+ Meer informatie

Naar de CATECHISATIE

5 minuten leestijd

24.

HET WEZEN GODS

Op de vraag: wat is God? zijn en worden heel wat antwoorden gegeven in de loop der eeuwen.

Er is te allen tijde gezocht naar het bestaan van God. Filosofie en wetenschap hebben er zich mee bezig gehouden en nog.

Zo is men óf tot volkomen loochening gekomen van het bestaan Gods, óf tot allerlei voorstellingen, waarbij de mens zich een God indenkt naar zijn eigen idee en smaak. We gaan u niet de lange geschiedenis hierover voorhouden, waarbij we dan zouden uitkomen bij het atheïsme, pantheïsme en deïsme. Ook hiervan geldt: „Zij hebben Mijn Woord verworpen, wat wijsheid zouden zij hebben?” God heeft Zich in Zijn Woord geopenbaard als de God van hemel en aarde, uit Wie en door Wie en tot Wie alle dingen zijn.

Onze belijdenis omschrijft het Wezen Gods wel heel schoon. We lezen in artikel 1 van de Nederlandse geloofsbelijdenis: „Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er is een enig en eenvoudig geestelijk Wezen, Hetwelk wij GOD noemen: eeuwig, onbegrijpelijk, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig; volkomen wijs, rechtvaardig, goed en een zeer overvloedige fontein aller goeden”.

Maar we zien hieruit, dat het aankomt op „het geloven met het hart”.

God is niet te bewijzen door het eindig, beperkt menselijk verstand.„De Almachtig, Die kunnen wij niet uitvinden” (Job 37 : 23).

De zg. „bewijzen” van het bestaan van God zijn meer„aanwijzingen”. We hebben hierover reeds gehandeld in onze vierde les.

Wat het Wezen Gods betreft, is dit niet in menselijke woorden volledig en volkomen uit te drukken. Het heeft God nochtans behaagd Zich in menselijke taal bekend te maken. Vandaar dat wij in de Bijbel lezen van Gods ogen, oren, handen, voeten, ingewanden en van Gods hart.

Vader Hellenbroek zegt het in zijn antwoord zo eenvoudig: „Dat moet alles oneigenlijk verstaan worden van hoedanigheden in God, die met het gebruik der menselijke delen enige overeenkomst hebben”.

Maar bezien we dit goed. Zet er even uw aandacht op!

We zeggen wel eens: we spreken van Gods handen omdat wij ook handen hebben. In feite is het precies omgekeerd. Want wij zijn naar Gods BEELD geschapen. Dit betreft wel de geestelijke eigenschappen, onze ziel. Want het beeld Gode bestond in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Toch staat ons lichaam daar niet buiten. Want God heeft de mens een lichaam gegeven overeenkomstig zijn ziel, d.w.z. een lichaam, waarin de ziel, de geest van de mens zich uit. Zo heeft God ieder schepsel zijn EIGEN lichaam gegeven, zoals bij het zaad. We lezen in 1 Kor. 15 : 37: „En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt van tarwe of van enig der andere granen. Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn EIGEN lichaam”.

Welnu, zo past het lichaam van de mens geheel bij de ziel. „Het oog is de spiegel der ziel”. Zo zien we ook de zonde, die in het hart van de mens woont, zich in haar gevolgen aftekenen in het lichaam. Denk maar aan de zonde van de zedeloosheid. Ook bij hen, die alle gezag verwerpen. Hoe duidelijk kunt u vaak de onverschilligheid zien afgetekend op het gelaat van dezulken en in hun houding. Zie bij vele provo-figuren.

Doch ter zake.

Is er nu sprake van b.v. Gods ogen, dan wordt daarmede uitgedrukt Gods zien. God ziet in de volstrekte en absolute zin v a n het woord, volmaakt. Goddelijk! God is de Alwetende.

Ons zien is gave, beperkt. Wij hebben een „instrument”, ons oog, nodig om te zien. En we hebben „verlichte ogen des verstands” nodig om te verstaan en te onderscheiden de dingen, die des Geestes Gods zijn! Hebt u die nodig gekregen en ontvangen? Gods handen. Ook weer in volstrekte, Goddelijke zin te verstaan: Zijn macht, want die is een almacht!

Gods rechterhand is hoog verheven.
Des Heeren sterke rechterhand
Doet door haar daan de wereld beven.
Houdt door haar kracht Gods volk in
stand.

Gods handen zijn „milde handen”. Want in God is een onuitputtelijke bron, waaruit Hij overvloedig geeft en uitdeelt Zijn gaven, aan ieder mens de „natuurlijke” gaven en aan Zijn volk ook de „geestelijke” gaven. Ja, Hij is een „zeer overvloedige Fontein”. Kent u iets van die rijke gaven der genade?

En om nog één te noemen: Gods ingewanden. Die zijn: Gods barmhartigheid. Want we lezen van „het rommelen van Gods ingewanden van barmhartigheid”.

En Gods barmhartigheid wordt niet opgewekt door de mens, maar God is eeuwig in zichzelf bewogen geweest om een volk te verkiezen tot zaligheid en een weg uit te denken en daar te stellen tot verlossing! „Maar God, Die rijk is in barmhartigheid”, schrijft de apostel in Efeze 2.

Maar hoe kan God Zijn barmhartigheid bewijzen aan schuldige mensen? Is God ook niet rechtvaardig?

„God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig”, zo antwoordt onze Heidelberger in Zondag 4.

Maar „o diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods”, God kan en wil Zijn oneindige barmhartigheid bewijzen aan doemwaardige zondaren in Christus. Die aan Gods recht heeft genoeg gedaan. Zo is genade in recht verheerlijkt!

Hebt u daarvan iets zielsbevindelijk mogen leren en ervaren?

Dan kunt u niet nalaten die God aan te prijzen en in Hem te roemen!

Mijn God, U zal ik eeuwig loven
Omdat GIJ ’t hebt gedaan.

R’dam-W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.