+ Meer informatie

IS HUISBEZOEK NOG WEL VAN DEZE TIJD?

8 minuten leestijd

VROEGER EN NU

Het huisbezoek in de traditionele vorm is niet langer vanzelfsprekend. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Om te beginnen heeft het ambt van ouderling niet meer het aanzien, dat het vroeger wel had. Dat aanzien had vooral te maken met het geestelijk inzicht, dat van een ambtsdrager mocht worden verwacht. Op huisbezoek ging het vooral over geestelijke zaken, en de ouderling moest daarin leiding kunnen geven. Als iemand eenmaal ouderling was, had hij daarmee een zeker gezag, net zoals de predikant dat had.

In vele gemeenten is er in dit opzicht een verschuiving te constateren. Het heeft ermee te maken dat de geloofsbeleving is veranderd. Was het vroeger zó, dat de vraag of men wel echt geloofde, bij velen leefde en centraal stond, vandaag staan andere vragen op de voorgrond. Men kan denken aan de waaromvraag, zoals die wordt opgeroepen door de wereldwijde honger, AIDS, een tsunami. Het leven is ook anders geworden, veel meer op directe beleving gericht, en dat roept vragen als ongehuwd samenwonen en homoseksualiteit op.

Het zijn niet alleen andere vragen, de manier van vragen wordt anders. Het besef, zondaar te zijn en alleen door genade deel te kunnen hebben aan Christus stemt mensen — als het goed is — ootmoedig. Wie aan de vragen van vandaag voorrang geeft loopt het gevaar daaraan voorbij te gaan, en haast onmerkbaar wordt de mens iemand die als ‘mondige gelovige’ aandacht voor zichzelf — en zijn vragen — opeist. In de beleving van het geloof maakt de vraag of God mij wel genadig wil zijn plaats voor de roep om directe ervaring, zoals we trouwens in vele opzichten niet langer (willen) weten van wachten en verwachten, maar het allemaal meteen willen hebben als we eraan toe (menen te) zijn.

Ik besef, dat ik met deze typering geen recht doe aan de nuances in de ontwikkeling. Het is ook geenszins mijn bedoeling de vragen van vandaag het zwijgen op te leggen. Als we echter letten op de veranderingen die de positie van de ambtsdrager in het algemeen en het huisbezoek in het bijzonder laten zien, spelen deze ontwikkelingen naar mijn overtuiging duchtig mee. In die gedachte word ik bevestigd door de waarneming, dat in die gemeenten, waar men in prediking en pastoraat sterker met de vragen van de toeëigening van het heil bezig is, de positie van de ouderling minder veranderd is dan daar, waar die vragen in geloofsbeleving en prediking naar de achtergrond zijn gegaan.

Een tweede factor die het huisbezoek minder vanzelfsprekend maakt is de toegenomen drukte van het leven, van welke aard dan ook. Tot voor enkele decennia werd op zondagmorgen eenvoudig afgekondigd wie in de komende week huisbezoek mocht verwachten. Het werd als ongepast ervaren, dat men aangaf verhinderd te zijn; het gemeentelid diende zich te schikken.

Vandaag zou een dergelijke benadering ondenkbaar zijn. We hebben onze cursussen, afspraken, uitjes en wat niet al. De ouderling of dominee moet maar een afspraak maken, en hij mag blij zijn, als hij welkom is.

Kortom: de mensen van vandaag zijn assertiever geworden, of ook: mondiger. Het wordt de kinderen al geleerd: voor zichzelf op te komen. Maar of de mondigheid van vandaag ook die van het Nieuwe Testament is, en een geschenk van de Geest van Christus?

Waarom is huisbezoek nodig?

Om iets te kunnen zeggen over de vraag waarom het huisbezoek nodig is blijf ik nog even bij de vraag over welke mondigheid we het hebben. Die van het Nieuwe Testament wordt ons getekend in Gal. 4 en Ef. 4. Duidelijk is wel, dat ‘mondigheid’ een geschenk van de Heilige Geest is, en dat ‘mondigheid’ niets anders is dan een in en door Christus bevrijd zijn en worden van de slavernij van de zonde. Wie ‘onmondig’ is, beweegt mee op de golven van de tijd, en is onderhevig aan en onder invloed van allerlei wind van leer. ‘Mondig’ zijn daarentegen is je door de ambtsdragers stevig laten binden aan Christus en je (laten) voeden met zijn Evangelie, in het midden van zijn gemeente.

Als we die beide vullingen van ‘mondigheid’ op ons in laten werken, valt het niet moeilijk in te zien, dat ze niet bepaald op één lijn zitten! Welke opvatting van ‘mondigheid’ we hebben, bepaalt nu ook in hoge mate hoe we tegen het huisbezoek aankijken. Zijn we mensen die het zelf wel uitzoeken, die ‘reli-shoppen’, of beseffen we het nodig te hebben dat we gevoed worden met het Evangelie van Jezus Christus, en zijn we blij met een goed gesprek over het leven uit en met Hem? Staan we open voor correctie vanuit het Woord van God?

Nee, ik pleit er geenszins voor op huisbezoek mensen de maat te nemen. Vroeger moet het wel zó geweest zijn, dat de ouderling keurend keek wat in de lectuurbak zat, en vroeg of men wel geabonneerd was op de juiste bladen. Vandaag, in het tijdperk van na de verzuiling, is dat ondenkbaar, al kan het wel nodig zijn om eens even door te praten over hoe we ons christen-zijn op de verschillende levensterreinen beleven en gestalte geven. Er is lectuur, waarvan gezegd kan — en moet — worden, dat we die niet in huis moeten willen hebben. Maar het meeste ziet de ouderling niet: wat gedownload is op de computer, en met wie het gemeentelid chat en waarover... Maar het kan niet zó zijn, dat op huisbezoek een aantal IJkpunten simpelweg wordt ‘afgevinkt’. Hoe dan wel?

WAT IS HET DOEL VAN HET HUISBEZOEK?

Doel van het huisbezoek is in afhankelijkheid aan Christus ‘de kudde te hoeden’. Hij is de Goede Herder, en Hij wil dat het huisbezoek zó gestalte krijgt, dat Hij in het luisteren en spreken van ambtsdragers Zelf huisbezoek kan doen. De eerste die daarvoor werd aangesteld in de christelijke gemeente was Petrus. Daar zag het eerst niet naar uit, want rond de gevangenneming van Jezus had hij het helemaal laten afweten. In het bijzijn van de andere discipelen heeft Jezus toen huisbezoek bij hem gedaan. De vraag was of Petrus Jezus liefhad. Niet zo lang geleden zou hij die vraag met een vurig en beslist ‘ja’ hebben beantwoord. Nu had hij zichzelf leren kennen op een manier, zoals hij nooit gedacht had. Alleen de Petrus die weet, dat alle zekerheid in hemzelf geen houvast biedt, en dat alleen het gebed van Christus voor hem ervoor heeft gezorgd dat zijn geloof niet is opgehouden, kan anderen op een geestelijke manier leiding geven.

Jezus gaf Petrus als opdracht zijn schapen te hoeden en zijn lammeren te weiden. Dat is: geen stenen voor brood geven, niet onbeschut en ongewaarschuwd het gevaar laten ingaan, maar ruim baan maken voor het herderschap van Christus zelf. Want daar gaat het om: dat het huisbezoek een ontmoeting wordt voor het aangezicht van God. Dat mensen ondervinden, dat hun niet de maat genomen wordt, maar dat de ambtsdrager vervuld is met de ontferming van Christus.

HOE VULLEN WE HET HUISBEZOEK IN?

Een ambtsdrager die het op huisbezoek wel even zal vertellen, heeft vandaag geen schijn van kans. Daarvoor zijn de mensen te assertief geworden. Maar de ouderling komt dan ook op de verkeerde manier. Hij doet er goed aan te beginnen met luisteren. Met zijn oren en zijn hart.

Wat leeft er bij deze mensen? Waar ‘zitten’ ze? We geven ons bloot in wat we zeggen en niet zeggen. In het Evangelie valt op, dat Jezus vaak een (wederjvraag aan mensen stelt. En niet om zichzelf buiten schot te houden, maar om de mensen ertoe te brengen te zeggen, wat ze wilden afschermen en waar ze zich zelf misschien niet eens bewust van waren. En onderwijl luisteren naar Christus, waar Hij door zijn Geest openingen biedt, ons de woorden in de mond legt, Zelf de leiding van het gesprek neemt.

Luisteren is dus niet de mensen maar laten praten. Het is goed de lijnen aan te geven, waarbinnen het gesprek plaatsvindt. De ambtsdrager komt niet voor een vrijblijvende babbel, of een meting van de waardering voor de predikant. Wie gemeenteleden in dit opzicht hun gang laat gaan, bevestigt de (verkeerde) indruk, dat dat de eigenlijke vragen zijn. Het is geen blijk van wijsheid als je mensen alleen maar kritiek laat spuien. Een ambtsdrager is geroepen de vraag aan de orde te stellen, welke plaats Christus in het leven van deze mensen inneemt. Daarbij komt het leven in zijn volle breedte en diepte aan de orde. Als vanzelf loopt een gesprek er dan op uit de gemeenteleden — én zichzelf erbij — in schriftlezing en gebed bij God te brengen.

Een goed huisbezoek kan daarom veel betekenen, zoals er ook veel schade kan worden aangericht. Maar als het aan zijn doel beantwoordt, weerspiegelt het de diepe liefde van Christus, die het verlorene zoekt. In dat opzicht is het uniek en onopgeefbaar. Als het huisbezoek vandaag ter discussie staat, moeten we juist niet de hand ermee lichten, maar in een helder weten waarom het gaat als ambtsdragers trouw ons werk doen en als gemeente dat van de kerkenraad vragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.