+ Meer informatie

BOEKENNIEUWS

9 minuten leestijd

Verzameling van veertien nagelatene biddagspredikatiën door Ds. Th. van der Groe.

Uitgave van W. M. den Hertog te Utrecht.

Het betreft hier de herdruk van predikaties, die vroeger al het licht zagen. Er is gebruik gemaakt van foto-copiën. Dit werkt kostenbesparend en voorkomt hetinsluipen van fouten. Een nadeel is, dat een zeer oude spelling is gebruikt en vroegere fouten zonder meer worden overgenomen. Zo is de tekst op blz. 322 boven en onderaan niet goed. Dat had moeten worden voorkomen. Ook komt er voorin een register der leerredenen voor, waarbij de teksten worden genoemd, met een verwijzing naar de bladzijden, waar deze beginnen. De uitgever heeft de vroegere nummering niet overgenomen en zo klopt de verwijzing helemaal niet. Overigens ziet de uitgave er keurig uit. De preken zelf zijn diep ernstig en rijk van inhoud. We leren daarin Van der Groe kennen, die wel eens de laatste ziener is genoemd. Uit verschillende preken blijkt, dat de overheid toen bid- en boetedagen uitschreef. Dat is nu niet meer te verwachten. Het verval is doorgegaan. Veel van wat Van der Groe in zijn preken naar voren bracht ter aanzien van het verval en de verharding en onboetvaar digheid, geldt ook in onze tijd.

Van der Groe blijft, ondanks alles, met ernst en liefde vermanen. Hij zocht te brengen tot bekering. Hij spreekt op blz. 93 over de bewogenheid van Jezus, waardoor Hij Jeruzalem met tranen vermaant. VanderGroelaatduidelijk uitkomen, dat deze bewogenheid bestaanbaar is met Zijn volkomen overeenstemming met wat reeds van eeuwigheid in de raad van de drieënige God besloten lag. Op blz. 138 tekent Van der Groe Neerlands praktijk: „Liever land en ziel en alles verloren, dan de zonde verloren; liever verteerd en verdelgd te worden, dan gereformeerd en bekeerd te worden; en willen de leeraars daar wat tegen roepen en prediken, zij mogen dat doen zo veel en zo lang zij willen; het is zo hun ambt en plicht maar ons aanbelangende, hetgeen zij tot ons spreken, h de Naam des Heeren, wij zullen naar hen niet horen enz.; een deel uitwendige zedigheid en godsdienstigheid; of een deel schone geveinsdheid, en gepleisterde godzaligheid, daarmede zullen zij zich tevreden moeten houden, maar meer, of anders denken wij daar niet aan te doen”. Telkens komt Van der Groe in andere preken hierop terug. Zo spreekt hij op blz. 301 over Gods geestelijke oordelen: „O! hoe ligt nu Zijn bezoekende hand ook geslagen aan onze kandelaar, aan de kerk van Nederland! Hoe schudt en beeft die kandelaar nu niet reeds, door jammerlijk gemis van Gods Geest; door een overmaat van verval, en verdorvenheid, die in alle heilige dingen, nu zijn ingeslopen; en door een geesteloos, werelds wezen, dat onze kerk als overstroomd heeft; door onvruchtbaarheid van alle middelen en ordonnantiën; door verduistering der heilige waarheid, en groot verval in de leer; door twisten en onderlinge verdeeldheden; door dwaling en ketterijen; de aanwas van het papendom enz.; door het jammerlijk verval ende wereldsgezindheid der leraren, en andere kerkelijke personen; door zwaar verval, en nare geesteloosheid, van het ware Christendom; en door de algemene goddeloosheid van alle des lands inwoners, die dagelijks meer en meer toeneemt. Wat zijn dat alles geen nare voorboden, dat de Heere alreeds optrekt, en op de weg is om onze kandelaar uit te roeien, en van zijn plaats te weren! Want alle die dingen lopen daar, als toebereidsels henen. O, wie dit alles, met aandacht opmerkt, kan daaruit anders bij zichzelven oordelen, dan dat zo ooit, nu dit schrikkelijk dreigement van de tekst, door Christus uit de hemel, aan ons allen, ernstig gedaan wordt: dat, als wij nog langer weigeren ons te bekeren, Hij ons dan haastelijk zal bijkomen enz.” (zie de tekst Openb. 2 : 5).

Met anderen ziet Van der Groe nog verwachting voor het oude bondsvolk We lezen op blz. 343: „Ik de Heere word niet veranderd, daarom zijt gij, o kinderen Jacobs niet verteerd. Uit kracht van dit heilig woord, blijven zij dan ook nog heden, in hun verwoeste en verlaten staat, onder de heidenen, dat ware en getrouwde volk van God, dat zaad van de uitverkoren Abraham; hiervoor moeten zij van ons, heidenen, die nu in hun geestelijk erfdeel wonen, alleen door God genade, dan nu ook zekerlijk erkend en onveranderlijk altijd gehouden worden. En ziet! Dit is het nog niet alles, maar dewijl de Joden nu Gods volk zijn, en voor eeuwig blijven, zo zal hun droevige verstoting en verwerping, hoe lang die reeds geduurd mocht hebben, en ook nog verder duren mocht, toch eindelijk eens wederom ophouden; Gods grimmige toorn zal niet eeuwig op hen rusten, maar slechts nog een bepaalde tijd. Tot zolang namelijk, dat de ganse volheid der heidenen eerst zal ingegaan zijn; hiernaar wacht hun genadige herstelling en verzoening met God, nu maar alleen; het ganse uitverkoren heidendom moet eerst vóór hen zijn ingegaan, om te wonen in Gods huis en binnen Zijn muren; het Evangelie moet nu heirscharen der heidenen, moeten eerst tot Christus hun Heiland bekeerd zijn, en Hem, door het geloof aangenomen hebben. En ziet, zo aanstonds, als de laatste heidenen zullen ingegaan zijn, en er geen meer heidenen geroepen, noch bekeerd zullen worden, dan zal de Heere niet langer wachten om Zijn genadige en almachtige hand weder te leggen aan de zalige bekering en herstelling van Zijn oude Joodse volk. O, dan zal Jehovah God, met grote en wonderlijke kracht, daaraan gaan werken, om Zijn oude Joods-overspelig wijf, dat nu zo lang geheel van Hem vervreemd en gescheiden geweest is, eens weder thuis te halen, op een heilige wijze, door Zijn Woord en Geest, en haar dan voor eeuwig, bij Hem te doen wonen, zonder Zich ooit weder van haar te scheiden, of haar van Zich te laten scheiden”.

Tenslotte willen we nog iets aanhalen uiteen preek over Hosea 7 : 8-11. Op blz. 384 staat o.a.: „Daar is een geestelijke hovaardij, waarin nu al het volk verzonken ligt. Een dodelijke inbeelding en opgeblazenheid des harten, hoe schuldig en rampzalig wij ook zijn mogen. En ofschoon er nauwelijks eengedaante vaneen geestelijk Christendom bij ons is overgebleven, zo steunen wij toch trotselijk op onze eigen gerechtigheid en verheffen ons tegen de Heere. Wij zijn de Laodicese kerk gelijk geworden, die daar zeiden: ik ben rijk en verrijkt geworden, en ik heb geensdings gebrek enz. Openb 3 : 17. Dit is onze gruwelijke blindheid, dat wij onszelf nu zodanig verheffen, op een deel dode godsdienstplichten, waarover wij ons tot de hel toe schamen en vernederen zouden, indien wij alle waarachtig, ontdekkend licht van Gods Geest niet reeds tenenemaleverachten verworpenhadden. Welk een verdoemelijke hoogmoed is dit niet, voor de Heere! En toch al het volk van Nederland wandelt daar nu in. Deze is de vrucht van die nieuwmodische godzaligheid welke men nu heeft uitgevonden, waardoor men weldra op een pelagiaanse wijze of fatsoen zonder hartgrondige boete of vernedering over de zonden over de vloek en de toom Gods, waaronder wij liggen,en zonder enig recht gebruik van de spiegel der wette maken, zeer spoedig grote en heilige christenen kunnen worden, opgeblazen van eigen inbeelding”.

De Heere zegene ook deze uitgave. Hetboekkost f 15,-.

Dr. H. F. Kohlbrugge: Twaalf twaalftallen leerredenen, derde en vierde twaalftal gehouden in 1846en 1847. Uitgave van T. Wever te Franeker.

Dit is de tweede, ongewijzigde druk van de nieuwe en van aantekeningen voorziene uitgave (1910-1917). De uitgave geschiedt in samenwerking met de Vereniging tot uitgave van Gereformeerde Geschriften. Het gaat nu om het tweede deel. Er volgen nog vier delen. Elk deel kost f 24,50. Deze prijs lijkt ons niet hoog. In elk geval is het voor zo’n belangrijk werk geen te hoge prijs. De preken van Kohlbrugge hebben een eigen inslag, zoals Kohlbrugge zelf ook een aparte verschijning was. We hebben daarop bij een vroegere beoordeling al gewezen. Kohlbrugge komt sterk naar voren met het werk Gods in de zondaar. Het is van het begin tot het einde, het is helemaal alleen Gods werk. Dat blijkt ook uit deze preken. Bij wijze van voorbeeld laten we hier volgen hetslot van een preek over Ezechiël 36 : 27:

„Bij ons zij maar de erkentenis, dat wij stof, aarde en as zijn en dat God God is. Wenden wij ons bij alle gevoel van datgene, wat wij zijn, tot onze God en trouwe Ontfermer, houden wij ons, bij alle beven voor Zijn Woord, rtn Zijn hartelijke ontferming, aan de genade van Christus, zo zullen wij wel ervaren, hoe Zijn zalving ons van alle dingen leert, dat wij weten voorzichtelijk te wandelen in het midden van een verkeerd en verdraaid geslacht. wie honger en dorst heeft naar het Woord Zijner genade, naar de gerechtigheid van het Koninkrijk der hemelen, zal zich wel vervuld vinden van de Geest des opzuchtens tot God om elke verlossing van alle kwaad; vervuld van de Geest der genade en der gebeden - der genade, om te ontvangen genade voor genade, en der gebeden, opdat hij met zijn God door een wereld doorkome, die geheel in het boze ligt. Ook zal God al zijn gebeden: „Leid mij in Uw waarheid, bewaar mij in Uw wegen, in de paden Uwer gerechtigheid”, genadiglijk verhoren, en het zo maken, dat hij in Gods geboden gewandeld en Zijn rechten gehouden en daarnaar gedaan zal hebben, zodat geen satan iets met recht op hem zal weten aan te merken; want God brengt de Zijnen wel tot eer en verlost hen uit de muil van het beest, dat uit de f grond is.

Waar wij evenwel van geboden en rechten Gods lezen, daar moeten wij zulks niet naar een monnikengeloof verstaan, maar geheel eenvoudig, dat er geen hinken bedoeld is op twee zijden, geen verdeeld bestaan, maar de volkomen wandel des geloofs of het geloof geheel Want waar de Schrift van geboden, bevelen en rechten spreekt, daar spreekt zij niet van dingen, die eerst nà het geloof komen zullen, maar van het ganse geloof, wat dàt inheeft, van een rechtschapen wandel in Jezus, zodat deze Jezus ons een Verlosser en een machtige trouwe overste Leidsman onzer zaligheid is, niet om aan ons nog iets over te laten wat nog te doen ware, om onze zaligheid d ardoor volkomen te maken, maar dat Hij Zichzelf een volk geformeerd heeft ijverig en bereid van rondom in Zijn bloed, opdat het Hem diene in Zijn Geest, en voor Hem zij in Zijn heerlijkheid eeuwiglijk, deVadertot eer!” Een paar aanhangsels tussen de preken geven ons enig inzicht in de gang van Kohlbrugge in kerkelijk opzicht. Hij vond tenslotte een eigen gemeente te Elberfeld.

Het is te begrijpen, dat de preken van Kohlbrugge nog steeds gelezen en gewaardeerd worden. We kunnen ze van harte aanbevelen. We zien al uit naar het volgende deel. Het werk is door de uitgever keurig verzorgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.