+ Meer informatie

De liturgie vraagt de aandacht

9 minuten leestijd

Men kan moeilijk zeggen dat het een afgetrokken onderwerp is als we vandaag iets zeggen over wat wij veelal aanduiden met „liturgie”. Immers wij worden van alle kanten geconfronteerd met vragen, die met de „dienst” samenhangen. Er is een tijd geweest — en die ligt nog niet eens zo ver achter ons — dat over de dienst als zodanig weinig nagedacht werd. De ouderen zullen zich deze tijd nog wel herinneren. Alle aandacht was geconcentreerd op de leer, op de geschiedenis der kerk en op de beleving van het heil Gods in het persoonlijke leven. De preek werd hoog gewaardeerd, zo hoog zelfs dat b.v. de bediening van één van de sacramenten geacht werd tekort te doen aan de preek. Over wat er verder in de dienst plaats vondt werd zo goed als niet nagedacht. Zo was het trouwens al enige eeuwen geweest. Men vindt onder de werken van de „Oude schrijvers” dan ook zo goed als niets over wat wij nu de liturgie noemen. Hoogstens zijn er wat strijdschriften over het al of niet juiste van het gebruik van formulieren in de dienst maar over de zin van de kerkdienst als zodanig is weinig gezegd.

Sinds het einde van de vorige eeuw is dit echter anders. Er is wat men kan noemen een liturgische beweging op gang gekomen die ook ons dwingt daarover na te denken. En met name geldt dit wel voor de ambtsdragers. Zij toch hebben opzicht over leer en leven maar ook over de dienst. Van hen mag dan ook positie-bepaling en leiding worden verwacht.

Wel ziet men het in de praktijk veelal zo dat dit een zaak van de „voorganger” is maar dit is niet juist. Dit toch zou de grootste willekeur kunnen meebrengen. Daarom dient de kerkeraad aandacht te schenken aan- en belangstelling te hebben voor de vragen, die met de liturgie samenhangen. Het gaat hierbij dan maar niet alleen om de manier van zingen of het moment waarop de collecte gehouden zal worden maar ook om de inrichting van de kerk als deze gebouwd of gerestaureerd moet worden.

Men moet ook niet menen dat dit alleen maar zaken zijn, die de buitenkant raken en daarom van weinig betekenis zouden zijn. Wie wat nadenkt zal bemerken dat het gaat om diepere theologische vragen hierbij. Hoe zien wij n.l. de gemeente; wat gebeurt er in de dienst; wat moet er centraal staan: wat verwachten wij daarvan; is wat wij doen of wat God doet het belangrijkste in de dienst enz. enz.

Het ligt niet in mijn bedoeling om al deze vragen te gaan bespreken en beantwoorden. Dat zou veel te uitgebreid worden. Wat ik vooral bedoel is u als ambtsdragers op te wekken tot bezinning in deze zaak. En u daarbij, naar ik hoop, in enkele art. te helpen.

Vreemd woord-groeiende betekenis.

Als zovele woorden in ons kerkelijk spraakgebruik is ook het woord liturgie van vreemde n.l. griekse oorsprong.

In eerste aanleg had dit woord met het dienen van God niets te maken. Het was een bepaalde dienst verrichten voor of ten behoeve van het volk. Een burgerlijke dienst dus. Toen men het O. Testament in het Grieks ging vertalen gebruikte men dit woord voor de dienst van de priesters in tabernakel en tempel. Het kreeg toen een godsdienstige betekenis.

Ook het N.T. gebruikt het in deze zin maar denkt dan toch niet alleen aan wat er in de kerkdienst gebeurt. In Rom. 13:6 worden de overheidspersonen, die het recht handhaven en de belasting opleggen „liturgen Gods” genoemd, die ons ten goede bezig zijn. Daar zijn wij nog niet aan toe om in de belastingambtenaar een liturg Gods te zien!

Ook Christus wordt een liturg genoemd van de ware tabernakel. Zo in Hebr. 8 b.v. En die ware tabernakel is nu, na de hemelvaart van Christus, boven. Paulus geeft ook een zeer uitgebreide betekenis aan het woord liturgie wanneer hij b.v. in Rom. 15 : 16 heel zijn dienstwerk onder de heidenen de naam „liturgie” geeft. Hij noemt zichzelf een liturg van Jezus Christus onder de heidenen opdat deze zouden zijn een offer dat Gode behaaglijk is.

Eigenlijk omvat het woord liturgie dan ook in het N.T. heel de dienst van God in de breedste zin van dat woord. De dienst is overal in de kerk én daarbuiten; op aarde én in de hemel, zij is werk van Christus én voorrecht voor ons. Paulus spreekt in Filipp. 2 : 17 over de liturgie van uw geloof ten behoeve waarvan hij, desnodig, zijn leven wil offeren.

In de kerk is later dit woord liturgie betrokken op de dienst van de ambtsdragers. Weer wat later werd het de dienst in de kerk zelf met al wat daarmede saamhing. Nog weer later werd het de orde van de kerkdienst en de bepalingen of de formulieren daarvoor.

Wij zullen er goed aan doen met deze uitgebreide, gegroeide, betekenis van dit woord rekening te houden. Het kan ons, meen ik voor tweeërlei bewaren. Allereerst voor het gevaar dat wij zouden menen dat de dienst van God op gaat in wat wij in de kerk doen. Wat daar gebeurt kan wel een plaats in het leven hebben maar is slechts een deel van de dienst van God. Het is eigenlijk zo dat wanneer de kerk uitgaat dat dan de dienst pas goed begint in héél het leven.

Het andere, waarvoor dit uitgebreide begrip van het woord liturgie ons bewaren kan, is dat wij menen dat deze liturgie op zichzelf een zeer verdienstelijk werk zou zijn of dat een prachtig uitgebreide en uitgebalanceerde liturgie op zichzelf ons geestelijke zegen zou waarborgen. Dan verwachten wij er teveel van en staan we niet meer op de bodem van de reformatie.

Of daarmede de liturgie voor een onverschillige zaak en een waardeloze vorm verklaard is? Verre van dat. Voorheen scheen men wel eens van de gedachte uit te gaan dat slordig, ruw en onordelijk handelen, ook in de samenkomst der gemeente, kenmerken van het echte waren. Wij kunnen echter spreken van de „schone dienst” van God (Ps. 27) en God zelf wordt gezegd te verschijnen uit Sion. de volkomenheid der schoonheid. Ps. 50.

Wij mogen de wijze, waarop wij God dienen niet onderschatten in hun betekenis echter ook niet overschatten maar ze op de rechte wijze waarderen. Daarom mede dient het ook een zaak te zijn waarop de ambtsdragers zich hebben te bezinnen opdat de liturgie, d.i. dan nu de wijze, waarop de gemeente God dient, een verantwoord karakter draagt.

Behoefte aan vorm.

In het verleden maakte men veelal een sterke scheiding tussen ziel en lichaam. Wat met de ziel en de geest samenhing was het eigenlijke de rest was het bijkomstige en gezien in vergelijking met het geestelijke eigenlijk het minderwaardige.

Men werd bij deze voorstelling van zaken meer geleid door de griekse wijsbegeerte dan door de Heilige Schrift. Niet alleen het O. Testament is vol van de lichamelijkheid maar ook het Nieuwe gewaagt daar herhaaldelijk van dat het geestelijke zijn expressie vindt in het lichamelijke.

Daarbij heeft ook de bezinning op het bestaan van de mens ons steeds meer doen beseffen dat er geen scheiding gemaakt kan worden tussen de geestelijke zijde van het bestaan van de mens en zijn lichamelijk zijn. Zij zijn op het nauwst op elkaar betrokken. De mens is ziel en lichaam en deze beide maken zijn bestaan uit

Het is juist daarom ook een behoefte van de mens om wat hij innerlijk doorleeft naar buiten in houding, woord en gebaar tot uitdrukking te brengen.

Dit is een algemeen menselijke trek en deze wordt in de dienst van God niet teniet gedaan. Integendeel daar komt deze trek ten volle uit en tot ontplooiing. Dat wij derhalve bepaalde vormen zoeken en kennen om het dienen van God tot uitdrukking te brengen is niet specifiek christelijk; het is algemeen menselijk.

Ook heidense religies kennen bepaalde vormen, die als vaststaande ritus gehanteerd worden en men zoekt invloed op de goden uit te oefenen door bepaalde handelingen te laten verrichten door hen die daarin bedreven zijn. de priesters b.v.

Hier spreekt de menselijke behoefte aan vormgeving in het religieuze.

Hetzelfde kan men aantreffen bij bepaalde stromingen die de massa zoeken te beïnvloeden. Men denke b.v. aan het nationaal socialisme. Dat kende zijn groet. zijn liederen, zijn jeugdwijding enz. enz.

In het militaire leven kent men ook bepaalde vormen, die bij bijzondere gelegenheden in acht genomen worden en stipt moeten worden uitgevoerd. Dit alles ligt binnen het kader van behoefte aan uitdrukking in vormen van wat de geest beheerst.

Ieder doet dit niet op eigen gelegenheid, want dan gaat het karakteristieke juist teloor. En doordat allen het op dezelfde manier doen is het een vaststaande geworden. Men doet daarin een zekere belijdenis is daaraan kenbaar en herkenbaar en tegelijk ligt er een element van de versterking van de overtuiging in. Het heeft invloed en versterkt het „geloof en de „verwachting”.

Dit element nu van de behoefte aan expressie komt ook in de liturgie tot uiting zij het hier vanuit heel andere-wijl christelijke achtergronden en behoeften.

En omdat wij ons niet kunnen losmaken van dit algemeen menselijke dat vaak een geijkte en plechtige vorm krijgt, heeft ook de vreze Gods daaraan behoefte. Wij doen dat in de persoonlijke dienst van God en even zo in de huiselijke dienst van God. Men denken b.v. aan de gebedshouding. Wij vouwen de handen, wij sluiten de ogen. Wie een mens in deze houding aantreft weet: hij bidt.

Van deze achtergrond uit is het volkomen begrijpelijk dat wij ook in de samenkomst der gemeente bepaalde vormen hebben. Daarin toch gaat het om het hoogste wat wij op aarde kennen n.l. de dienst van God, de Drieenigen. Juist omdat het hierbij om het hoogste gaat kan de vorm. waarin dit geschied niet onverschillig zijn. Het luistert hier nauw. Geest en gestalte zijn hier op het innigst ver bonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.