+ Meer informatie

Binding aan synodebesluiten

15 minuten leestijd

Of er ooit een tijd is geweest waarin men de binding aan synodebestuiten en -uitspraken zonder meer als vanzelfsprekend accepteerde in de kerken die wensen te staan in de traditie van de gereformeerde Reformatie? De geschiedenis laat heel duidelijk zien dat dat beslist niet het geval is geweest. De stelling „Roma locuta causa finita” (Rome - d.i. de geestelijkheid, in casu de paus - heeft gesproken, de zaak is af, is uit) werd allerminst door deze kerken onderschreven. En dat niet alleen omdat men de bevoegdheid van „Rome” om het laatste woord te hebben, ontkende en verwierp, maar bovenal omdat men een dergelijke aanmatiging in strijd achtte met wat Gods Woord ons openbaart ten aanzien van de persoonlijke relatie van de gelovige tot God in persoonlijke verantwoordelijkheid die geen exclusieve tussenkomst van wat voor geestelijkheid ook duldt, een tussenkomst waaraan die gelovige zich slaafs dient te onderwerpen volgens Roomse visie. Voor de reformatorische christenen betekende zo’n binding een knellende boei, een ondraaglijk juk.

Van meet af aan hebben de gereformeerde kerken dan ook in hun kerkordelijke bepalingen de mogelijkheid opengehouden tegen kerkelijke uitspraken in appel te komen. Reeds het convent van Wesel (1568) bepaalde: „Indien yemandt agt, dat hem door dese weg ofte eenige maniere van doen, is ongelyk gedaan, die mag sig van het vonnis des Kerkenraadts beroepen op het oordeel der Classen, als die sullen aangestelt (= ingesteld, MD) zyn; en ook van de uitsprake der Classen, versoeken de hulpe des Synodi” (art. VIII, 9). De synode van Emden (1571) bracht weliswaar deze bepaling uit het kapittel „Van de Discipline of Kerkelyke Tugt” over naar de „Eenige Statuten van de Classische Verzamelingen” in ietwat andere bewoordingen („Zoo daar iet in eenige Kerke des Classis geschiede, dat daar niet in de consistorie konde ter neder gelegt worden, dat zal in de Classische samenkomsten verhandelt en geoordeelt worden, van den welke men zig tot den Provincialen Synodum zal mogen beroepen” - II,3), maar dat verandert niets aan het feit dat van slaafse binding geen sprake is. De weg van beroep is niet geblokkeerd. Via de synode van Dordrecht van 1578 (art. 19 en 23), die van Middelburg van 1581 (art. 23) en van ’s-Gravenhage van 1568 (art. 28) is dit principe tot de formulering van de Dordtse Kerkorde van 1618/19 gekomen in het bekende artikel 31 : „Wanneer iemand zich erover beklaagt, dat hij door de uitspraak van een mindere vergadering verongelijkt is, kan hij zich op een meerdere vergadering beroepen. Hetgeen bij meerderheid van stemmen uitgesproken wordt, zal voor vast en bondig worden gehouden, tenzij bewezen wordt, dat dit in strijd is met het Woord van God of met de artikelen, in deze generale synode vastgesteld, zolang zij niet door een andere synode veranderd zijn” (huidige redactie). Opmerkelijk is te noemen dat het slot van het genoemde artikel van het Weselse convent niet door Emden enz. is overgenomen: „hoewel sodanige tegenspartelinge en weygeringe van schuldt bekenninge, niet anders als voor een teeken van wederspannigheyt kan gehouden worden”. Ook al zullen Emden en de andere synoden weet van „tegenspartelinge” gehad hebben, het feit dat ze de mogelijkheid van beroep uit de tuchtsfeer hebben gehaald, bewijst dat zij er ook weet van hadden dat er iets anders dan „wederspannigheyt” in het geding kan zijn nl. dat een kerkelijk besluit in strijd met Gods Woord kàn zijn, alsook met de aangenomen Kerkorde. In dat geval is er van „vast en bondig” geen sprake! De pretentie dat kerkelijke uitspraken onfeilbaar zouden zijn, is het gereformeerde kerkrecht volkomen vreemd.

Maar, is misschien de vraag, geldt dat ook van de uitspraken en besluiten van een generale synode? In de voorgaande alinea is immers wel sprake van beroep op een meerdere vergadering, maar hoe zit het dan met de laatste vergadering waarop men een beroep kan doen, de generale synode? Synodus locuta, de kous is af? In een patriarchale, autoritair ingestelde samenleving moge dat gemakkelijk verkoopbaar zijn en een synode zonder veel scrupules als „hoogste” vergadering aangemerkt worden, toch is het meer rooms dan reformatorisch! Onze eigen kerkgeschiedenis laat in dit opzicht wel iets anders zien. Denk slechts aan de synode van 1840 die de besluiten van de synode van 1837 allerminst onfeilbaar achtte. Voor Wisse en Van Lingen was de kous niet af toen de synode van 1892 besloot tot vereniging met de dolerende kerken..... geen „causa finita”, eerder „aperta” (= open): toen begon het pas! Maar als synodale besluiten en uitspraken dan niet onfeilbaar zijn, hoe kan dan over het bindende karakter van deze besluiten en uitspraken gesproken worden? Bindend en toch feilbaar, feilbaar en toch bindend, dat moet elkaar toch uitsluiten? Het antwoord op deze vraag zal voor een nuchter mens niet moeilijk zijn: dat kan gewoonweg niet, dat is strijdig in zich zelf! Zo gesteld moeten we het toestemmen: bindend en tegelijk feilbaar, feilbaar en tegelijk bindend, dat sluit elkaar inderdaad uit. Maar er is wel iets meer te zeggen, ook al kan in het bestek van een AC-artikel niet alles gezegd worden.

In het akkoord van kerkgemeenschap dat we onder meer in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis bezitten, wordt beleden dat geen „geschriften van mensen, hoe heilig zij ook geweest zijn” gelijkgesteld mogen worden met de „goddelijke Schriften” en dan worden naast oude tradities ook uitdrukkelijk genoemd „concilies, decreten of besluiten” (art. 7). Van enige gelijkstelling met het door God zelf geopenbaarde Woord wil de belijdenis niets weten. Alleen het Woord van God is onfeilbaar en bindend. Het is juist de grief van de belijdenis wanneer een kerk „aan zichzelf en aan haar verordeningen meer gezag” toeschrijft „dan aan Gods Woord”. Dan noemt zij zo’n kerk „vals” (art. 29). Betekent dat nu dat om „waar” te zijn er maar beter geen „concilies” gehouden en geen „decreten of besluiten” resp. „verordeningen” genomen of gemaakt kunnen worden? De belijdenis wil van een kerkelijke samenleving waarin de Richterentijd herleeft -dat ieder maar kan doen wat goed is in z’n ogen -, allerminst weten. Integendeel: „Wij geloven, dat deze ware kerk geregeerd moet worden in overeenstemming met de geestelijke orde, die onze Here in zijn Woord geleerd heeft” (art. 30). En zo hebben de kerken van de Reformatie gezocht tegenover alle bandeloosheid die de mens van nature voorstaat, gestalte te geven aan de binding aan Gods onfeilbaar Woord ook toen zij in plaats van de hiërarchische kerkorganisatie van Rome de presbyteriaal-synodale stelden om daarin te beleven dat Jezus Christus zich een gemeente vergadert door zijn Woord en Geest (HC vr. 54), waarin Hij en Hij alleen „de enige, algemene Bisschop en het enige Hoofd van de Kerk” is (NGB art. 31). In die kerk zullen alle dingen „in goede orde geschieden” (art. 30). Hij roept daartoe „de dienaren van Gods Woord, de ouderlingen en de diakenen tot hun ambten” (art. 31 ). Dat met ambt geen status wordt bedoeld, de status van „geestelijkheid” (clerus) die „macht” heeft over de gemeente, zal duidelijk zijn (natuurlijk zijn er altijd op macht beluste figuren en karakters in de kerk geweest, kleine „pausjes” om zo te zeggen, die het woord van de Heiland „één is uw Meester, namelijk Christus, en gij zijt allen broeders” tot schade van de gemeente al te gemakkelijk opzij schoven, om niet te zeggen aan hun clericale laars lappen). Ambt is dienst, „middel” zegt de Geloofsbelijdenis tot tweemaal toe (in art. 30 volgens de oude tekst). En als dan die belijdenis (art. 32) toegeeft dat „het nuttig en goed is dat de regeerders van de Kerk onderling een bepaalde orde instellen en handhaven om het lichaam van de Kerk in stand te houden”, dan wordt in het verlengde van art. 7 NGB gewaarschuwd „dat zij zich er niettemin wel voor moeten wachten af te wijken van wat Christus, onze enige Meester, ons geboden heeft”. En - ’t is alsof de „geschriften van mensen”, de „concilies, decreten of besluiten” weer naar voren komen - „daarom verwerpen wij alle menselijke bedenksels en alle wetten, die men zou willen invoeren om God te dienen en daardoor de gewetens te binden en te dwingen, op welke wijze dan ook”. En pas als dit voorbehoud zó gesteld is, gaat de NGB voort: „Wij aanvaarden dus alleen wat dienstig is om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid aan God”. Het is in die „gehoorzaamheid aan God” dat ambtsdragers „middel” mogen zijn om „de ware religie te onderhouden en te maken dat de ware leer haar loop hebbe” en „alle dingen in de Kerk wel en ordelijk toegaan” (NGB art. 30 oude tekst).

In de kerkelijke vergaderingen, de classes en synoden, komen wel „regeerders van de kerk” bijeen, maar geen kerkelijke bestuursleden die confereren, discussiëren, debateren, decreteren enz. Zij zijn wel ambtelijk gekwalificeerd, maar functioneren op die vergaderingen niet in hun ambt dat immers gemeente-gebonden is. En die vergaderingen zijn geen hogere bestuurscolleges, maar „meerdere” vergaderingen omdat er meer kerken dan één kerk in vergadering bijeen zijn. Van een democratische evenredige vertegenwoordiging is dan ook geen sprake. De kerken zijn op basis van gelijkheid in dienst tegenwoordig zolang de vergadering duurt. Daarom wordt in art. 85 gesteld „Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaar over andere dienaren, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen of diakenen enige heerschappij hebben” (immers: „gij zijt allen broeders”). De kerkorde van Emden opende zelfs met dit artikel en voegde er veelbetekenend aan toe „maar een yeghelijck sal hen voor alle suspicien, ende aenlockinge om te heerschappen wachten” (aanleiding tot verdenking van kerkbaasje-spelen alsmede verleiding om ’t te doen waren er kennelijk in 1571 reeds!).

Alleen wat de kèken op die kerkelijke vergaderingen brengen, kan en mag behandeld worden door die vergaderingen. Zo’n meerdere in de zin van bredere vergadering kan dus niet naar eigen willekeur een zaak aansnijden. De Kerkorde zegt daarvan in art. 30: „In meerdere vergadering behoort slechts datgene behandeld te worden, wat in de mindere niet kon worden afgedaan, of wat tot de kerken in meerdere vergadering behoort”. En dan zullen „geen andere dan kerkelijke zaken” behandeld worden en wel op een „kerkelijke wijze”. Dat wil zeggen in het licht van hetgeen tot nu toe is betoogd dat een kerkelijke vergadering niets dan Gods Woord mag laten spreken. Dan alleen kan zij bindend, wilt u: onfeilbaar spreken. Dus niet van zichzelf, maar vanuit Gods Woord. Dat is „op kerkelijke wijze”, niets anders dan Gods Woord aan het woord laten, in zekere zin „verklaren” naar de voorliggende zaak toe.

Zolang Gods Woord gezag over ons heeft, zal elke kerkelijke uitspraak van kerkeraad tot de breedste vergadering van de kerken toe gezag voor ons hebben, alleen en voorzover die uitspraak gefundeerd is in dat Woord van God. Natuurlijk niet elke zaak kan linea recta vanuit Gods Woord gefundeerd worden. Soms geschiedt het via onze exegese. En dan kan de exegese van de een anders uitvallen dan van de ander. We zullen elkaar daarin hebben te respecteren, mits vast sta dat dat Woord van God alle gezag over ons heeft (uiteraard dat Woord zoals dat voor ons ligt, „van kaft tot kaft” zegt men tegenwoordig vaak denigrerend, maar we hebben geen ander Woord van God dan het Woord dat ons is geopenbaard en overgeleverd zoals dat tussen voorkaft en achterkaft van onze Bijbel voor ons ligt. Wie geeft ons overigens de bevoegdheid daaruit te selecteren bijv. wat wèl wéér, maar niét altijd ècht gebeurd is? Of omgekeerd: wat niét waar, maar wèl ècht gebeurd is? Dan blijft er natuurlijk ook nog een rest: èn echt gebeurd èn waar! Lijkt het geen kippevoer: ieder pikt eruit wat van zijn gading is? En iets in de - oude -trant: een waarheid àchter de waarheid, resp. (on)echtheid?). Het wederzijds respecteren kan wel eens moeite kosten. Uit argumentatiearmoede - of luiheid (?) - schuiven we de ander dan toe dat hij zich niet door Gods Woord laat gezeggen. We zijn al te zeer geneigd God en zijn Woord voor ons gelijk te annexeren en verloochenen dan al te gemakkelijk wat Filip. 2 ons voorhoudt: de gezindheid, het gevoelen van de Here Jezus. En als dan „eendracht en eenheid” verbroken dreigen te worden, kan tot in de breedste vergadering een kerkelijke beslissing niet uitblijven, maar ook dan blijft gelden: op kerkelijke wijze d.w.z. in gebondenheid aan Gods Woord. Wie zich daaraan niet gewonnen kan of wil geven, verbreekt de „eendracht en eenheid”.

Er zijn ook zaken die wel kerkelijk zijn, maar toch niet direct met Gods Woord in de hand te behandelen zijn. Het convent van Wesel sprak over zaken „welke in haar natuur middelmatig zyn” (l,9) en in Emden werd de vraag opgeworpen „of alle dingen met de H. Schrift bevestigt moeten worden” (Acta part. l,2). Wesel oordeelde: „het sal een yder geoorlooft zyn te volgen ’t gene hy bevint door onderhandelinge bequaamst te zyn voor de Gemeynte” en Emden antwoordde „dat die dingen, welke de conscientie aangaan, met Gods Woort moeten bevestigt worden, maar die geene die de orde-ninge der Kerken aangaan of middelmatig zyn, moeten tot zulk een noodzakelykheid niet gedreeven worden”. Hier is dus geen sprake van binding krachtens Gods Woord, maar komt het akkoord van kerkgemeenschap aan de orde dat in de Kerkorde is beschreven, geworteld in dat Woord. Immers ook bij middelmatige zaken geldt wat direct na art. 31 van de Kerkorde staat in art. 32: „De handelingen van alle vergaderingen zullen met aanroeping van de Naam van God begonnen en met dankzegging besloten worden”. Dan is een akkoord geen paskwil, waarmee men vrijblijvend en naar willekeur kan omgaan. In de kerkelijke omgang met elkaar komt het op trouw aan. ’t Is veelzeggend dat onze belijdenis in verband met de regering van de kerk (art. 30 NGB) spreekt over personen „die trouw zijn” (wanneer zulke personen gekozen worden, dan zullen „alle dingen in de Kerk in goede orde geschieden”). Het is een kwestie van trouw zich gebonden te weten aan de besluiten van de kerkelijke vergadering in casu de synodebesluiten. Elke ambtsdrager verklaart onder ede bij zijn bevestiging en met eigen handtekening onder het verbindingsformulier, die trouw te zullen betrachten (zie bijlage 36 en 37 van de Kerkorde ed. 1984). Er zijn er vandaag aan de dag die van een dergelijke binding niet willen weten. Dat betekent in wezen: ik geef mijn woord niet en dus op trouw aan dat gegeven woord behoef je me niet aan te spreken; ik vraag jouw trouw niet en dus........... ik geef je mijn trouw ook niet: laten we er maar op los leven ! ’k Heb nog niet gemerkt dat een dergelijke mentaliteit onder ons reeds bezig is de gemeenschap kapot te maken. Maar uit perspublikaties is bekend dat zo iets elders gaande is. Trouwens uit de tijd van de Afscheiding is deze mentaliteit maar al te zeer bekend. Hoe heeft Hendrik de Cock daartegen gefulmineerd!

Kan een synode dan maar lukraak besluiten nemen en de kerkelijke trouw zodoende op zware proef stellen, zó zelfs dat die trouw niet meer op te brengen is? Nee, natuurlijk niet. Alleen „kerkelijke zaken” zegt onze Kerkorde, mogen op de agenda van de kerkelijke vergaderingen staan. En voor deze vergaderingen geldt bovendien de beperking dat slechts in behandeling genomen mag worden „wat in de mindere niet kon worden afgedaan” alsmede wat tot de kerken „in het algemeen” behoort (art. 30). Over „samenlevingsvragen” als zouden hierbij kerkelijke zaken in geding zijn, is bijvoorbeeld tegenwoordig nog al het een en ander te doen. De kardinale vraag hierbij is m.i. dan niet of er veel voor- of tegenstanders zijn, maar of de kèrk met recht en gezag in deze zaken kan zeggen „Zó spreekt de Here!” Spreekt werkelijk de kèrk als een stel eerwaarde heren - volgens de titulatuur in woordenboeken heten synodeleden zelfs „hoogeerwaard” -hun zegje weten te zeggen over alle mogelijke sociale, politieke enz. aangelegenheden? Moet er confessionele en/of kerkordelijke waarde aan toegekend worden met alle consequenties van dien? Als dat niet het geval is, dan kan zo’n „zegje” onmogelijk als een kerkelijke uitspraak aangemerkt worden, waaraan bindend gezag moet worden toegekend. Heel het leven van enkeling en gemeenschap heeft naast en dwars door natuurlijke en zakelijke aspecten ook geestelijke en zedelijke aspecten, waarbij Gods Woord niet gesloten mag blijven. De kèrk heeft dat Woord te openen. Van zondag tot zondag in de dienst van het Woord. Dan spreekt dat Woord in de concrete situatie van enkeling en gemeenschap, opdat de geméénte een brief van Christus zal zijn, kenbaar en leesbaar voor alle mensen. Herderlijke schrijvens, pastorale handreikingen en wat dies meer zij kunnen dié brieven niet vervangen hoe goed ook bedoeld. Alleen als er een „záák” van komt die de mindere vergadering niet kan afdoen, wordt ’t een „kerkelijke zaak” die op „kerkelijke wijze” op de meerdere vergadering behandeld dient te worden. En dat houdt meteen in dat een eventuele meerderheid op een kerkelijke vergadering niet ten koste van de minderheid haar zin kan doorzetten. Ook een meerderheid heeft zich te wachten „voor alle suspicien ende aenlockinge om te heerschappen”! Wie op machtsoefening uit is, verspeelt de trouw, de trouw die een levensvoorwaarde is voor elke gemeenschapsoefening, niet het minst in de kerk.

Nimmer mogen de kerken vergeten, ook niet als zij in kerkelijke vergaderingen bijeen zijn, dat „kerk” met „kurios” te maken heeft, dé Kurios, vertaling van de naam die oudtestamentisch gelezen werd voor de Naam waarmee de HERE zich openbaarde, JHWH, de God des verbonds, van wiens trouw zij het elke dag moeten hebben, aan wie zij zich in elke vergadering verbonden zullen weten. Alleen in die verbondenheid is binding in trouw geen juk, maar steun om 1 Cor. 13 ook op kerkelijke vergaderingen niet als een abstractum te beleven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.