+ Meer informatie

‘IK WIL GEEN HUISBEZOEK’

8 minuten leestijd

Zo nu en dan komt het voor: bij de verslagen van de huisbezoeken op de vergadering van de kerkenraad meldt een broeder dat hij op een zeker adres geen huisbezoek heeft kunnen afleggen: men wilde geen moment voor een ontmoeting afspreken. Eerst ‘schikte het niet’ op de voorgestelde da-tum, en ook een andere datum kwam niet uit. Na een paar weken nog eens geprobeerd, en toen kwam het hoge woord eruit: ik wil geen huisbezoek. Een andere broeder had te maken met een gemeentelid dat iets assertiever was: nog voor hij toekwam aan het plannen van zijn bezoek was hem op het kerkplein al toegevoegd dat hij niet hoefde te bellen: hij/zij stelde er geen prijs op. Wat nu?

Schade uit het verleden

Als men zoekt naar de redenen van het weigeren van huisbezoek, dan komt men tot de ontdekking dat deze best divers zijn. Zelf weet ik uit mijn eerste gemeente dat er een mevrouw was die pertinent geen huisbezoek wilde ontvangen. De ouderling mocht wel ‘gewoon een kop koffie komen drinken’. Deze ouderling, een wijs mens, ging prompt op dit aanbod in. Onaangekondigd (!) belde hij aan, kreeg een kop koffie en er ontspon zich een hartelijk en op een gegeven moment ook diepgaand gesprek. Aan het einde van het koffieuurtje zei hij: ‘Zullen we het maar als huisbezoek noteren?’ En enigszins verbluft kwam deze zuster van de gemeente tot de ontdekking dat het dat inderdaad geweest was: een huisbezoek in de goede zin van het woord: een ontmoeting van hart tot hart. Dat schrijf ik erbij, want zij had dermate slechte herinneringen aan de huisbezoeken die zij eerder had moeten ondergaan (dit werkwoord gebruik ik bewust) dat zij zich heilig had voorgenomen dit in haar huis (waar de ouderling toch gast is!) nooit meer toe te staan.

Wanneer iemand dus meldt liever geen huisbezoek te ontvangen, loont het de moeite om na te gaan of er bepaalde blokkades uit het verleden liggen. Met wijsheid kan dat soms overwonnen worden. Een dergelijk bezoek hoort immers geen ‘preekkarakter’ te hebben, of een bezoek ‘uit de hoogte’ (al komt men in naam van de allerhoogste God), maar een gesprek waarin de bezochte de ruimte krijgt om als volwassen belijdend lid het hart te openen. Zodoende verwordt het bezoek niet tot een bezoeking.

Tot deze schade uit het verleden reken ik ook het gegeven dat er (meestal vrouwelijke) gemeenteleden kunnen zijn, die te maken hebben gehad met misbruik tijdens de pastorale bezoeken (die daarmee deze aanduiding niet waardig zijn). De schade die daardoor ontstaan is, is reden voor een blokkade. Ze is vaak slechts te overwinnen met goed overleg en geboden ruimte door de kerkenraad/ wijkouderling. Kan hij wellicht samen met zijn vrouw op bezoek gaan? Of kan een vrouwelijke pastorale medewerker in dit geval het contact opbouwen en onderhouden?

SLECHTE VERSTANDHOUDING

Een andere keer wordt de deur voor het huisbezoek dichtgehouden, omdat het gemeentelid en de ouderling niet op gelijke golflengte zitten. Het ‘klikt’ gewoonweg niet tussen die twee (of tussen de ouderling en het gezin/echtpaar). Ieder weet dat voor het gesprek bij het huisbezoek een zekere mate van vertrouwelijkheid nodig is. Men moet bereid zijn, zoals ik hierboven schreef, om het hart te openen. Om iets te laten zien van het werk van de Here, van de Heilige Geest, in het leven. Dat is iets teers en het vraagt ook om een zekere ruimte. Niet altijd lukt dat, en soms ligt dat aan het feit dat de bezoeker en de bezochte elkaar niet goed verstaan. Het taalveld is compleet verschillend, of de vragen zijn te direct of onhandig gesteld ; men ‘ligt elkaar niet’. Nu moet een kerkenraad niet al te snel het hoofd in de schoot leggen, maar als blijkt dat hier echt een struikelblok ligt voor een fijn gesprek, dan is te overwegen om een andere ouderling te vragen het betreffende adres ‘over te nemen’. We zijn immers meer gebaat bij dat fijne gesprek dan bij het zetten van een kruisje achter een bepaald adres als teken dat er huisbezoek is ‘afgelegd’.

DE INTEGRALE WEIGERING

Blijft over de mogelijkheid van het werkelijk totaal weigeren van huisbezoek, door wie dan ook afgelegd. De kerkenraad kan met geen mogelijkheid contact leggen, op welke manier hij het ook probeert, voorzichtig als de slangen of argeloos als de duiven (naar Matt. 10:16, zonder daarmee de ouderlingen als schapen en de gemeenteleden als wolven te willen typeren). Nu is het zaak om goed te peilen: waar komt een dergelijke houding vandaan? Zo nu en dan heb ik zelf in de gemeente de situatie meegemaakt van mensenschuwheid. Het gemeentelid is eenzelvig, trekt zichzelf snel terug. Niet zelden gaat dit ook gepaard met grote moeite wat het bezoeken van de zondagse samenkomsten van de gemeente betreft. Men voelt wel aan: bij een dergelijke situatie passen geen groteske maatregelen. Ze zouden de situatie eerder verslechteren dan verbeteren. Er is sprake van een ziekte, of van een fobie, of hoe men het ook maar typeert. Er rest weinig anders dan de geclaimde afstand te respecteren, en de ogen en oren goed open te houden voor een ongedacht contact. Dat kan zomaar even een praatje op straat zijn, wanneer men elkaar tegenkomt. Het kan ook een kaartje zijn of een brief van de wijkouderling rond een verjaardag bijv., waarin deze laat merken dat ook dit gemeentelid hem ter harte gaat. Wanneer men niet lijfelijk binnen kan komen, kan het soms wel met woorden die aan het papier worden toevertrouwd. Niet altijd gaan de dingen zoals we het graag willen, en niet altijd valt dat te doorbreken.

Ongeínteresseerdheid

Tenslotte wil ik iets zeggen over een categorie die naar mijn gedachte het lastigst te hanteren is, namelijk die van het gemeentelid dat gewoonweg ‘niet geïnteresseerd is’ in huisbezoek. De ouderling kan zich de moeite sparen, er zijn anderen die het wél fijn vinden, laat hij daar zijn kostbare tijd aan besteden, aldus het antwoord bij de vraag of er een bezoek afgesproken kan worden. Voor zover mij bekend zijn dergelijke situaties (waaraan dus ook geen duidelijke, begrijpelijke reden ten grondslag ligt) schaars, maar ze komen wel degelijk voor. Ze zijn voor een kerkenraad ook het lastigst te wegen. Immers, van de kant van de ouderling is het een plicht om het huisbezoek ter hand te nemen. Het staat in de kerkorde duidelijk omschreven; art. 23: ‘Zij zullen jaarlijks huisbezoek afleggen’. Maar een plicht om huisbezoek te ontvangen bestaat er níet en valt ook overigens moeilijk af te dwingen. Hooguit kan men denken aan het formulier dat bij de bevestiging van de broeders wordt gelezen, daar waar de gemeente wordt voorgehouden: ‘Geliefde gemeente, ontvang deze broeders als dienaren van God’. Maar wanneer dat vervolgens wordt uitgewerkt, blijkt het te betekenen dat men zich onder hun regering en opzicht moet stellen, en dat hoeft nu eenmaal niet te betekenen dat er — wanneer er niets ongeestelijks aan de hand is -jaarlijks een ouderling ontvangen dient te worden. En ieder weet overigens dat op het moment dat er wél iets ongeestelijks aan de hand is, het meestal prompt heel lastig wordt om via een bezoek daar met vrucht over te spreken, hoeveel goede huisbezoeken er ook aan vooraf gegaan zijn. Alles is relatief.

Natuurlijk is er alles voor te zeggen om de waarde van dat jaarlijkse bezoek te benadrukken en wat dat betreft hoog in te zetten. Een traditie die (althans in de wortel) in de tijd van de Reformatie ontstond en van grote waarde is gebleken, heeft nog altijd zijn waarde — mits op de goede wijze ingevuld. En men mag ieder gemeentelid ervan proberen te overtuigen dat het goed is dat ook hij/zij zich in die eeuwenoude traditie voegt… En natuurlijk mag men zich afvragen wat een lidmaatschap van de gemeente inhoudt, wanneer er een weigering is om te spreken over de dingen waar het werkelijk om gáát in het leven: het contact dat de levende God met ons zoekt. Anderzijds: na hoeveel huisbezoeken moet niet verslagen worden dat er over veel gesproken kon worden, maar over dát juist niet…? Daarmee wil gezegd zijn dat een kerkenraad weinig instrumenten heeft om dit bezoek ‘af te dwingen’. En zo dat al wel het geval was, dan zou men moeten vrezen dat de inhoud van het bezoek er danig onder te lijden zou hebben. ‘Niet door kracht of door geweld, maar door mijn Geest!’ (Zach. 4:6). Drukmiddelen om tegen de wens van de betrokkene in binnen te komen, zullen in verreweg de meeste gevallen onvruchtbaar blijken te zijn. Soms moet men de dingen op enig moment laten rusten, zich bij een situatie neerleggen. Echter nooit om ze daarmee uit het hart te laten verdwijnen. Een wijkouderling is altijd bewogen met alle leden van de wijk die aan zijn geestelijke zorg is toevertrouwd. En op enig moment, soms in een crisis van het leven, kan ineens toch met iemand over wie die ouderling indringend eerder met de Here had gesproken, gesproken worden over de Here.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.