+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

5 minuten leestijd

57.

DE ZONDEVAL

Hoog was de mens geplaatst toen God hem geschapen had, begiftigd met Zijn beeld. En tot welk een hoogte zou hij gekomen zijn, wanneer hij de gewillige gehoorzaamheid had betoond ten aanzien van het proefgebod. Want had God hem niet gegeven de belofte van het eeuwige leven? En dat toch zou zijn geweest een vastgesteld worden in zijn staat: niet meer te kunnen vallen en zondigen.

Maar de mens heeft het niet goed gedacht God in erkentenis te houden. Hij heeft het proefgebod overtreden, door moed- en vrijwillige ongehoorzaamheid. De Nederlandse geloofsbelijdenis, artikel veertien, omschrijft het zo kernachtig:

„Maar als hij in eere was, zo heeft hij het niet verstaan, noch zijn uitnemendheid erkend, maar heeft zichzelf willens der zonde onderworpen, overzulks de dood en vervloeking; het oor biedende aan het woord des duivels. Want het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden en heeft zich van God, Die zijn ware leven was, door de zonde afgescheiden, hebbende zijn gehele natuur bedorven, waardoor hij zich schuldig gemaakt heeft de lichamelijke en geestelijke dood”.

Deze val was dus een afval en een zich storten in een zee van jammer en ellende, onderworpen aan de drievoudige dood vanwege de rechtvaardige toorn Gods; is geworden arm, jammerlijk, blind en naakt, zonder God in de wereld en zonder hoop voor de toekomst.

In één onzer vorige lessen merkten we op, in de les van Gods besluiten, dat ook de val in het besluit Gods is opgenomen.

Naar aanleiding hiervan kregen we een schrijven van een broeder, die het met deze verklaring niet eens was, want dit had God hem anders geleerd, wat hij schreef in zijn brief.

Toch kunnen we deze broeder wel verstaan, namelijk wat zijn bedoeling is. Hij kon de schuld der zonde niet van zich afwerpen toen Gods Geest hem ontdekte, maar hij moest die schuld erkennen, moed- en vrijwillig gezondigd te hebben. En dit leert de Heere inderdaad Zijn volk.

Anderzijds blijft het toch zeker waar, dat de val in het besluit Gods is opgenomen. Ware dit niet zo, dan zou met eerbied gezegd God door de zonde en de val „overvallen” zijn geweest, waarop God niet zou hebben gerekend. Ieder zal beseffen, dat dit niet mogelijk is. N i e t s kan buiten Gods besluit vallen. Wel is het vanzelf zo, dat de zonde en de val nooit in Gods gunst zijn geschied.

We hebben wel eens de uitdrukking horen doen van „zalige val”. Maar deze uitdrukking is hoogst gevaarlijk. Men bedoelt ermede, dat door de val Christus noodzakelijk is geworden en dat God de verlossing bereid heeft in Christus. Toch zouden we de genoemde uitdrukking niet zo maar over willen nemen. Want de val is op zichzelf diep rampzalig!

Verder blijft het ook zo, dat wij met ons verstand deze dingen nooit kunnen oplossen en met elkaar verbinden, namelijk: Gods besluit (ook ten opzichte van het zalig worden) en des mensen verantwoordelijkheid, Gods besluit en anderzijds de moed- en vrijwillige overtreding van de mens.

Zo geldt dit ook van de vraag: hoe kon de mens vallen, daar hij toch volkomen goed geschapen is? De Prediker zegt in zijn boek, hoofdstuk 7 vers 29: „Alleenlijk zie, dit heb ik gevonden: dat God de mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht”. Volledig dit geweldige stuk benaderen kunnen wij nooit. Wel zouden we enkele opmerkingen willen geven in dit verband. Het betreft namelijk het feit, dat de mens zó is geschapen, dat hij vrijwillig God kon en moest gehoorzamen. Want de Heere had hem uit vrije goedheid geschapen. God had de mens niet nodig om verheerlijkt te worden, want Hij verheerlijkte Zich in Zichzelf, als de drieënige God. Welnu, daarom had God recht op wéderliefde en die moest de mens vrijwillig geven. Wist God dit dan niet? Jawel, maar Hij wilde, dat de mens die zou tonen. Vandaar de noodzakelijkheid van het „proefgebod”.

De vraag wordt wel eens gesteld: had God dan niet beter het proefgebod achterwege kunnen laten, dan was er niets gebeurd. Maar dat kon niet, want dan zou het geen VRIJWILLIGE gehoorzaamheid zijn geweest, doch een gedwongene, dus zo, dat de mens niet anders kón dan gehoorzamen, gelijk dit gebeurt door het redeloze schepsel in de natuur.

De mens werd dus geplaatst voor een keus, welke hij vrijwillig moest doen. En dit kunnen we er wel tegelijk bij zeggen, dat de mens zó volkomen goed was geschapen, dat hij de keus metterdaad kon doen: niet eten van de verboden boom, de boom der kennis, des goeds en des kwaads, en daarmede tonen, dat hij God liefhad boven alles en de naaste als zichzelf!

Maar hoe is hij dan gekomen tot het eten van die boom, tot ongehoorzaamheid?

Hierover iets zeggen, willen we in een volgende les doen D.V.

Nog even echter een kleine opmerking, hoewel de zaak ervan niet zo klein is. Wanneer we het steeds hadden over de „mens”, dan bedoelen we er in geen enkel opzicht mee, wat men tegenwoordig stelt: dat het niet gaat over de bepaalde ADAM als de eerste mens, maar over „de mens”, zoals Paulus bijv. spreekt van „Adam”. Dit raakt dus het huidige standpunt over het historisch bestaan van Adam, welke nu in twijfel wordt getrokken, met al de aankleve hiervan, dus ook van de val als historisch feit.

Maar over deze kwestie willen we niet verder uitweiden, aangezien we dit wel kunnen toebetrouwen aan de bekwaamheid van onze kollega, Ds. Slagboom.

Maar ter zake.

De val des mensen.

„Adam viel en ik in hem”. Lere Gods Geest ons dit verstaan door ontdekkende genade. Zo wordt ook Christus voor het ontdekte hart noodzakelijk, beminnelijk, algenoegzaam en gepast.

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.