+ Meer informatie

Grepen uit de Letterkunde

4 minuten leestijd

De vogelen in 't woud te Zijner ere kwelen een kost'lijk muziek en fluiten met hun kelen. (J. v. Lodensteyn.)

(17.)

Lentetijd.

Het is heel eigenaardig, dat de eeuwen door, de dichters de lente en de herfst het meest hebben bezongen; van de vier jaargetijden staan de zomer en de winter niet zo op de voorgrond. Er is wel een verklaring voor te geven: wanneer de zomer over het land is gegaan en de vruchten zijn ingezameld; de dagen al korter en korter worden, dan zien we de winter langzaamaan komen met zijn guurheid en (vooral in vroeger tijden) zijn armoe die dan wordt geleden. We willen er niet aan, dat het najaar zijn intrede doet. De herfst is een teken van afsterven, en van de dood huiveren we. Dan klinkt het:

„De bomen dorren in het laat seizoen, en wachten roerloos de nabije winter Wat is dat alles stil, doodstil ik vind er mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên."

Maar in het voorjaar is het anders gesteld. Hoor, hoe schoon Salomo het zegt in zijn Hooglied:

„Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan; de bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land. De vijgeboom brengt zijne jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hunne jonge druifjes."

En op een andere plaats in datzelfde Boek:

„Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten."

De lente staat in het teken van nieuw-ontluikend leven. Er is een nieuw begin. Lente geeft blijdschap. De lente geeft levensmoed aan ouden van dagen en aan zwakken, die de barre winter zijn dóórgekomen. Nu is er weer hoop, dat ze zullen opsterken en hun dagen nog een wijle worden verlengd.

Daarom zien we zo graag het jonge groen, de zwellende knoppen, die openspringen in volle bloemenweelde. Vooral in de Meimaand, die daarom de Bloeimaand heet, is de lente in haar volle glorie.

„Buiten kleurt door lichte gaarden 't korte wonder van de Mei."

Sommigen zién de lente niet komen, maar hóren het:

„De Lente komt van ver, ik hoor hem komen en de bomen horen, de hoge trilbomen, en de luchten, de hemelluchten, de tintellichtluehten, de blauw-en witluchten, trilluchten."

Een dichteres ziet de lente aldus:

„Lente vloog aan met suizende gebaren, met heftig wuiven van het groen gewaad, haar losgewonde' en glanzend-natte haren zwiepte achter haar aan in wilde maat.

Droeve ogen, gaat ge nu verlangend staren terug, naar winters strak-vertrouwbren staat, die geen jong leven wekt en 't niet wil sparen en blad nog bloesem lokt en dan verslaat? Bedenk, dat hoe gekweld, teruggehouden, 't jaar verder groeit naar de volmaakte dagen van goudgeel graan, hoog gras en vol gebladert...

Eens vallen alle winden, alle vlagen; dan zult ge zien hoe zij de poorten bouwden, waardoor de volheid van de zomer nadert."

Weer een ander treft de bloemenrijkdom, die alom is te aanschouwen:

„De gouden regen, als uit goud gedreven, praalt in de pracht der blauwe voorjaarslucht, de lila trossen der seringen beven, bewogen door een lauwe lentezucht. De paars en goudgewiekte vlinders zweven als bonte bloemen aan de steel ontvlucht."

Bovengenoemde aanhalingen zijn geschreven in deze eeuw en op 't eind van de vorige eeuw. Hier laat ik nog volgen, wat Willem Sluiter, die leefde van 1627— 1673 en predikant was te Eibergen in de Achterhoek, schreef. Hij wordt geïnspireerd door het horen zingen van een leeuwerik in de lente, en gaat dan zelf zingen:

„Met wat snelle wakk're vlerken vliegt de kleine leeuw'rik op, vrolijk zingend, naar de zwerken en des hemels hoge top! 't Aardig beestje rept zijn vleug'len en zijn held're stem te saAm; 't kon ze beide niet beteug'len; 't is hem zelf zo aangenaam. Ziet het eens de lucht doorsnijden, vrolijk, onbelet en vrij, 't kan zijn kleine hart verwijden, dat het onbekommerd zij, 't Wacht van God zijn daag'lijks voedsel, daar het wel mee is gepaaid, voor hem zelf en voor zijn broedsel, schoon het niet en zaait of maait. Zoekt het zijne spijs op aarde, 't is met zoveel zorgen niet; 't zal ook nimmer zulks aanvaarden, eer het zingt zijn morgenlied. Zijnen God te mogen zingen 's morgens vroeg en al de dag gaat hem toch voor alle dingen, zo men hier bemerken mag. Trage ziel, die heel onlustig tot de lof des Heeren zijt, op: dit beestje maakt u lustig, 't roept: 't is tijd, tijd, tijd, tijd, tijd "

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.