+ Meer informatie

Golfstaten tussen twee vuren

7 minuten leestijd

Nu de tweede Golfoorlog naar het schijnt is uitgemond in een regelrechte Iraakse burgeroorlog, heeft het zin zijn oorsprong te analyseren. Welnu, voor een goed begrip van de volledig geëscaleerde Koeweitcrisis moeten we vooral letten op een tweetal gebeurtenissen: het vredesverdrag tussen Egypte en Israël van 1979 én het einde van de eerste Golfoorlog tussen Irak en Iran in 1988. Het eerste feit werd door Bagdad gretig aangegrepen om Cairo uit de Arabische Liga te stoten en zichzelf op te werpen als de nieuwe leider van de Arabische wereld, de voorvechter van de droom van de Arabische eenheid, het zogenaamde pan-arabisme.

De oprichting van de Arab Cooperation Council (de ACC, een samenwerkingsverband van Irak, Egypte, Jordanië en het toenmalige Noord-Jemen) in februari 1989 hief weliswaar Cairo's pariapositie in de Arabische politiek publiekelijk op, maar betekende geenszins dat het regime van Saddam Hoessein de Arabische banier weer overdroeg aan het bewind van Moebarak. Hoewel Irak tijdens de eerste Golfoorlog (1980-1988) op Egypte's militaire bijstand zeer sterk was aangewezen, piekerden de Ba'athisten er niet over hun streven naar de opperheerschappij in het Golfgebied op te geven.

Vanzelfsprekend prikkelde deze onverhulde heerszucht binnen de ACC de Egyptenaren geducht. Hun diplomaten maakten er in gesprekken met westerse MiddenOostenexperts dan ook bepaald geen Arabisch staatsgeheim van dat Egypte allerminst gelukkig was met de rol van 'tweede vioolspeler'. De tweede sleutelgebeurtenis voor een beter verstaan van de tweede Golfoorlog voert ons naar de beëindiging van de vijandelijkheden tussen Irak en Iran in augustus 1988. Tijdens deze eerste Golfoorlog had Saddam Hoessein, zo concludeerde de Iraakse president, zijn beschermheerschap van de Golfstaten dik bewezen. De aanspraak van de Ba'athleider op deze positie vóór de strijd met het revolutionaire ayatoUahbewind in Teheran diende in de regio nu ook metterdaad officieel erkend te worden. De vraag is evenwel of de Golfstaten Saddam werkelijk als hun beschermer begeerden in 1980 en volgende jaren. Toegegeven: zij ervoeren Khomeini's Islamitische Republiek Iran -exporteur immers van sji'itische revoluties in de Arabische wereld— als een bedreiging voor hun nationale bestaan. Dat neemt echter niet weg dat de Golfstaten Irak nooit om bijstand tegen het Iraanse gevaar hadden gevraagd, niet tijdens de omwenteling in Teheran, noch daarna. Saddams "Republiek van de angst" boezemde hen evenveel vrees in als de geestelijke transformatie van Iran onder leiding van moslim-ijveraars.

Niet voor niets stichtten de Golfstaten onder Saoedische leiding al vrij snel na het uitbreken van de eerste Golfoorlog in mei 1989 de Gulf Cooperation Council (de GCC, het samenwerkingsverband tussen Koeweit, Qatar, Bahrein, de Verenigde Arabische Emiraten, Oman en Saoedi-Arable). Zou de GCC slechts een gemeenschappelijk front van de Arabische Golfstaten tegen Iran zijn geweest, dan had deelname van Irak toch voor de hand gelegen. Dat gebeurde echter met opzet niet. „Het was duidelijk, dat de Golfstaten Irak niet wensten op te nemen in de GCC", schrijft de Zwitserse Golfexpert Liesz Graz in haar recente boek "The Turbulent Gulf' (Londen, 1990).

Ondanks deze afweerreactie ontving Saddam Hoessein voor zijn uitputtingsslag met het ayatollah-regime jaarlijks 15 miljard dollar financiële steun van de GCC-staten. Maar nogmaals, van harte ging dat zeker niet. Eerder met veel angst in het hart voor de 'grote Arabische broer' in Bagdad. Deze geldstroom weerhield trouwens Saddam Hoessein er ook niet van zijn territoriale aanspraken op Koeweits grondgebied onverminderd en onbeschaamd te laten gelden. „Zijn werkelijke bedoeling was echter de veiligstelling van continue financiële hulp. Vandaar Iraks historische kunstgreep om de strijd tegen Iran in het traditionele kader te plaatsen van de eeuwenoude worsteling tussen Arabieren en Perzen", stelt de Göttinger hoogleraar en eminent Midden-Oostendeskundige, Bassam Tibi. Over originaliteit gesproken: ook zijn brute agressie tegen buurland Koeweit probeerde de Iraakse despoot op exact dezelfde wijze te camoufleren, inclusief de verwijzing naar roemruchte Arabische wapenfeiten tegen de verderfelijke Perzen...

Vrijwel meteen na het einde van de eerste Golfoorlog werden de GCC-staten nerveus: Irak drong er sterk op aan als zevende lid in hun midden te worden opgenomen. Dat stond gelijk aan het binnenhalen van een erkend landrover! Bassam Tibi tekent hierbij aan dat „de Iraakse leiding onder Saddam Hoessein niet wenste in te zien, dat de stichting van de GCC een reactie op de oorlog was, of nog nauwkeuriger: een reactie op de ambities van de beide buurstaten Irak en Iran".

Saoedi-Arabië en Koeweit hebben in '88 onmiddellijk een diplomatiek offensief ingezet om Irak toch maar vooral te kunnen neutraliseren. Tot hun opluchting zagen zij dan in februari '89 de al vermelde ACC ontstaan. Saddam leek mooi ingekapseld te zijn... Bovendien vloog een paar weken later de Saoedische koning Fahd naar Bagdad te afsluiting van een "niet-aanvalsverdrag" met het bloeddorstige Ba'athbewind. De betekenis van deze vorstelijke missie lag niet alleen in het afbouwen van Riaads gevoelens van angst voor Irak, maar evenzeer in het op een subtiele wijze buiten de GCC-deur houden van Saddam Hoessein!

Na de eerste Golfoorlog bestonden er voor Irak geen echte veiligheidsrisico's. Toch reduceerde Bagdad zijn militaire uitgaven niet. Integendeel: na 1988 zette Saddam Hoessein zijn bewapeningsinspanningen onverminderd voort en bouwde zo een immense militaire industrie op. De boodschap van deze strategie was klip en klaar: als Irak prioriteit verleende aan de wapenindustrie kon het een aanzienlijk arsenaal aanleggen plus een aantal wapens verder ontwikkelen, bij voorbeeld de Hoessein- en Abbas-raketten die van de Scud afstammen.

Verontrusting wekte vooral de aanmaak van chemische en biologische wapens. Bagdad had immers op het eind van de oorlog met Iran niet geaarzeld naar zijn chemische wapens te grijpen. Én na deze uitputtingsslag moordde Saddam Hoessein op identieke wijze onder zijn Koerdische bevolking. ..

Naast zijn militaire potentieel beschikt Irak over drie essentiële zaken die zijn aanspraak op het regionale leiderschap kunnen onderbouwen: olie, water (Eufraat en Tigris) en een relatief grote bevolking van ongeveer 16 miljoen burgers. Alleen buurland Iran staat met 50 miljoen inwoners op dit punt veel en veel sterker. De Golfstaten daarentegen bezitten weliswaar meer olie dan Irak, maar zijn dun bevolkt en bestaan qua territoir grotendeels uit woestijngebied. De invasie van Koeweit illustreerde dat de vrees van de Golfstaten voor een Iraakse bedreiging gerechtvaardigd was. Had op Saddams drieste optreden geen krachtige internationale reactie gevolgd, dan zou zijn blik nu al op het volgende Golfslachtoffer zijn gericht.

Merkwaardig genoeg riepen de Golfstaten ondanks hun angst voor Saddam vóór die bewuste datum van 2 augustus 1990 (Saddams inval in Koeweit) geen vreemde en zeker geen Amerikaanse hulp in. Aangeboden diensten werden steeds van de hand gewezen. Vanwaar deze bijna noodlottige houding? Wel, tijdens de oprichting van de GCC in januari 1981 in Koeweit hadden de lidstaten officieel verklaard dat „de situatie en stabiUteit van de regio een aangelegenheid van de volken en staten van de regio zelf is. Derhalve zijn wij voor een vrijwaring van de gehele regio van de aanwezigheid van vloten en buitenlandse manschappen".

Het falen van het veiligheidsconcept van de GCC kan niet alleen worden teruggevoerd op de structurele zwakte van zijn leden, maar lag ook aan de bedoeïenenmentaliteit van zijn leiders. Alle GCC-staten zijn in wezen bedoeïenenstaten. En geen bedoeïen vertrouwt een andere stam volledig. Lokale bedoeïenentrots van de olie-emirs leidde er bovendien toe dat ieder van hen niet alleen zijn eigen internationale luchthaven had, maar dat ze allen ook een eigen veiligheidsbeleid wensten uit te stippelen... Commentaar van Bassam Tibi: „De GCC overleefde de Iraakse invasie van Koeweit niet, ofschoon hij formeel is blijven bestaan".

De op 17 januari uitgebroken tweede Golfoorlog markeerde het einde van een zelfstandige veiligheidspolitiek van de Golfstaten. Om zich roverhoofdman Saddam Hoessein in de toekomst van het Hjf te kunnen houden, moesten ze na 2 augustus 1990 wel om de stationering van Amerikaanse troepen op hun grondgebied vragen. En in plaats van het fundament van zijn , Babylonisch-Arabisch droomrijk te leggen, hielp Saddam Hoessein met zijn overval op Koeweit de Amerikanen aan de door Washington zo fel begeerde logistieke bases in de Perzische Golf!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.