+ Meer informatie

OPENINGSWOORD uitgesproken in de landelijke ambtsdragersconferentie van de Christelijke Gereformeerde Kerken op zaterdag 16 april 1983 in de Ichthuskerk te Amersfoort

8 minuten leestijd

Waarde broeders,

In tegenstelling tot de gewoonte om per jaar twee landelijke ambtsdragersconferenties te houden, zal in 1983 — zo is afgesproken — met één conferentie worden volstaan. In het najaar zal er geen conferentie zijn omdat onze kerken dan in Rotterdam haar driejaarlijkse hoogste vergadering zullen houden. Hoewel de betekenis daarvan niet moet worden overtrokken, hecht ik er toch aan met u in deze conferentie naar dit gebeuren even vooruit te kijken. De komende generale synode zal er een zijn als de vorige. De procedures zullen dezelfde zijn, de gangbare kerkelijke codes zullen er worden gehanteerd en evenals op de agenda’s van de achter ons liggende synodes, zullen ook op de agenda van de komende generale synode onderwerpen voorkomen waarover binnen onze kerken tegengestelde opvattingen en standpunten bestaan. Toch beluistert men hier en daar geluiden waaruit af te leiden is dat deze synode met meer dan gewone zorg tegemoet wordt gezien. Er zal opnieuw moeten worden gesproken over zaken die in onze kerken gevoelig liggen en de draagwijdte van eventuele besluiten die er over genomen zullen worden, mag niet worden onderschat. Voorshands worden de gemoederen bezig gehouden door de vraag of de afgevaardigingen naar de generale synode zodanig zullen zijn dat daarin een evenwichtige vertegenwoordiging van de verschillende denkrichtingen binnen onze kerken kan worden gezien.

Maar zowel bij een eenzijdige als bij een evenwichtig verdeelde vertegenwoordiging zal het niet gemakkelijk zijn het schip van de kerk door de woelige wateren van de hoogste vergadering te loodsen.

In de periode tussen deze en de vorige synode zijn in de kerkelijke pers onder ons bestaande tegenstellingen rond bepaalde zaken op vrij grimmige wijze aangescherpt en er valt niet of nauwelijks melding te maken van pogingen om tegenstellingen te overbruggen. Als Christelijke Gereformeerde Kerken staan we daarin niet alleen. Het hele kerkelijk leven in ons land bevindt zich in een crisis, een crisis die in elke kerkgemeenschap zo haar eigen kenmerken heeft. Maar bij meerdere factoren die als oorzaken kunnen worden aangewezen gaat zij ten diepste terug, ook in onze kerken, op een ernstige verstoring van onze individuele en gemeenschappelijke Godsbeleving. En die verstoring hangt nauw samen met de crisis die onze westerse samenleving doormaakt, een samenleving waarin iedereen tegen iedereen opbotst en waarin iedereen tegen iedereen aan-schreeuwt.

Er zijn treffende overeenkomsten aanwijsbaar tussen de culturele crisis waarin onze westerse samenleving zich bevindt en de-crisis die zich in de christelijke kerken manifesteert. De roep om mentale, sociale en economische vernieuwing in de samenleving heeft ten diepste dezelfde trekken als de schreeuw om geestelijke vernieuwing in de kerken. Wie de ontwikkelingsgang van de westerse wereld, waarin wij kerk zijn, natrekt doet ontstellende ontdekkingen. Wij hebben niets meer van de primitieve mens in een statische samenleving, waarin veel het geheim van God bleef. Wij zijn het produkt, ook in ons kerkelijk en geestelijk leven, van de veranderde denkhouding van de mens. Wij hebben geleerd en aangewend de werkelijkheid die zich aan ons voordoet, uitte pluizen en onze waarnemingen te objectiveren. Dat is uitgangspunt van ons denken geworden, hetgeen heeft geleid tot het doorbreken van mythologische en theologische kaders. Wij zijn meesters geworden in het ordenen van kennis en in het beschouwend denken.

Leverde de ontwikkeling van de wetenschap ons eerst uitsluitend wijsgerige kennis op, later is die kennis ons tot middel voor ons handelen geworden. Van de primitieve mens, via de oude Grieken, het middeleeuwse feodalisme en het industriële tijdperk zijn we beland in de wetenschappelijke samenleving, een zegen enerzijds, een vloek anderzijds. De vloek van de denkhouding van de westerse mens is haar eenzijdigheid in het zoeken naar de wetmatigheid van de dingen, met verwaarlozing van de zin der dingen. Het westerse denken richt zich op begrip van het begrijpelijke, met verwaarlozing van het onbegrijpelijke, terwijl in ons denken meer harmonie behoorde te zijn tussen begrip van het begrijpelijke en gevoel voor wat onbegrijpelijk is. Deze ontwikkeling, de verwetenschappelijking van de samenleving, heeft geleid tot een cultuur waarin alleen het meetbare telt en waaruit het gewijde bezig is te verdwijnen. Zij heeft een door en door materialistische cultuur opgebouwd, die nu op pijnlijke wijze in verval is, met alle politieke, sociale, economische, ethische en religieuze complicaties van dien. Verwetenschappelijking van de samenleving doet mensen van elkaar vervreemden en emancipeert de mens van God.

Aan het proces van eenzijdige verwetenschappelijking is ook de kerk niet ontkomen. De hoog gestegen kennis met betrekking tot de oorsprongen van het christelijk geloof, de verkregen inzichten in ontstaan, inhoud en bedoeling van de bijbel en de intellectuele openlegging van de bijbelse geheimen, die eeuwenlang meer of minder verborgen bleven, kunnen niet genoeg als een grote zegen worden aangemerkt.

Maar wanneer kennis doel in zichzelf wordt en zich abstraheert van de bijbelse wijsheid, die ons in ons denken, spreken en schrijven over God onze beperkingen en verstandelijke ontoereikendheid te binnen brengt, dan lopen wij met al onze vergaarde kennis hopeloos vast. Dan mogen we intellectueel veel weten, maar dan kan er een discrepantie ontstaan tussen verstandelijk weten en innerlijke beleving, eenvoudig omdat verabsoluteerde kennis de kanalen waarlangs de Heilige Geest in ons wil werken, verstopt. De vergaarde kennis op het terrein van het geloof heeft over de brede linie van het kerkelijk leven in onze westerse samenleving generaal gesproken niet het rendement van een diepere beleving van de relatie met God opgeleverd, maar veeleer geestelijke denksystemen, behoudzuchtig of modernistisch getint, die verabsoluteerd zijn en die de eenvoudige wijsheid van het leven met God in de weg zijn gaan staan. Wanneer vergaarde kennis in de gemeente van Christus een eigen leven gaat leiden en zich niet combineert met de praktische wijsheid die de Heilige Geest ons leert, dan ontstaat er geestelijke verschraling, verkilling, verarming en onderlinge verwijdering en dan komt de onderlinge beoefening van de geloofsverbondenheid onder de spanning te staan van de kritische toetsing van eikaars kennis en inzichten, op puur beschouwelijke wijze, zonder het noodzakelijke besef, dat toch tot de wijsheid van al Gods ware kinderen behoort, dat wij hier op aarde nooit het laatste licht uit de hemel zullen ontvangen.

Wanneer de hoog ontwikkelde systematische wetenschapsbeoefening op het terrein van het geloof in het westen zich niet mengt met de milde oosterse wijsheid waarvan heel het Woord van God is doortrokken en waarin zoveel ruimte wordt gelaten voor het besef dat de Heere ons bij veel zekerheden toch ook nog veel te raden heeft overgelaten, dan kan het niet anders of men komt in de kerk voortdurend met elkaar in aanvaring.

Wij zijn nog altijd dankbaar voor de gereformeerde geloofsleer die onze vaderen voor zich en voor ons hebben verwoord en die, zoals in een conferentie enige jaren geleden duidelijk is gesteld, ook voor deze tijd nog voluit geldigheid heeft. Maar broeders, zijn wij ook in onze kerken met de belangrijkste noties van die geloofsleer, individueel en in groepsverband, niet te veel op eigen wijze aan de gang gegaan en hebben wij aan de geloofsgeheimen die er in vervat zijn, vanuit een aangekweekte of opgelegde denkhouding, niet te veel een eigen invulling gegeven, zonder die denkhouding door de Heilige Geest zo nodig te laten bijstellen? Anders gezegd: zijn wij in de kerken in ons denken niet zodanig versteend dat de diepste waarheden van het geloof geen kans meer krijgen om in ons leven door de werking van de Heilige Geest werkelijk tot gelding te komen?

Misschien vraagt u: wat heeft dit alles met de generale synode van 1983 te maken? Ik denk dat het er alles mee te maken heeft. Meerdere vergaderingen zijn ook in onze kerken over het algemeen rijk aan discussies over zaken van algemene en controversiële aard en arm aan uitingen en uitwisseling van gezamenlijke ervaring en viering van de geloofsgeheimen.

Bidt er om en legt u er zich in uw ambtelijk werk op toe, broeders, dat allereerst in de plaatselijke gemeenten, maar ook in de andere verbanden van ons kerkelijk leven, de door hoogmoed, zelfgenoegzaamheid, eigenzinnigheid en puur intellectualistisch denken aangekoekte en vastgeroeste denkbeelden worden doorbroken en dat we in kinderlijke onbevangenheid, die de Here Jezus voorwaarde noemde voor het binnengaan in Gods Koninkrijk, de werkelijkheden van zonde en genade, schuld en vergeving, rechtvaardiging en heiliging opnieuw mogen leren spellen en samen mogen leren er verrukt over te zijn dat God ons deze geheimen wilde toevertrouwen. Wanneer de vertegenwoordigers van de kerken elkaar in deze sfeer in de herfst van dit jaar mogen ontmoeten, mag er hoop zijn op een goede afloop van de generale synode en op heilzame besluiten voor de Kerk. En voor het overige begint alle geestelijke vernieuwing en verdieping bij u en mij persoonlijk. Misschien mag daarvan ook in deze conferentie sprake zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.