+ Meer informatie

Preken in de gemeente van Christus in deze tijd

34 minuten leestijd

1. Inleiding

Ter inleiding maak ik graag eerst een drietal opmerkingen:

a. eigenlijk zou hier vanmorgen een ouderling moeten staan. Die lijkt me beter geschikt om ’een antwoord te geven op de vraag of in de prediking in onze kerken nu werkelijk dingen aanwijsbaar zijn waarvan men kan en mag zeggen dat er aanleiding tot een gescheiden opstelling inzit’ zoals het doel van deze conferentie is aangekondigd. Beter geschikt dan een predikant. Om twee redenen: niet alleen draagt u als ouderlingen ’medeverantwoordelijkheid’ voor de leer en de dienst van de dienaren des Woords, maar ook bent u uit hoofde van uw gemeentelid- en ambtsdragerzijn méér in de gelegenheid mijn collega’s te horen dan ik. Derhalve past mij bescheidenheid. Hooguit zou ik kunnen ’roemen’ in het feit dat ik gedurende de laatste jaren wat preken uit de Levensbron heb gelezen, waarbij ik me realiseer dat een op de studeerkamer gelezen preek op z’n minst ànders overkomt dan een in een bepaalde gemeente uitgesprokene preek. U zult het daarom kunnen billijken als ik u vraag genoegen te nemen met wat opmerkingen van iemand die zelden een ander hoort, maar die wel zelf met hart en ziel preekt; en van mijn persoonlijke gevoelens ten deze wil ik u best wat laten merken.

b. intussen zitten we dan wel met elkaar op glad ijs vanmorgen.

Prediking en gemeentebeschouwing, christelijk leven en dergelijke zaken kwamen op de synode van 1953 al aan de orde, met als gevolg daarvan een kanselboodschap binnen onze kerken. Recenter is de instructie van de part. synode van het Zuiden op de generale synode-1974, die blijk geeft van verontrusting ’over toenemende verwijdering binnen het verband van de Chr. Geref. Kerken, welke blijkt in de verontrusting die bestaat over de prediking’ …., met een oproep tot gesprek over o.m. de beschouwing van de gemeente van Jezus Christus, het karakter van de belofte van het verbond en de verhouding wet en evangelie. Opvallend is daarbij overigens de kritiek van de synodale commissie, die van mening is dat de part. synode ’verzuimt hierbij aan te geven waarin concreet de verontrusting over de prediking… bestaat’, al is de commissie van mening dat men hieraan niet voorbij mag gaan. Als oorzaak wordt o.a. genoemd: ’de wijze waarop het verbond, binnen onze kerken, in prediking en pastoraat fungeert; enerzijds zijn er Symptomen die wijzen op een idealisering van de verbondsgemeente, terwijl anderzijds de betekenis van de verbondsbediening te weinig wordt gezien’. Het is jammer dat ook de commissie in deze aanwijzing niet verder concretiseert, hoewel bepaald onthutsend genoemd mag worden ’de praktische feiten dat door kerkeraden een selectie wordt toegepast t.a.v. predikanten die voorgaan in de bediening van het Woord en dat door kerkleden niet bij de gemeente ter plaatse, maar naar eigen keuze bij een andere gemeente aansluiting wordt gezocht’.

Wanneer we ook vandaag in deze zondige realiteit staan, dienen we onszelf te onderzoeken vanuit een eerlijk luisteren naar de Schrift en naar elkaar. En ons - waar nodig -te bekeren.

c. omdat we te maken krijgen met een zeer breed terrein, ben ik genoodzaakt een aantal - willekeurig aangebrachte - beperkingen toe te passen. Dat u daardoor misschien wat ’gemist’ zult hebben, ligt dan ook meer aan het onderwerp dan aan mij.’

2.1 De prediking

Hoewel in de samenkomst van de gemeente verschillende dementen van wezenlijk belang zijn - we zijn niet slechts ’preekkerk’; ook de verootmoediging, de viering, de gebeden en het lied zijn onmisbaar - mag toch de preek wel het brandpunt van het gemeente-zijn worden genoemd. Het behaagt de Here immers door de verkondiging van het Woord zondaren te roepen, hun het heil mede te delen, te sterken in het geloof, te vermanen en toe te rusten tot christelijk leven in deze wereld. Wij ’moeten vasthouden … dat de kerk op geen andere wijze gebouwd wordt dan door de uiterlijke prediking’ (Calvijn). De Heilige Geest werkt door het Evangelie een vast vertrouwen in ons hart en Christus vergadert, beschermt en onderhoudt zijn tot het eeuwige leven uitverkoren gemeente door Zijn Geest en Woord. In het Oude Testament lezen we dat de Here zijn profeten zendt. Christus heeft de opdracht aan zijn apostelen gegeven om ’heen te gaan in de gehele wereld’ en het evangelie te verkondigen aan de ganse schepping. En de Heilige Geest betuigt bij monde van de apostel Paulus nadrukkelijk: ’verkondig het woord’. Dat er gepreekt wordt, is een ’beschikking Gods’ (W. Kremer).

Zo is het ook door de reformatoren gezien. ’De Reformatie heeft terecht de prediking centraal gesteld’ (J. Hovius). Daaraan is de zaligheid gebonden. Het gepredikte woord wordt genoemd ’een onvergankelijk zaad’, dat wedergeboorte werkt. In Jezus Christus worden dode zondaren, verloren mensen ’door het evangelie verwekt’ en dat Woord is ook het middel waardoor wedergeboren mensen ’opwassen tot zaligheid’.

Kortom - het Woord is genademiddel. Het lijkt me goed op de betekenis daarvan nog wat dieper in te gaan.

’Een van de voornaamste oorzaken van de chronische misverstanden, de blijven de verwarring en de nog altijd voortdurende strijd, welke tussen de verschillende nuances onder de gereformeerden ten aanzien van verbond, belofte en sacrament heersen, moet gezocht worden in het niet meer verstaan, althans niet voldoende tot gelding brengen, van de primaire functie van het Woord Gods in het werk der verlossing’ (C. Veenhof). Wanner we in de kerk komen - niet om een dominee, al dan niet gevierd en geliefd, te horen, maar - ’om het Woord Gods te horen’, dan moeten we goed beseffen wat dat is. Dat woord is méér dat een mededeling van bepaalde zaken, méér dan een op een rijtje zetten van een aantal waarheden en ook méér dan een aantal regels, die ons worden voorgehouden om daarnaar te leven. Dat woord is Gods communicatiemiddel. Door het woord heeft Hij al vóór de zondeval tot mensen gesproken: ná de zondeval heeft Hij door het woord contact gezocht en de verbroken relatie willen herstellen. Zoals het woord onder mensen al communicatiemiddel is, zo is het woord van God dat nog veel dieper inzake de relatie God-en-mensen. Dat de Here, ook direct ná de zondeval, het ’woord genomen’ en zich tot mensen gericht heeft, is het grootste wonder in heel de wereldgeschiedenis. Daarmee zoekt de Here opstandigen en verlorenen, belooft Hij de verlossing, verbindt Hij opnieuw aan Zich, bewerkt Hij het heil én het beleven daarvan. Het is het woord, waardoor alles geschapen is; je zou haast zeggen: waardoor de dingen ’geschieden’. U zult waarschijnlijk wel weten dat in het O.T. ’woord’ en ’ding’ door één en hetzelfde hebreeuwse woord worden aangeduid. Het woord ’ge’geschiedt’, het ’komt’ tot de mensen, het ís en bewerkt wat het zegt. De bekende oudtestamentische uitdrukking: ’en het geschiedde na deze dingen’ (hierna) luidt soms, letterlijk vertaald: en het geschiedde na deze ’woorden’ -bv. Gen. 15:1. In het woord komt de werkelijkheid mee, wordt de werkelijkheid actueel en present gemaakt. Toegepast op de prediking van het Woord (en even vooruitlopend op wat nog komt) is het terecht als Calvijn bv. zegt ’dat Christus zich door het evangelie aan ons aanbiedt’ - ’Christus deelt zich aan ons door het woord mede’; ’de sleutel van het koninkrijk der hemelen is de genadige aanneming Gods, die wij uit het woord ontvangen’. De Bijbel zélf zegt van het woord dat het een krácht is, een hamer, een vuur, het keert niet ledig terug, het dóét wat God behaagt en waartoe Hij het uitzendt, het maakt levend, want het ís levend en krachtig.

Daarom is de verkondiging daarvan met recht een ’happening’, een gebeuren te noemen, waarvan zowel de prediker als de gemeente diep onder de indruk moeten zijn. Zó behaagt het de Here tot ons te komen. Dit moet de predikant zich bewust zijn: hij is instrument, waarvan het Woord zich bedient; dit moet ook de gemeente terdege beseffen: er wordt - door het Woord - beslag op haar gelegd.

2.2 De inhoud van de prediking

Hoewel mag worden aangenomen dat hierover althans in theorie geen verschil van inzicht bestaat, lijkt het me toch nuttig in dit opzicht wat dingen op een rijtje te zetten.

Preken in de nieuwtestamentische bedeling is ten diepste: Christusverkondiging. ’Hem verkondigen wij’ zegt Paulus. Van Filippus lezen wij dat hij, uitgaande van de onbegrepen Jesajaprofetie, aan de kamerling ’Jezus evangeliseerde’. In de apostolische prediking gaat het erom dat Jezus de Christus is en als zodanig geloofd wordt. Paulus heeft zich dan ook niets anders voorgenomen dan dít te zeggen. Jezus Christus is het concentratiepunt van de prediking, middelpunt en inhoud daarvan.

Daarmee is natuurlijk nog lang niet alles gezegd. Dit éne concentratiepunt waaiert nu uiteen in verschillende facetten, die nauwelijks allem aal en zeker niet gelijktijdig gezegd kunnen worden. Het ’woord Gods’, is het woord ’der genade’, ’het woord des levens’, want het is ’het woord des kruises’, dat ons als ’woord der verzoening’ is toevertrouwd. Daarom is dit woord ’evangelie Gods’. De Here Jezus zélf is ermee begonnen dat te verkondigen, Hijzelf is ook de inhoud daarvan. Met name het kruis, kernpunt van de verzoening, staat daarin centraal. Zó, als Gekruisigde, wordt Christus in de prediking ’voor de ogen geschilderd’. En zó, door zijn werk is Hij ook ’de hoop der heerlijkheid’ - Hij heeft de heerlijkheid voor ons verworven, Hij deelt die uit door zijn Geest en Hij brengt ons daar. Hier zit natuurlijk nog veel meer aan vast.

De Here Jezus Christus is gegeven door de Vader en Hij werkt door zijn Geest. Ook dát zal in de prediking moeten doorklinken. Wij kunnen en mogen de Zoon niet van de Vader en de Geest scheiden, al is er in de wérken wel onderscheid. Preken is: het uitroepen van de daden Gods in Jezus Christus door de Heilige Geest. Elke preek heeft goddelijke dimensie. Er wordt gesproken namens en ván Hem, die van schepping tot herschepping werkt en die daartoe Christus en de Geest gegeven heeft. Samenvattend citeer ik prof. W. Kremer: ’De prediking als bediening van het Woord Gods wil altijd spreken van de God des heils en Zijn grote werken in heilsgedachten, heilsverwerving, heilsbediening in en heilsverwachting vóór de mens, maar ook van de heilsvruchten als levensopenbaring van de homo renatus (is: wedergeboren mens)’.

Daarom komt de prediking ook met goddelijk gezag. Het gepredikte woord Gods is niet een woord van ménsen, maar ’een woord van God’. Het ware goed dat op én onder de preekstoel terdege bhjvend te beseffen! Dat bewaart de predikant voor het herhalen van oude sjablonen of het berijden van stokpaardjes; én het is een appél op de gemeente om de wezenlijke zaken van geloof en gemeente-zijn níét te zoeken in allerlei bijkomstigheden of gevoeligheden, maar om zich mét de prediker te buigen onder het gezag van het Woord. De verkondiging is proclamatie: de Here roept zijn heil over ons uit; Hij komt op ons toe; Hij verklaart ons zijn hart en Hij vraagt óns hart.

Deze proclamatie heeft iets ontzaglijk bevrijdends: de Here laat ons niet in onze schuld en verlorenheid en nood. Hij komt dáárin tot ons, zoals Hij dat reeds in den beginne heeft gedaan. ’Onze goede God … heeft Zichzelf begeven om de … mens te zoeken, toen deze al bevende voor Hem vluchtte en heeft hem getroost, belovende hem Zijn Zoon te geven’ (art. 17 N.G.B.). Er zit - naast dit bevrijdende - ook iets appellerends in de prediking: de mens kán en mág niet vrijblijvend tegenover deze goede en zoekende God blijven staan. Het woord des heils vraagt ons antwoord. De verkondiging van het Koninkrijk heeft juist dáárom ook in zich de oproep tot bekering en geloof. Zo heeft Johannes de Doper gepreekt, zo de Here Jezus zélf, zo is het aan de apostelen opgedragen, zo is het ook door de kerk beleden. Zo staan we als herauten van de Here en Zijn Rijk op de preekstoel; en zó hebben we dat Woord te horen en aan te nemen.

Tegelijk heeft de prediking iets onthullends: ze maakt ons bekend wie de Here is, ze maakt ons ook bekend met onszelf. Daarom is de prediking een ’polair gebeuren’: de heilige God wil de zondige mens ontmoeten; de Vader zoekt zijn vluchtend kind; de getrouwe Here de ontrouwe mens. Dat kan, al naar de tekst ’t ons aanreikt, vanuit verschillende gezichtspunten geschieden. En dat is maar goed ook. Het ’onthullende’ karakter van de verkondiging gaat verloren, wanneer we alsmaar hetzelfde zeggen vanuit een vooropgezet schema; daarmee kan de prediker het zichzelf gemakkelijk maken. Het is in ieder geval gemakkelijk voor de gemeente, die bij het derde woord dan al weet hoe het vervolg van de zin zal luiden.

Daarom zou ik in dit verband ook willen pleiten voor een grondige exegese. Wij zijn het verplicht, zowel ten opzichte van het heilig Woord van God áls ten opzichte van Zijn heilige gemeente het Woord nauwkeurig af te luisteren en telkens te vragen wat er stáát. ’Wie geen exegeet in zijn preken is, kan misleiden en bedriegen voor de eeuwigheid; hij loopt gevaar te troosten op valse grond; hij kan verrader zijn aan de grote zaak van het koninkrijk Gods, die nauw verbonden is met tekst en uitleg’ (W. Kremer). Dit is een geestelijke instelling, die van de prediker een opzijzetten van eigen meningen en schema’s vraagt; het mag van de gemeente gevraagd worden dáárnaar te luisteren.

Uiteraard kunnen we niet alles in één preek zeggen; daarvoor is de veelzijdigheid van het Woord Gods te groot. Als maar recht gedaan wordt aan de tekst. In dit verband zou ik graag willen wijzen op het nut van een goed contact tussen predikant en kerkeraad over de prediking. U, broeders ouderlingen, draagt medeverantwoordelijkheid voor de leer en dienst van ons, predikanten. Ik kan u zeggen dat het mede daarom voor mij altijd een bijzonder goede zaak is geweest van tijd tot tijd met de broeders kerkeraadsleden over de prediking te praten. Níét in de zin van: ’t is wel goed zo; maar vanuit déze achtergrond: doe ik het Woord van God recht én komt de gemeente aan haar trekken. Het spreekt vanzelf dat er dan altijd wensen overblijven. Maar dat is niet erg, zolang we maar bereid zijn zowel ons preekwerk áls onze wensen te toetsen of ze uit God zijn.

Een apart punt lijkt me gewijd te moeten worden aan de vraag naar de plaats van de méns in de prediking. Waarschijnlijk heeft dit ook wel ’t een en ander te maken met de hier en daar gesignaleerde verscheidenheid of zelfs: gèscheidenheid. Iemand vertelde me eens - ’t was een min of meer losse opmerking in een gesprek en ik ben niet in staat de juistheid daarvan te controleren; u zult dat beter kunnen beoordelen - dat vroeger de prediking meer beschrijvend was, dat de ”weg des Heren” met een mens en daardoor ook de méns met zijn ervaringen meer in het middelpunt stond; daarna kwam er een periode van meer verbondsmatige prediking, terwijl nu de exegese de nadruk heeft. Nu lijkt me dit laatste eerder een winst dan verwerpelijk: wij hebben meer te graven in het wóórd dan in de méns. Waarmee ik niet wil zeggen dat die mens niet aan bod komt. Het bevrijdende, appellerende én onthullende element in de prediking zal ook de hoorder moeten brengen tot een antwoord op de vraag wie hij/zij is en waar hij/zij staat. Het lijkt me duidelijk dat de gemeente moet voelen dat het háár geldt. ’Dat is onderwerpelijk. Dit persoonlijke element dient zwaar accent te ontvangen. Er mag niet vrijblijvend voor toeschouwers gepreekt worden. Preken is geen karteringsvlucht over het gebied van het geestelijk leven. De beschijvende preek is krachteloos. Zij is een pijl zonder punt. Calvijns woord dat het bloed van Christus in de preek moet druppen, is waar. Daarom waarschuwt hij tegen ”ijskoude speculaties” (W. Kremer). Er zit in de wat ik zou willen noemen ’catalogiserende prediking’ een groot gevaar: eigen, al dan niet theologische, gedachten kunnen gaan heersen over de tekst; men kan, bewust maar misschien nog vaker onbewust, uitgaan van een bepaald schema dat een versmalling is; en de gemeente kan het risico lopen dat ze bij bepaalde schema’s, kenmerken of gestalten blijft staan en dat deze zaken de plaats innemen van het levende Woord zélf. Prediking is nooit ’positie-consolidering’.

Ik waag vanmorgen de stelling dat er principieel gezien nauwelijks enig verschil is tussen een psycholigiserende beschrijvende prediking én een modern activistische medemenselijkheidsprediking (ik generaliseer even voor de duidelijkheid). In beide staat de mens centraal. Anderzijds is en blijft het natuurlijk volkomen waar, dat het Woord God zelf - waar dat tot z’n recht en volle gelding komt - schiftend werkt. En vanuit dat woord, dat gericht is tót de mens, wordt ook onthuld hóé die mens is - in zijn zondigheid en verzet, in zijn afkeer en verborgen weerstanden, in zijn strijd en twijfel, in zijn geloof en verootmoediging, in zijn vreugde en heiliging. Zo tekent op grond van Gods Woord de belijdenis de mens en zo zit die mens in levende lijve voor ons. ’En het is juist de prediking die als bediening des Woords tot geestelijke leiding in deze werkelijkheid wil ingaan’ (W. Kremer). Waarbij we dan hebben vast te houden dat het totaal van de geloofsbeleving ten allen tijde valt onder de norm van Gods Woord. En hierbij moet ik even herhalen wat ik al eerder gezegd heb: het is onmogelijk in één preek álles te zeggen. Uitgaande van de tekst zullen we díé facetten hebben te belichten, die ook werkelijk in die tekst en in het tekstverband zitten en naar voren komen. Daarmee en binnen dát kader krijgt ook de mens zijn plaats, maar altijd ondergeschikt aan wat de Here doet door Woord en Geest. Belangrijker lijkt me ook dat we weten en beleven dat en hoe de. Here tot een mens komt dan dat we uitvoerig nagaan hoe een mens tot Christus komt. Anders gezegd: het gáát ten diepste niet om de mèns, hoe vroom misschien ook, maar om wat de Here in/aan zo’n mens doet. Geestelijk leven is niet een éígen leven, maar het leven en werken van de Geest in ons.

Dat betekent ook dat men in dit opzicht de tekst niet mag overvragen of met geweld daarin bepaalde dingen moet ’inwringen’. Toen ik - jaren geleden - eens ergens preekte (’t was over een tekst uit het slot van Rom. 8) maakte na de dienst een broeder de opmerking dat hij ’wat gemist’ had. Natuurlijk kán zoiets het geval zijn. Maar ’t werd m.i. bedenkelijk toen bleek dat hij verwacht had dat ik over Rom. 8 zou preken in de toonzetting van ps. 51. En dát nu lijkt me een vooropgezet schema, waarmee we dan het brede en veelzijdige woord van God benaderen - tot schade van dat Woord én van onszelf! Niet wat ík vind of meen of verwacht, is belangrijk; het Wóórd beslist.

3. Het adres van de prediking

Het wordt nu hoog tijd wat te zeggen over wat u ook als belangrijk element is aangekondigd, nl. ’de gemeente-beschouwing’.

Voorop moge staan dat het Woord Gods ménsen geldt, zonder onderscheid. Het is een ’woord voor de wereld’, dat aan de ganse schepping verkondigd moet worden. De Here Jezus heeft opgedragen ’alle volken’ tot zijn discipelen te maken. Maar we geven nu slechts aandacht aan de gemeente.

We zullen het er allen wel over eens zijn, dat de gemeente niet gevormd wordt door een willekeurig samengeraapt stelletje mensen als ’geliefde toehoorders’, maar dat ze ’gemeente des Heren’, verbóndsgemeente is - door de doop ’van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd om geheel Hém toegeëigend te zijn’ (art. 34 N.B.G.). Binnen deze gemeente is zowel aan de volwassenen als aan de kinderen ’door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest die het geloof werkt, toegezegd’ (H.Cat. antw. 74).

De Here zelf heeft deze bijzondere relatie gelegd; in de oude bedeling met Israël, in de nieuwe met de kerk. Het geheim van die relatie is dat de Here dan ook spreekt van ’mijn volk’ (zo bv. duidelijk bij de profeet Hosea); de leden van de gemeente zijn krachtens Goddelijke beschikking ’kinderen van het koninkrijk’, ’ranken aan de wijnstok’. In Corinthe wordt de gemeente ’Gods akker, Gods bouwwerk’ genoemd. Van de nieuwtestamentische gemeente worden dezelfde heerlijke dingen gezegd als van de oudtestamentische, zij het dat de rijkdom onder de nieuwe bedeling nóg groter is. Deze positie van de gemeente geeft aan de prediking een bijzondere kleur en kracht: daar klinkt niet het woord van een vreemde tót vreemden, maar het woord van de Here, de in liefde verkiezende en roepende God, de bruidegom, de man, de herder van zijn volk en kudde. Preken in de gemeente is dan ook voluit verbondsbediening. De Here vraagt waar Hij recht op heeft; Hij wil geven wat Hij belooft; Hij wil ook de nieuwe verbondsgehoorzaamheid bewerken. De prediking in de gemeente mag en moet de schatten van het verbond uitstallen en aanbieden, mét bevel van geloof en bekering. Jazeker, ook dát. We zijn nuchter genoeg om toe te geven dat bínnen deze verbondsgemeente een grote verscheidenheid is. Er is ’een staalkaart van kleuren, tussen het zwart der onmogelijkheid en het wit der vanzelfsprekendheid’ (J. Overduin). Paulus kende het al en wie midden in de kerkelijke praktijk staat, beaamt het: ’niet allen die van Israël afstammen, zijn Israël en zij zijn ook niet allen kinderen omdat zij nageslacht van Abraham zijn’. Gods akker kent ook onkruid. De profeten moesten er soms in de naam des HEREN op ín houwen, omdat er verbondsautomatisme dan wel verbondsbreuk was. Johannes de Doper moet juist binnen de verbondsgemeente oproepen tot bekering en het dragen van goede vrucht; de apostelen hebben naast de dankzegging voor het goede van geloof, hoop en liefde binnen de gemeente ook moeten waarschuwen en vermanen, zelfs moeten buitensluiten; en de Here Jezus maakt ons in de brieven aan de zeven Aziatische kerken duidelijk dat niet alleen ín die gemeente bekering nodig is, maar dat zelfs een levend-lijkende kerk dóód kan zijn.

Dat betekent dan ook duidelijk dat er binnen één en dezelfde gemeente ’onderscheidend’ gepreekt moet worden. Naar twee kanten: er zijn er voor wie het Koninkrijk van God moet worden toegesloten, omdat zij zich niet van harte bekeren maar ongelovig blijven; en bíinnen de kring van hen die wél ’de belofte van het evangelie met een waar geloof aannemen’, is er grote variatie - een variatie die ook in onze belijdenisgeschriften op verschillende plaatsen duidelijk onder woorden is gebracht. Het is juist het verbond dat aan de prediking in de gemeente extra gewicht geeft: niet veronderstellend, alsof alles wel in orde zou zijn; ook niet kleinerend, alsof die gemeente niet een geweldig ’pré’ zou hebben.

Dit geeft ook weer het boeiende van de prediking; telkens kunnen weer andere facetten worden getoond.

Ik wil hier nog aan toevoegen dat de gemeente - behalve onder het verbond én in onvolkomen beleving daarvan - ook leeft temidden van een wereld, die van nature niet geneigd is naar de Here en zijn dienst te vragen. In deze wereld doorleeft de gemeente wisselende situaties, heeft ze te maken met economische, politieke, maatschappelijke en ethische zaken en leeft ze in een sociaalculturele omgeving die een geheel andere geest ademt dan het evangelie en het verbond. Het gevaar bestaat dat de gemeente, wetend dat ze daar niet tegen óp gewassen is, zich in zichzelf terugtrekt, zich koestert in eigen veiligheid, een soort besloten club wordt en geen oog meer heeft voor de wereld, voor de taak daartegenover en voor de plaats daarin. Of - en dat is even reëel - de gemeente wordt ontrouw aan het verbond, beleeft te weinig het onderscheid tussen kerk en wereld en gaat in die wereld op. Ook in dit opzicht zal de prediking opvoedend, onderwijzend, vermanend, vertroostend, bemoedigend en bestraffend bezig moeten zijn. En zou het niet concreet zó kunnen zijn, mannen broeders, dat we in dit opzicht eens wat minder naar elkaar zitten te kijken of en in hoeverre we uit elkaar gegroeid zijn en eens wat meer een poging ondernemen hierin vanuit het Woord Gods en in christelijke ootmoed de ander uitnemender achtend elkaar te corrigeren waar dat nodig is?

4. Het doel van de prediking

Er wordt gepreekt - waarom? ’Juist omdat God in Christus zulke rijke beloften schenkt en met zulke ernst en waarachtigheid; daarom is er nu alles aan gelegen dat wij door het oprechte geloof deze beloften aanvaarden’ (C. Graafland). Het gaat erom dat ’Christus door het geloof in uw harten woning make’. ’De Heilige Geest wil met de gemeente en de enkelink naar het volle heil Gods’ (W. Kremer). Daar heeft de Here recht op, daardoor wordt ook de gemeente gebouwd. En die opbouw is deze: dat ’Christus in u gestalte’ krijgt. En Petrus beveelt de lezers van zijn brief dat zij opwassen ’in de genade en in de kennis van onze Here en Heiland’. Vooral Paulus schrijft daar in Eph. 4:11-16 behartenswaardige dingen over. De prediking moet er dan ook op gericht zijn, dat de gemeente - vanuit het kennen van God en het beleven van de volheid in Christus door de Heilige Geest - een ’weltoegerust volk’ is, zodat de gemeente op haar beurt des te beter in staat is de deugden te verkondigen van Hern, die haar geroepen heeft.

Waar zo - door prediking en ambtelijke bearbeiding - Christus gestalte in de gemeente als geheel en in de gelovigen persoonlijk krijgt, daar wordt de gave van wijsheid, rechtvaardiging, heiliging en verlossing meer en meer beleefd, en de Here geroemd. En waar Christus in de harten leeft, daar blijft het niet beperkt tot of opgesloten binnen de verinnerlijktheid; juist vandaaruit wordt het zichtbaar naar buiten. Geloofsleven is niet puur geestelijk in die zin dat het ons aardse en lijfelijke bestaan niet zou raken. Integendeel - de Heilige Geest grijpt héél het leven aan en dringt door tot in alle onderdelen daarvan. Zó worden we - door een schriftgetrouwe Christusprediking, die door de Heilige Geest gezegend wordt - meer en meer wat we mógen zijn: ’mens Gods, tot alle goed werk volkomen toegerust’.

Het komt me voor, mannen broeders, dat déze zaak misschien wél meer dan vroeger aandacht krijgt, maar wellicht toch nog te weinig. De prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze hééft een noodzakelijk-inwendig gevolg: de rijke Christus vergeeft niet alleen de schuld van onze zonde, maar Hij verbreekt ook de mácht daarvan. En ieder, die door zijn Woord tot geloof wordt gebracht, wordt ook geleid tot een wandel in het licht en een dóén van de werken des Lichts. En voorzover ik het kan bekijken, heeft de gemeente juist in onze tijd dringend behoefte aan in dit opzicht bevrijdende en toerustende prediking. Zo komt ook de Here aan zijn eer.

5. Spanningsvelden

Als ik nog wat van uw tijd en aandacht mag vergen, wil ik u graag enkele spanningsvelden aanwijzen, die er zijn rondom de prediking en de gemeente. Mogelijk kan daarin een handreiking zitten tot verdere bespreking, wellicht ook om na te gaan óf er onder ons wezenlijke dan wel praktische verschillen zitten en zo ja, waarin die dan bestaan. Ook hier een wat willekeurige greep - allereerst

A. naar de kant van de prediking.

1. Er is nauw verband tussen Woord en Geest. Door deze twee vergadert de Here Jezus zijn gemeente. Wij mogen ook gerust volhouden dat de kerk als lichaam van Christus en dat de gemeente als tempel en woonstede Gods de werkplaats is van de Geest. En die werkt niet buiten het Woord om. De kerkgeschiedenis heeft ons heilloze voorbeelden te zien gegeven van situaties, waarin Woord en Geest van elkaar werden losgemaakt. En nóg kan het voorkomen, dat er mensen in de gemeente zijn, die wachten op zoiets als een bijzondere openbaring door de Geest, los van het Woord dát is immers maar een dode letter. Ik dacht dat we in díé situatie heel goed de relatie tussen Woord en Geest moeten vasthouden. De Geest maakt gebruik van het Woord en zegt hetzelfde als het door Hem geinspireerde Woord.

Anderzijds huiver ik ervoor zózeer Woord en Geest aan elkaar te verbinden dat hier sprake kan worden van een zeker automatisme. ’t Is waar: God spreekt door onze mond. Dat geeft een zekere huivering, een grote mate van bescheidenheid en voorzichtigheid. Laten wij dan zó exegetiseren en preken dat wij geen barrières voor de Geest opwerpen. Ik geloof dat Gód het doet - door het woord, dat Hij in onze mond legt. Ik geloof tegelijkertijd dat de Here God vérder reikt dan ik met uiterlijke prediking van het evangelie kan komen. De Geest dringt door tot in de diepste schuilhoeken van ons hart en doet daar het levendmakende en vernieuwende werk. Maar dat werk, zo sterk als schepping en opwekking, brengt er dan ook toe dat het Wóórd geloof vindt. Biddend dat de Geest het woord gebruiken wil, preken we met moed en kracht, gelovend dat het woord niet ijdel is naar Gods eigen belofte.

2. In verband hiermee wil ik ook wijzen op de wat ’ambivalente positie’ van de predikant. In zijn preekwerk staat hij enerzijds geheel aan de kant van God; hij heeft niets anders te zeggen dan wat de opdracht van zijn Zender is. Het ’zo spreekt de Here’ moet duidelijk doorklinken. Hij is heraut en de preek is verkondiging. Anderzijds staat de predikant midden in de gemeente, als gemeentelid én als pastor. Hij moet van Godswege deuren open/dicht doen; hij staat meteen ook naast de mens-bij-die-deur. De herauf houdt een homilia mét de gemeente en verwoordt ook in de preek haar strijd en twijfels en zorgen; tegelijkertijd heeft hij ín die strijd enz. de weg te wijzen. Je moet als predikant dan ook gedurig op je hoede zijn om te vallen in de verzoeking dat je je richt naar de Verlangens van de mensen of aan hun wensen tegemoet komt. Wanneer onbekeerde mensen graag een dominee horen, omdat ze intussen bij hem onbekeerd blijven en niet worden opgeschrikt uit hun valse rust, is er fundamenteel iets mis.

3. Er zijn verschillende onderscheidingen gemaakt in verband met de prediking. U kent de schema’s wel: voorwerpelijk - onderwerpelijk, exemplarisch -heilshistorisch, en dergelijke dingen meer. Eerlijk gezegd kan ik daar weinig mee beginnen. God is in zijn woord op een ontmoeting uit, opdat we oog in oog met Hem komen te staan. Wie goed in de gaten houdt, Wíé hier spreekt, wát er gezegd wordt, in welke situatie en tot wie het gesproken is, kan m.i. deze tegenstelling overwinnen. Elk schema is in feite een verarming. De Schrift betuigt ons méér dan wij in een bepaald schema of een indeling kunnen vangen.

4. Een ander spanningsveld is dat van ’wet en evangelie’. Het zou een aparte vergadering vergen om daarop diep en afdoende in te gaan. Daarbij zou ook een stuk eigen kerkelijke historie ter sprake moeten komen. Toch geloof ik dat in dít spanningsveld wel aanleidingen tot verschillen kunnen zitten, vooral wanneer hier een geijkte geloofsweg wordt gehanteerd vanuit een bepaalde interpretatie van de Catechismus. Dan wordt gezegd: ’men moet eerst ontdekt worden voordat Christus wordt geopenbaard, want alleen verlóren zondaren kunnen door Christus behouden worden’ (C. Graafland). Kennis van zonde is dan een voorwaarde om voor het heil in Christus in aanmerking te mogen komen. ’Het gevolg daarvan is dat velen zich pijnigen met de vraag of zij al genoeg zondekennis bezitten en zo geheel gericht worden op zichzelf in plaats van op Christus. Velen worden zodoende opgehouden in hun vrijmoedig gaan tot Christus’ (C. Graafland). Maar - is de ontdekking ook niet reeds genadewerk? Hoe kon bv. Jesaja zeggen: ’wee mij - ik ben een man, onrein van lippen en woon temidden van een volk dat onrein van lippen is’, als hij niet eerst de heerlijkheid van de HERE der heerscharen gezien had? Als wij het woord van de Here Jezus beamen dat wij ’zonder Hern niets kunnen doen’, dan komen we ook niet zonder Hern tot de rechte kennis van onszelf. De Here is - als God van het verbond - altijd de eerste, óók in de ontdekking van onze schuld. En die ontdekking is genadewerk, zoals de wet evangelisch is en het evangelie wet bevat. ’Hoe evangelischer de wet wordt gepredikt, des te dieper en totaler vernedert en ontdekt zij de mens. Daarom is het juist, dat de mens zich het diepst schuldig leert kennen in de ontmoeting met de gekruisigde Christus, in wie de eis der liefde het meest indringendst wordt geopenbaard’ (C. Graafland).

5. Een volgend spanningsveld betreffende de prediking is dat men soms een tegenstelling meent te horen tussen wat men noemt ’het aloude en onveranderlijke woord van God’ én de vorm, waarin het gebracht wordt. Natuurlijk is het Woord zélf voor alle tijden en mensen gelijk. En de openbaring is ook âf. Maar dat betekent níét dat de toepássing en de vormgeving daarvan ook voor alle tijden dezelfde is. De Here gaat met zijn eeuwig Woord de geschiedenis in en naar mensen in steeds wisselende situaties. Ik wil dat Woord volop laten staan; de Here heeft zich genoegzaam geopenbaard. Maar ik moet ook de mens aanspreken in zijn situatie. Dat betekent níét dat die situatie bepalend is; er is veeleer sprake van een wisselwerking in díé zin dat ik niet maar wat klanken of waarheden moet herhalen, maar dat de mens die het geldt de klank verstaat én de waarheid leert kennen.

Gods openbaring is zó diep gegaan, dat het ’Woord vléés geworden is’. Hij is heel dicht bij de mensen gekomen; Hij is onze taal gaan spreken. Daarom kunnen we ook niet tijdloos preken. In de prediking moet telkens weer onder woorden worden gebracht wat het Woord Gods in déze situatie, vanuit déze tekst en voor déze mensen te zeggen heeft. Dat is een gedurige worsteling; ik moet u zeggen dat het heel wat vraagt om het eeuwig-actuele woord van God zo te vertolken dat én aan dat Woord recht wordt gedaan én aan de situatie van de gemeente in deze tijd. Maar ik heb liever déze spanning dan een tijdloze of clichéachtige preek of een preek, waarin het gaat om bv. alleen maar ’derde-wereld-problematiek’. Het woord is het waard, dat we er zóveel moeite voor doen dat het naar inhoud en vorm wordt gebracht als een woord Gods voor déze tijd. Hierbij kan ook het taalgebruik een rol spelen. Paulus gebruikt in de synagoge andere woorden dan op de Areopagus; maar de zaak van Christus zélf komt echt wel aan de orde! Er zijn - je zou haast zeggen: - onvervangbare woorden; er mag ook wel een eigen kerktaal zijn. Maar dan wél verstaanbaar! En in dat opzicht moeten we onze broeders en zusters, jongens en meisjes níet overschatten. Een herhaalde peiling, zowel bij catechisanten als bij gemeenteleden, heeft me geleerd dat we gauw ’te moeilijk’ spreken; of dat we bekend veronderstelde woorden gebruiken, terwijl die nauwelijks iets zeggen. Dat daarmee een desinteresse wordt gekweekt, lijkt me duidelijk. Daarom durf ik rustig het pleit te voeren voor eigentijds woordgebruik. Ambtsdragers en gemeenteleden behoeven echt niet bang te zijn dat een getrouw en oprecht dienaar des Woords, die ernst met deze dingen maakt, bepaalde wezenlijke zaken als bv. wedergeboorte verdoezelt. We moeten ons ook niet laten verleiden tot een ’horen-op-de-klank-af’ en wanneer we dan niet meteen het vertrouwde horen, tot het zeggen dat de dingen niet meer genoemd worden.

B. Kort, voorzitter en mannen broeders, wil ik nog enkele spanningsvelden noemen met betrekking tot de gemeente:

1. zoals gezegd, is daar variatie in. We moeten ook nuchter vasthouden dat iemand niet pas dán broeder/zuster is, als die met ons in dezelfde pas loopt, naar hetzelfde schema leeft, dezelfde opvattingen huldigt of in hetzelfde tempo zingt. Naar Gods Woord kent de gemeente een grote gevarieerdheid, binnen déze eenheid dat zij verbondsgemeente is onder het ene Hoofd Jezus Christus.

Nu zijn er - geestelijk gesproken - in de gemeente mensen, die nog ’melk’ nodig hebben; anderen zijn reeds aan het vaste voedsel toe. De prediking moet daar rekening mee houden, al valt dat niet altijd mee. Het komt meer dan eens voor dat een woord van bemoediging naar zich toe wordt gehaald door mensen die eigenlijk meer een vermaning hebben verdiend, en omgekeerd, dat mensen die bemoedigd moeten worden, zich de waarschuwing aantrekken. Deze spanning is mét het Woord én met het gemeente-zijn gegeven. Men zij ten deze wijs en voorzichtig.

2. de prediking houde er rekening mee dat er onbekeerden, pasbekeerden en verdergevorderden in de gemeente zijn. Ook vandaag is de gemeente nog niet zover dat zij aan het ideaal van de apostel beantwoordt. Wel moet serieuze aandacht worden gegeven aan het feit, dat er ook onder onze kerkleden velen zijn, die graag wat verder willen komen in het geloof en in de kennis van onze Here en Heiland. Het confessionele ’hoe langer hoe meer’, dat z’n basis vindt in het Woord van God zélf mag ook in de prediking niet ontbreken.

3. een derde spanningsveld ligt in de verhouding tussen genade en verantwoordelijkheid. We zijn het erover eens dat alles - van het begin tot het eind - genade is, zowel de gave van de wedergeboorte als het geloof en het leven uit het geloof. Dit mag de gemeente nooit vergeten. Waar aan de genade tekort wordt gedaan, kwijnt het gemeentelijk leven en komt de verstarring als een dodelijk gevaar in de kerk. Het is juist de genade én het beleven daarvan, die een diepe glans over het persoonlijke én gemeenteleven legt. Dat heft overigens de verantwoordelijkheid niet op. De Here behandelt ons als ménsen, niet als ’stokken en blokken’. En juist binnen het kader van de gemeente als verbondsgemeente mag en moet gedurig een beroep worden gedaan op de verantwoordelijkheid, zoals dit bv. ook meerdere malen geschiedt in de brief aan de Hebreeën. Het is zaak hier te zorgen voor een goed evenwicht, opdat de gemeente bewaard blijft voor lijdelijkheid enerzijds en krampachtig activisme anderzijds.

4. als laatste spanningsveld voor de gemeente zou ik willen noemen dat ze voortdurend wordt opgeroepen zichzelf kritisch te beoordelen onder het Woord van God en onder de tucht van de Heilige Geest. Zo gauw kan er iets ménselijks binnensluipen dat tenslotte gemakshalve voor ’goddelijk’ wordt aangezien. Wij zullen bereid moeten zijn om opvattingen en posities, die de toets van de bijbelse kritiek niet kunnen doorstaan, op te geven. Gemeente-zijn is ook: onderweg-zijn, een beseffen en beleven dat we hier ’geen blijvende stad hebben’. Daarom zit er principieel iets onrustigs in het gemeente-zijn; het Woord roept ons wakker en drijft ons voort. Daarom is het niet genoeg wanneer we volstaan met te zeggen ’dat het nu wel goed is, zo’; de Geest die in ons woont en naar de toekomst verlangt, wil ons ook altijd brengen tot de vraag of ’t misschien nóg beter kan. En als het goed is, zal de gemeente voortdurend bezig zijn zich gereed te maken voor de komst van haar Heer en Bruidegom.

6. Tenslotte,

’onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren’. Ook ons preken én ons spreken valt onder dit oordeel. Daarom eindig ik met twee citaten. Het eerste is van prof. Kremer: ’Men zou zeggen dat het na zoveel eeuwen toch wel tot de gemeetne doorgedrongen zou zijn dat de volmaakte prediker en daarom de volmaakte preek nog niet op aarde versehenen zijn. Het zoeken daarnaar zal voor de gemeente een moeilijke bezigheid blijven. En zij mag ook wel eens bedenken dat degene die het meest van de onvolmaaktheid van al zijn werk, en wel bijzonder van zijn preekwerk overtuigd is, de prediker zelf is’.

En het tweede citaat, ter inkeer voor ons allen, is het woord dat een eenvoudige broeder eens onder zijn kritiserende medearbeiders op het werk zei: ’Indien wij déden naar wat de slechtste preek ons voorhield, wat zouden er dan geweidige dingen in ons leven geheuren!’

In het bovenstaande zijn de ’aanhalingen’ weggelaten. Voor het grootste deel kan men zelf wel de verwijzingen naar de Bijbel vinden en zullen ook de citaten uit de belijdenisgeschriften wel bekend zijn. Wie zich wat verder in deze zaak wil verdiepen, kan o.m. bij de volgende literatuur terecht:

’Woord en Kerk’ - Herdenkingsbundel 75-jarig bestaan van onze Theol. Hogeschool, en daarin m.n. de artikelen van prof. J. Hovius en W. Kremer.

’Priesterlijke prediking’, een verzameling van voordrachten en artikelen van prof. W. Kremer.

C. Veenhof, Prediking en Uitverkiezing.

C. Graafland, Verschuivingen in de gereformeerde bondsprediking.

A. G. Barkey Wolf e.a., Hoe vindt U dat er gepreekt moet worden?

O. Jager, Eigentijdse verkondiging.

T. Brienen, De prediking van de nadere reformatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.