericht, dan ziet het er troosteloos uit. De dichter Asaf verlangde om bij de Heere te zijn. Daarom lustte hem nevens God ook niets meer op de aarde. En Davids vlees verlangde naar God in een land, dor en mat, zonder water. Wordt dit verlangen slechts ten dele vervuld hier op aarde, eenmaal zal het de volkomen vervulling erlangen.

Zij echter, die dit „hogere" verlangen niet hebben, zullen teleurgesteld uitkomen en in moedeloosheid neerzinken of gelaten de dingen die komen zullen, ondergaan.

Het verlangen van Bloem is zeer goed uitgedrukt in deze strophen:

„O de sterfelijken, de beminden, De genooten van deez' feilen tijd, De voor eeuwig door hun hart verblinden: Dronken zoekers naar één zaligheid.

Die de zeeën om een droom bezeilen, Die de landen meten aan hun drift; , Die bij geen verkregen vreugd verwijlen, Altgd smeekend om een andre gift.

Die zóó zeer naar 's levens volheid haken, Zóó van aardsehe liefde zijn doorwond, Dat zij in hun laatsten nacht ontwaken Met een kreet naar 't zonlicht op den mond."

Zó is de mens nu: „altijd smekend om een andre gift." Er is geen toeven bij verkregen vreugde. Er is geen bevrediging. Het driekantige hart kan niet gevuld worden met een ronde aarde. Er blijft ruimte over voor steeds meerdere giften; er is een „haken naar 's levens volheid."

Laten we even luisteren naar Bloem, wanneer hij Scheveningen uitbeeldt bij een mistige wintermiddag.

„Doodstille Decemberdag, Nevel en stilte overal. Geen enkel geluid maakt gewag Van een wereld van schijn en schal.

Landwaarts is het kil, maar de kust Is zoel als een najaarsnoen, Betogen door een rust Als van een eeuwig seizoen.

Na de ijdele praal van feest Schijnt het wanstaltig vertoon Van bouwsels en plompen geest Verheven en bgna schoon.

De zwarte brug in de zee *) *) de Pier. . Reikt naar den wolkenden gloor Van een zon, die niet blonk, en vergleê 1 In den zilveren mist te loor.

Wat visschers langs 't eenzaam strand, En kindren, spelend op straat — En de golven, spoelend aan land, Het geruisch, dat hen nooit verlaat."

Men zou niet zeggen in Scheveningen te zijn, nu in December. Waar zó veel vertier was (ijdele praal van feest), is nu geen enkel geluid meer te horen, een geluid van schijn en schal. Het is zo rustig, dat men niet kan geloven, dat er nog een ander seizoen is; daarom: eeuwig seizoen (denk ook aan: eeuwige sneeuw op de bergen). De Pier, toen nog niet afgebroken, is nu een zwarte brug. En daar was het een komen en gaan, een vlaggenparade, een spel van kleur en licht. Nu is het strand eenzaam: slechts enkele vissers, wat kinderen, en de ruisende golven.

In dit gedicht voelen we, dat Bloem méér wil zeggen dan er staat. We lezen (horen) hier tussen de regels door: Van al het mooie, prettige, schone, dat de wereld biedt, is het slot: stilte, eenzaamheid en trieste verlatenheid. De zon van vreugde en vervuld-verlangen is niet echt doorgebroken; ze heeft niet geblonken, maar is in de mist vergleden. De ijdele praal schijnt verheven te zijn, maar is het niet. Alles is bijna schoon. Het verlangen is niet vervuld. Het loopt heel triest af. Hoe zuiver heeft de dichter deze gewaarwordingen omgezet in klinkende taal!

Hoe nameloos arm is de mens, wiens verlangens niet verder reiken dan dit aardse leven, met een tijdelijk gewaand genot.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.