+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

Door te leven in de zonde moet de mens vanwege die verdorvenheid het genot der zaligheid derven. Zolang het hart de Heere niet aankleeft in de liefde, kan het licht van Zijn vriendelijk aangezicht met aanschouwd worden „Die zijn leven liefheeft, zal het verhezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren tot het eeuwige leven” Vanuit het gelovig denken en willen staat het hart afkerig tegenover de dienst der zonde. En toch welt uit de onzalige fontein van ons verdorven bestaan altijd weer boosheid en bitterheid op. Het gefluister van die stem, het gedurig veranderen van onze gedachten, zijn bewijzen dat de zonde in de wereld is, zij grijpt ons van alle kanten aan. De klacht „O wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon”, is u daarom niet vreemd

„Indien de wereld, waarin Gods licht schijnt, door de mensen begeerlijk geacht wordt, wat moet de hemel, waar God alles in allen is, dan met heerlijk zijn! ” Indien wij van dit aardse leven, dat zoveel lasten en moeite met zich brengt, zo moeilijk kunnen scheiden, wat moet het leven daarboven dan met zijn? Bij het licht van de Heilige Geest gaat Gods volheerlijke heilsopenbaring steeds meer schitteren in het oog van het geloof.

Ieder is geneigd de goedheid van mensen ten zeerste te verheffen, maar wie verheft de goedheid Gods naar waarde? Door te leven bij Gods goedertierenheid tot bekering, gaan wij daaruit spreken en zingen met het verlangen Hem daarin eeuwig te verheerlijken.

„Wij verlaten zelden de dis of er is nog spijze over; zo is er in Jezus Christus meer gerechtigheid en verdienste dan de gehele wereld behoeft”. In het toevluchtnemend geloof klampt het hart zich vast aan de algenoegzame offerande van Jezus Christus tot verkrijging van de verzoening met God. Want door dit woord: „Zo zijn wij dan gezanten van Christus’ wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus’ wege: laat u met God verzoenen”, is het hart daartoe vervrijmoedigd.

Toen Uitlegger geёindigd had al deze lessen te geven, bracht hij hen weder naar zijn tuin en toonde hun daar een boom, die van binnen geheel vermolmd maar toch nog groen was en bladeren droeg. Nu vroeg Barmhartigheid wat dit te beduiden had.

„Deze boom”, zeide hij, „die van buiten schoon, maar van binnen vermolmd is, is het beeld dergenen, wier mond vol is van God, maar die inderdaad niets voor Hem over hebben. Hun hart is alleen nog goed tot tondel voor des duivels tondeldoos”.

Daar het hart van deze boom vermolmd is, kan hij dus nog wel blad maar geen vrucht voortbrengen. Alleen door de vernieuwing des harten is het mogelijk geloofsvruchten voort te brengen. En alle boom, die geen goede vrucht voorbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

Intussen was het avondeten gereed, de tafel gedekt en de spijzen opgediend; allen zetten zich dus neder en toen het gebed was uitgesproken, begon men te eten. Het was de gewoonte dat Uitlegger voor zijn gasten, als zij waren aangezeten, muziek liet maken. Ook speelden de speellieden. Ook was er één die zong met een schone stem. Zijn lied was:


De Heer’ is mij tot steun en sterkte,
Die mij onderhoudt is Hij.
Hoe zou mij dan ook iets ontbreken,
Dat nodig is voor mij?


Toen dit lied en ook de muziek geëindigd was, vroeg Uitlegger aan Christinne, wat haar wel het eerst had bewogen de pelgrimsreis te ondernemen. Christinne antwoordde: „ln de eerste plaats was ik zeer getroffen door het verlies van mijn echtgenoot en ik treurde innig over zijn heengaan, doch dit was slechts natuurlijke genegenheid. Daarna kwamen de moeilijkheden en de strijd van zijn pelgrimsreis mij voor de geest, en ik bedacht hoe hardvochtig ik hem onder die omstandigheden had bejegend. Nu maakte zich een gevoel van schuld in zo hevige mate meester van mijn gemoed, dat ik tot vertwijfeling zou zijn vervallen, indien ik niet in een droomgezicht een blik had mogen slaan op de gelukstaat van mijn man, en ik niet een uitnodiging had ontvangen van de Koning van dat land om ook derwaarts te reizen. De droom en de brief beide werkten zo op mijn geest, dat zij mij dwongen deze weg te gaan”.

Bewogen is Christinne tot het geloof vanuit Gods ontfermende liefde, zo rijk en ruim verheerlijkt in haar man, die nu mag juichen voor Gods troon. In de nodiging van de grote Koning de stad van haar geboorte te verlaten en de reis naar het land van Zijn heerlijkheid te ondernemen, mocht haar hart voor het eerst Gods goedertierenheid smaken. En dat deed haar komen vanuit de dood tot het leven, vanuit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. De Heere is haar te sterk geworden. „Maar”, vraagt Uitlegger, „was er niemand, die zich daartegen verzette? ”

„Ja”, van tegenstand wist Christinne wel te spreken, „een buurvrouw, een zekere vrouw Vreesachtig (ze is verwant aan de man, die mijn echtgenoot van de reis wilde afschrikken). Zij hield mij voor half dwaas, omdat ik zulk een onzinnige zaak ging ondernemen, en deed al wat zij kon om mij te ontmoedigen. Zij bracht mij vooral onder het oog wat mijn man had moeten lijden en doorworstelen, maar dit alles kon mij toch niet afschrikken. Wat mij vooral zeer verontrustte, was een droom waarin ik twee booswichten zag die, naar het mij toescheen, voornemens waren mijn reis te doen mislukken; ja ze hebben mij zulk een schrik aangejaagd, dat ik ieder, die ik tegenkom, met vrees zie naderen of hij mij enig leed mocht doen of mij van de weg afbrengen. Ja, ik wil u, mijnheer Uitlegger, wel zeggen (hoewel ik het niet gaarne aan iedereen zou vertellen) dat wij tussen dit huis en de poort, waardoor wij op deze weg kwamen, zo zijn aangevallen, dat wij genoodzaakt waren moord te roepen, en die twee aanvallers hadden zo grote overeenkomst met hen, die ik in mijn droom had gezien”.

Openhartig heeft Christinne gesproken vanuit de eerste beginselen van haar geestelijk leven, het komen tot de onberouwelijke keus de Heere te vrezen. En vanuit dat nieuwe leven mocht zij steeds krachtiger en duidelijker werkzaam worden tot zegen voor haar en haar gezin. Het is dan ook maar de vraag of de Heere de hoogste plaats heeft gekregen in ons hart en leven.

En nu wendde Uitlegger zich tot Barmhartigheid met de woorden: „En gij lieve, wat bewoog u om herwaarts te komen?”

Maar dat ging niet zo vlot als bij Christinne om daarop te antwoorden. Barmhartigheid bloosde en beefde, en kon gedurende een poosje niet antwoorden. Want juist op dat punt werd zij gedurig zo fel bestreden. En toch wilde Uitlegger iets vanuit haar mond horen, daar het hem verteld was, dat zij zo maar niet meegegaan was. Vanuit haar innerlijk leven weet zij wel iets te vertellen, al is dat niet zo krachtdadig gegaan als bij Christinne en anderen.

„Nu, wees maar niet bevreesd; geloof alleen, en zeg maar wat u op het hart ligt”, sprak Uitlegger met een innerlijke drang om haar aan de gang te krijgen.

Toen begon zij, en zeide: „Waarlijk, mijnheer, mijn geringe ervaring maakt, dat ik liever het stilzwijgen bewaar, en juist dat doet mij weleens vrezen, dat ik tenslotte nog bedrogen zal uitkomen. Ik kan niet, zoals mijn vriendin Christinne, spreken van gezichten en van dromen, en ik heb er geen ondervinding van wat het zegt de raad van goede vrienden in de wind te hebben geslagen”.

Nooit had Barmhartigheid eerder vanuit het leven der genade horen spreken bij haar komst in het huis van Christinne. En dat spreken was haar tot zegen. Hier werden haar blinde ogen geopend voor het geluk van Gods kinderen. Toen Ruth dat zag, verliet zij Moab en kleefde haar schoonmoeder aan. Delende in de gunstbewijzen van Boaz noemde zij zich evenwel nog een vreemde, en toch was het haar keus de God van Israël te dienen.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.