+ Meer informatie

JEUGDOUDERLING, BEGRIJP JE ONS WEL? Een vraag vanuit instellingen voor gezondheidszorg *)

16 minuten leestijd

Inleiding

Hartelijk dank, deputaten contact met de kerkjeugd en deputaten geestelijke verzorging van gehandicapten en behartiging van het ziekenhuispastoraat voor uw uitnodiging met jeugdouderlingen van gedachten te mogen wisselen over een onderwerp dat me zowel uit mijn hart als uit de praktijk van mijn dagelijks werk gegrepen is.

Als u aan het eind van de inleiding zult zeggen dat mijn verhaal gekleurd was door mijn werksituatie in de zwakzinnigenzorg, zal ik u direct gelijk geven.

Als u reeds van te voren, lettend op het onderwerp: „Jeugdouderling, begrijp je ons wel”, hebt gedacht: „’t Is toch wel veel gevraagd, elkaar te begrijpen, zoals her en der mensen werken en opgenomen zijn in de gezondheidszorg”, dan moet ik ook dat beamen.

Laten we het erop houden dat we zullen proberen dichterbij de gezondheidszorg te gaan staan, proberen er meer voor open te staan en iets trachten te begrijpen van het specifieke van die situatie.

Dat is al heel veel en heel belangrijk. En daar kunnen we vandaag elkaar bij helpen.

De nadruk zal liggen op de jeugdige werkers in de gezondheidszorg; maar niet graag zou ik jongeren die binnen de gezondheidszorg al dan niet tijdelijk hun leefsituatie hebben gevonden, vanwege handicap of ziekte, buiten beschouwing willen laten.

De jeugdouderling

Na deze inleiding wil ik het eerst even over u hebben. Jeugdouderling, of misschien jeugddiaken. Ik vind dat u een heel mooi, een geweldig belangrijk, maar tegelijk een moeilijk ambt bekleedt. Voor elke ambtsdrager, maar vooral voor de jeugdouderling heb ik diep respect. Voor zijn omgang met jongeren, individueel en in verenigingsverband, voor de brugfunctie naar de kerkeraad, voor de inzet vaak op een eenmanspost, waarbij soms het hele gezin betrokken raakt.

Jeugdouderlingen zijn veelal opgeruimde mensen, met in ieder geval een jong hart, veel geduld en souplesse en niet te vergeten liefde tot de jeugd van de kerk.

’k Heb gemerkt dat hun werkterrein soms zeer omvangrijk en weinig afgebakend is. Wat is jeugd? Een stel van 21, dat getrouwd is, wordt vaak niet meer bij de jeugd gerekend. Maar als een man van 23 jaar niet meer in de kerk komt, wordt soms gevraagd of de jeugdouderling eens wil gaan praten. Ondertussen heb je het over volwassen mensen.

Werkers in de gezondheidszorg

Voordat je als verpleegkundige kunt gaan werken, moetje tenminste 17 jaar en 7 maanden zijn. Dan hoor je nog wel tot de jeugd, maar je begint toch al aardig volwassen te worden; vraag het de jongeren zelf maar.

Het zal in de inleiding vooral over verpleegkundigen gaan. Zij kunnen als jeugdigen aangenomen worden en dan al werkend studeren. Dat geldt niet voor andere werkers in de gezondheidszorg, die eerst een gerichte opleiding moeten volgen en pas, als ze wat ouder zijn, aan de slag kunnen gaan.

Gezondheidszorg, allerlei sectoren

De gezondheidszorg omvat een groot gebied, binnen en buiten allerlei instellingen. We kennen de gewone ziekenhuizen, de psychiatrie en zwakzinnigenzorg, revalidatie en geriatrie (zorg voor ouderen). In deze sectoren kom je de grotere ziekenhuizen en inrichtingen tegen. Maar er is ook de zorg buiten die instellingen waar je opgenomen kunt worden. Er is de zorg in de wijk, een gezinsvervangend tehuis, kindertehuis, adviesbureau, huisartsenhulp, enzovoort.

Ook hier een beperking aangebracht. Het gaat vandaag speciaal over gezondheidszorg in de grote instellingen, waar mensen voor kortere of langere duur worden opgenomen, ook wel de intramurale zorg genoemd.

Belangrijk werk…….

…..is dat werk van barmhartigheid. Juist ook vanuit het gezichtspunt van de kerk gezien. Waar geweten wordt van de oorzaak van de gebrokenheid, van een paradijs en zondeval, van een zo diepe solidariteit met de zieke en gehandicapte, omdat de oorzaak van alle gebrokenheid ook in ons eigen leven en eigen hart aanwezig is.

Het leven mag als een geschenk, een scheppingsgave, een genadegave van God gezien worden. God is een God van leven, en daar waar de dood het gewonnen lijkt te hebben, mag toch in geloof geweten worden van de overwinning over de dood door Jezus Christus, die de oorzaak van onze honger en kommer, namelijk de zonde, wegneemt en voor ons verwerft de levendmakende Geest.

Gezondheidszorg krijgt zo gezien iets van heil, reddende handen uitgestoken naar gebrokenen, iets van herstel, van het licht dat Jezus Christus liet schijnen in de duisternis. Velen heeft Hij genezen van ziekte en handicap en elk wonder van genezing was een teken van de komst van zijn Rijk.

Zo zal een kerk heel positief staan tegenover de gezondheidszorg en zich rijk weten met jongeren en ouderen die daarin werkzaam zijn.

Maar nu de praktijk

„Broeders, hier is nog een ingekomen stuk. Een doopattest van iemand uit Lutjewinkel, die bij ons in Salem is komen werken. Weer een verpleegster! Wie gaat er heen? Het is de wijk van Arie Klein”. Maar Arie zegt: „Voorzitter, ’t is zo’n toestand om een afspraak te maken. En dan kom je terecht in een personeelsflat; ik weet precies hoe dat gaat. Zou de jeugdouderling niet kunnen gaan?” En zo wordt Bram Vlug, de jeugdou-derling, aangewezen. Hij zucht eerst en knikt dan en mag het doopattest zolang wel meenemen, als ik het maar weer terugkrijg, zegt de scriba.

Klopt deze schets? Klopt het, dat je jongere verpleegkundigen weinig in de kerk ziet?

Dat ze weinig op catechisatie komen en zelden lid zijn van een vereniging?

Klopt het, dat je ze zelden thuis aantreft? ’t Klopt allemaal.

Vanaf het begin kom je toch als verpleegkundige wat apart te staan. En dat leidt al snel tot vervreemding. Hoe dat komt? En of er ook iets aan te doen is? Het komt door een zware baan. Werken, en hoe! Daarbij de opleiding volgen, voor jezelf zorgen en onregelmatige diensten draaien. Dit alles vraagt enorm veel van je. Vooral als je nog aan de nieuwe situatie van zelfstandig wonen moet wennen. Als je ’s avonds niet moet werken, is er vaak nog zo veel te doen. Leren, kleding verzorgen, huishouden; en ontspannen wil je je ook wel eens, kortom er blijft voor de rest niet zo veel tijd en fut over.

Als je op zondag moet werken, ben je rond 4 uur misschien vrij en kan de kerkdienst van 5 uur nog net bezocht worden. Of, als je een late dienst hebt, kun je ’s morgens een keer naar de kerk. Eén keer. Maximaal. En als je vrij bent op zondag, ga je naar huis. Thuis trekt. Je voelt er trouwens helemaal niet zoveel voor naast veel nieuwe mensen die je toch al ontmoet, ook kerkelijk allerlei nieuwe contacten aan te gaan. Je bent juist op een leeftijd waarin je thuis fijne vrienden hebt, met wie je maar al te graag de band wilt aanhouden.

Als een leerling-verpleegkundige naar catechisatie wil, kan hij of zij gemiddeld slechts één keer in de drie weken komen, tenzij er altijd speciale diensten voor worden aangevraagd, maar dat is wel heel wat. Dan moeten soms anderen, die ook graag vrij hebben, voor jou werken.

Dit is de vrij unieke situatie van verpleegkundigen. Zij vonden een baan, soms ver van huis, en kwamen toen in een zo ander ritme terecht dan dat van ons kerkelijk leven.

Daarom graag aandacht voor deze situatie, erkenning daarvan en respect daarvoor.

Reden voor extra zorg. Heel belangrijk, juist voor jongeren van 17 à 18 jaar, die soms op een kruispunt in hun leven zijn aangeland. Zo’n leeftijdsfase is dubbel kostbaar. En de omstandigheden lijken wel eens eropuit te zijn om deze jongeren van de kerk los te weken, terwijl niet alleen zij de kerk, maar ook de kerk hen niet kan missen.

Een verandering tengoede zou denieuwe opleidingsstructuur kunnenzijn, waarbij leerlingen het eerste jaar een langdurige introductie krijgen en dan ’s avonds niet behoeven te werken. Met ingang van medio 1986 wordt hiervoor de Z-opleiding verlengd van 1.000 naar zo’n 1.300 uur.

Kun je preventief iets doen?

Kun je jongeren die de gezondheidszorg ingaan, al eerder op de geschetste situatie voorbereiden en hen daardoor mogelijk weerbaarder maken?

Ik denk dat een goede voorlichting, in beperkte mate, wel mogelijk is. Ook een goede begeleiding kan veel doen. Vanuit de thuisgemeente kan de weg naarde dichtstbijzijnde kerk gewezen worden. De ontvangende gemeente zou met goede informatie geattendeerd kunnen worden op de komst van de jongere. Zeker wanneer direct geen kerkelijke overschrijving plaatsvindt, zal de thuisgemeente goede contacten met deze werkende jongeren dienen te onderhouden.

Voorlichting zou op catechisatie of vereniging kunnen gebeuren, bijv. door een werker in de gezondheidszorg. En dan mag er ook wel iets aan werving worden gedaan, vind ik. U zult het misschien niet geloven, maar er tekent zich een vrij nijpend tekort aan verpleegkundigen af. De erbarmelijke toestand van ontslag bij het ontvangen van je diploma heeft hier,denk ik,best iets mee te maken. Maar dat heeft op de Dr. mr. Willem van den Bergh-Stichting nooit plaatsgevonden. Wij zijn momenteel blij met iedere sollicitant en ons beleid is er steeds op gericht geweest, evenals dat van veel andere instellingen, om jongeren een vaste baan te bieden, die ze niet hoeven prijs te geven, als ze daar juist volledig voor zijn opgeleid.

Jeugdouderling, begrijp je mijn werk wel?

Een aantal drempels betreffende de leefsituatie van de leerling-verpleegkundige om onbelemmerd maatschappelijk en kerkelijk te kunnen functioneren, heb ik al genoemd. Weliswaar enigszins generaliserend.

Ik noem nu een volgende drempel die mijns inziens hoger is dan de reeds geschetste. Deze drempel betreft een houding van afstandelijkheid, die je bij velen tegenkomt als het gaat over gezondheidszorg. Ik bedoel hiermee niet de angst van moeder als vader (de jeugdouderling) alweer met die aardige zuster over haar problemen moet gaan praten. Ook die angst is overigens soms best te begrijpen. Maar ik bedoel iets anders.

De wereld van de zwakzinnigenzorg, van het psychiatrisch ziekenhuis met gesloten afdelingen, van hartbewaking in het A-ziekenhuis houden we soms liever op een afstand. Een voorbeeld. Ik kwam in een ziekenhuis op bezoek bij één van onze bewoonsters. En werd daar op de intensive care-afdeling van de neurologie plotseling geconfronteerd met een crisis-situatie. Acute beademing, monitoren, infuzen, piep- en pompgeluiden en vooral dat schokkende lichaam, constant van top tot teen, in comateuze toestand. Dit alles in een snikhete en vrij kleine ruimte (of leek dat alleen maar zo?).

Er kwam iets van paniek bij me en ik dacht: Lenie, ga alsjeblieft nu niet dood. Eigenlijk dacht ik alleen maar: Ik moet hier weg, frisse lucht; dit gaat uit boven wat ik zo plotseling kan verwerken. Na een kort gebed had mijn aftocht iets van een vlucht. En buiten dacht ik: Zo sterven nu mensen te eenzaam. Iemand die nu haar hand had kunnen vasthouden is gevlucht. Het tweede bezoekje was kort daarna. De situatie was nog onveranderd, maar ik was er overheen.

Met dit voorbeeld wil ik duidelijk maken, dat ik het kan begrijpen, dat van die afstand, die angst, je er niet thuis (willen of kunnen) voelen, stel dat je zelf zoiets zou overkomen. Afstand van waar mensen sterven, zwaar gehandicapt of zichzelf niet meer zijn. Enkele uitdrukkingen die ik zelf heb gehoord: Nee, daar moet ik niets van hebben; toen hij me aankeek griezelde ik ervan, daarom kom ik er nooit meer; zitten ze bij jullie nog achter de tralies?; doen ze je niks?…. en de verpleegkundige kijkt ons aan en zegt: Deze mensen noem ik mijn kinderen, en al draag ik een sleutel, ook achter mij gaat de deur op slot. En als die vrouw sterft, zal ik haar in haar sterven nog verzorgen. Dit is mijn werk en mijn werk is mijn leven. Wat zeg je, begrijp je daar niets van? Mij niet gezien? Oh!

Voelen we aan dat zoiets zeer vervreemdend kan werken?

Beslissingen van levensbelang

Een verpleegkundige draagt, ook als leerling, vaak een grote verantwoordelijkheid. Niet alleen voor het verpleegkundig handelen, maar soms ook voor ethische beslissingen. In toenemende mate, versterkt door discussies in onze eigen kerk, tekent zich hier vervreemding af. Er gaapt een kloof tussen kerk en werk, theorie en praktijk.

Moet je dan reeds als leerling-verpleegkundige ethische beslissingen nemen? Jazeker! Als het zware besluiten zijn, sta je er vaak niet alleen voor, maar ben je wel als lid van het begeleidend of verpleegkundig team erbij betrokken.

Ik noem twee voorbeelden (gewijzigd in verband met eventuele herkenbaarheid).

Wim is een jongen van 16 jaar. Hij is bedlegerig en zwak van gezondheid. Hij heeft een gebrekkig functionerend afweersysteem tegen infecties en een hartafwijking. Deze Wim krijgt een ernstige ziekte. Een mogelijke redding zou een ingrijpende en langdurige operatie zijn. Maar alleen de narcose is al levensgevaarlijk en wordt niet goed aangedurfd. Ook brengt een eventuele operatie een aantal verhoogde risico’s met zich mee, en daar komt nog bij dat Wim beslist geen infuus of drain zal accepteren.

Een vreselijke lijdensweg tekent zich af met zo weinig kans op genezing dat eigenlijk de keus overblijft tussen sterven thuis of in het ziekenhuis.

In zo’n situatie wordt ook het paviljoensteam betrokken. Niet om eindbeslissingen te nemen, maar wel om als betrokkenen van Wim erin gekend te worden, te kunnen vragen en spreken, per conclusie medeverantwoordelijkheid te dragen.

De erkenning van de verpleegkundige als betrokkene, ook juridisch van waarde, is des te belangrijker waar minder sprake is van een band met de familie.

Wim is niet naar het ziekenhuis gegaan. Na enkele zware dagen, die hij zelf niet bewust meer heeft beleefd, is hij aan zijn ziekte overleden.

Een ander voorbeeld. Karel komt met ernstige klachten in het ziekenhuis, ’t Is niet duidelijk wat hem mankeert. Terwijl men daarnaar op zoek is, doet zich plotseling een ademhalingsstoornis voor. Karel raakt in coma. Hij wordt aangesloten op de kunstmatige beademing. Als hij weer wat bijkomt, trekt hij prompt alle slangen en infuzen eruit. Iets dat te verwachten was. Met bandjes vastbinden van polsen en enkels helpt onvoldoende en op kalmeringsmiddelen lijkt hij niet te reageren. Uiteindelijk heeft een lichte vorm van narcose pas resultaat. Ondertussen lijkt zijn eigen ademhalingsvermogen te verslechteren en bijverschijnselen van zowel beademing als narcose worden beangstigend. Wat moet je doen? Mag je op deze wijze iemand kunstmatig in leven houden? Veel is erover gesproken. Daarbij was ook steeds de stem van het paviljoensteam. Uiteindelijk is besloten te proberen of Karel toch zelf nog zou gaan ademen als de beademing even zou worden gestopt. Voorwaarde was wel dat ook de narcose onderbroken moest worden. Het was heel spannend toen dit werd gedaan. En wat een wonder, eigenlijk kon het niet, maar Karel ging zelf ademen. Hij is wel veranderd. Hij is meer gehandicapt geworden. Maar Karel is weer thuis.

De verpleegkundige stuit op vreselijk ingrijpende situaties, die je naar buiten soms moeilijk kunt uitleggen. Dit hoort bij je werk, inclusief de soms angstige herinneringen die je overhoudt, inclusief soms de twijfels die je maar niet kwijt kunt raken.

Enkele opmerkingen uit de praktijk

Dominee, hij stierf toen ik hem te eten gaf. Heb ik hem laten stikken?

Dominee, ik was degene die hem voor het laatst medicijnen heb gegeven. Het waren vrij zware pijnstillers. Zo’n 20 minuten later overleed hij? Zou dat door die medicijnen gekomen zijn?

Beleidsverantwoordelijkheid (door ondergetekende verkort weergegeven)

Een momenteel hoge drempel voor begrip en aanvaarding kan het beleid van de instelling betreffen.

Nog niet zo lang geleden moesten ziekenhuizen een beslissing nemen over het al dan niet aanvragen van een zogenaamde abortusvergunning. De Nationale Ziekenhuisraad stuurde daarover uitvoerige informatie naar alle ziekenhuizen. En daarin is te lezen dat zo’n aanvraag niet alleen een beleidszaak is van het bestuur of de directie, maar van alle medewerkers. Brede interne discussies moesten worden opgezet.

En zo kom je daar in een kring te zitten als verpleegkundige om samen het al dan niet aanvragen van een vergunning tot zwangerschapsonderbreking te bespreken.

Uiteraard wil ik vandaag geen discussie uitlokken over abortus provocatus. Wel vraag ik me af wat je met kerkelijke uitspraken moet in praktijk-situatiesdie vaak gecompliceerd zijn. Waar soms geen keuze meer mogelijk is tussen goed en kwaad. Waar slechts rest in een grote nood de ene kwade beslissing af te wegen tegen de andere. Dit komt in de gezondheidszorg geregeld voor. Zoiets stelt je schuldig, omdat kwaad kwaad blijft. Toch mag je je in uiterste situaties van zware dilemma’s niet aan beslissingen onttrekken, ook al weet je dat je er vergeving voor zult moeten vragen.

De betrokkenheid van de verpleegkundige bij het beleid vindt trouwens ook plaats via allerlei werkgroepen, ondernemingsraad en straks mogelijk via je afgevaardigde in het bestuur van de instelling, als de wet democratisering van besturen van kracht zou worden.

De jeugdouderling in contact met jeugdigen die zelf opgenomen zijn

Hier wil ik kort over zijn. Alleen wel duidelijk stellen dat niet slechts de diaconie een taak heeft. Het opzoeken van het kind dat verstandelijk of lichamelijk gehandicapt is, of opgenomen is in een instituut voor jeugdpsychiatrie.

Het is geweldig belangrijk wanneer een lid van de gemeente in zo’n situatie aandacht ontvangt.

Ik denk dat Paulus met het oog op onze gehandicapten heeft gezegd dat het minst eervolle lid van de gemeente de meeste eer zou moeten ontvangen en er in dit opzicht in de gemeente van Christus geen ongelijkheid zou zijn.

We kunnen hier in de bespreking verder op ingaan.

Praktische wenken

Door middel van voorlichting of een excursie kunnen jeugdouderlingen zich informeren over instituten van gezondheidszorg in eigen omgeving.

Een goede berichtgeving van kerkeraad naar kerkeraad over jeugdigen die elders in de gezondheidszorg gaan werken, is heel gewenst.

De kerk zal dankbaar zijn met jeugdige verpleegkundigen en open staan voor hun vragen.

Kerken kunnen samenwerken met pastorale diensten van instellingen. Op de Van den Bergh-Stichting geven de plaatselijke kerken voorlichting over het kerkelijke leven aan leerlingen en heten hen welkom met een bloemetje. Vanuit de kerken worden zowel intern wonende personeelsleden als ook verstandelijk gehandicapte bewoners bezocht. De plaatselijke kerken dragen ambtelijke verantwoordelijkheid voor de interne kerkdiensten en avondmaalsvieringen. De kerken organiseren op de Inrichting catechese voor personeel en brengen allen die in de kerstnacht moeten werken een kerstgroet. Deze kleine attentie, die behoorlijk wat nachtrust kost, doet oneindig veel meer goed.

De kerken kunnen via de jeugdouderling aandacht schenken aan jongere zieken en gehandicapten door bezoek, uitnodigingen voor gewone en bijzondere diensten, deelname vergemakkelijken aan allerlei kerkelijke activiteiten, geven van aangepaste catechese, begeleiden naar het afleggen van geloofsbelijdenis en vieren van avondmaal.

Een brugfunctie van de jongere gehandicapte naar de gemeente is zo belangrijk. Niet alleen kunnen wij veel betekenen voor hen, maar misschien kunnen zij nog wel meer betekenen voor ons.

Als op bid- of dankdagen een speciale dienst wordt gehouden voor kinderen kan een collecte in natura bestemd worden voor instellingen in de buurt en kan zo een stukje contact groeien.

*) Referaat gehouden voor de conferentie van jeugdouderlingen op 9 november 1985 te Amersfoort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.