+ Meer informatie

Kerk en jeugd

18 minuten leestijd

Het is uiteraard niet de eerste maal, dat over dit onderwerp geschreven wordt.

Het zou overigens wel tekenend voor de situatie zijn geweest, wanneer u wel voor de eerste keer hierover iets hoorde of las. Gelukkig, ook in ons blad is meer dan eens aandacht besteed aan de relatie van kerk en jeugd.

Toch heb ik niet geaarzeld, toen de redactie vroeg hierover in de septembermaand enige gedachten door te geven. In deze maand start weer het werk binnen de kerk en het valt nu eenmaal niet te ontkennen, dat veel kerkelijk werk vanuit of met de jeugd geschiedt. Behalve aan de kerkelijke jeugdverenigingen voor verschillende leeftijden denken we dan aan de catechese, die soms voor, maar veelal toch na de jeugdzondag ook weer begonnen is.

Bovendien, wie met de kerk bezig is — en van ambtsdragers wordt dat toch verwacht — is daardoor en daarin ook bezig met de jeugd der kerk, met de „kerk van morgen”.

In beweging

In die benaming voor onze kerkjeugd: „kerk van morgen” ligt reeds de idee van een ontwikkeling. Dit begrip maakt immers duidelijk, dat de kerk niet louter een statisch gegeven is, eeuwen geleden voor alle tijden tot in zijn onderdelen vastgelegd. Inderdaad ligt er in de kerk veel vast. Het N.T. trekt duidelijk lijnen, die het speelveld van de kerkelijke gemeenschap even duidelijk markeren. Toch is die kerk, eeuwenoud als ze is, niet alleen een statisch gegeven, niet een standbeeld of monument uit ver vervlogen dagen, dat door een groep mensen tot op de dag van vandaag trouw bewaard is en waaraan men dan wellicht in enige bewondering voorbijloopt. Het gemeente-van-Christus-zijn heeft ook zijn dynamische kant. Juist omdat die kerk als „gast en vreemdeling” leeft en geen „blijvende stad” hier heeft, heeft ze geen vaste vorm, passend voor alle tijden en elke situatie, maar is ze op weg en in beweging.

’n Boeiend onderwerp

Daarom ook is het belangrijk, dat voor de mensen, die midden in deze tijd willen staan en dat mag nu juist van kerkmensen, i.c. ambtsdragers verwacht worden, de relatie kerk en jeugd een boeiende zaak blijft.

Juist de jeugd is de meest dynamische fase in een mensenleven. Dat wat beweegt, spreekt de jongeren, al van de allerjongste leeftijd, nu eenmaal aan. En in de kerk kunnen we het gewoon afzien van andere samenlevingsverbanden, dat we aan de jeugd der kerk niet zomaar zonder meer mogen voorbijgaan. U ziet het om u heen. In politieke partijen wordt geluisterd naar de stem der jongeren. In het verleden werd niet altijd ten goede dan toch maar een greep juist op de jeugd van het volk gedaan (Hitlerjugend). De heer Oe Thant heeft kortgeleden de wereld opgeroepen meer aandacht te besteden aan de arme landen en zich daarbij heel speciaal gericht tot de jongeren, die hierbij een duidelijke taak hebben. Mej. dr. W. F. van Stegeren heeft in Gaandeweg, een uitgave van de Ned. Gereformeerde Jeugdraad, geschreven over de deskundige inbreng van jongeren in allerlei situaties en instanties. Het is jongeren van alle tijden nu eenmaal eigen het niet-echte, het geforceerde snel te doorzien. Zij zijn in staat vrij snel een standpunt te bepalen, dat door alle formaliteiten heenbreekt en worden niet allereerst geremd en gehinderd door traditionele denkpatronen. „Eigenschappen, die, aldus dr. van Stegeren, misschien bedreigend zijn voor ouderen, maar uitermate verhelderend en sanerend kunnen werken.”

Aandacht

Het is dan ook een verheugend verschijnsel, dat onze laatste GS te Hilversum vrij uitvoerig is ingegaan op en aandacht besteed heeft aan het rapport van jeugddeputaten. Dit zal mee veroorzaakt zijn door de op de tafel der GS liggende nota van de Jon-gerenbond, maar illustreert toch tegelijk de ontwikkeling van deze zaak in ons kerkelijk leven. Een ontwikkeling, die ook duidelijk wordt uit de nieuwe instructie voor en de nieuwe naam van ons deputaatschap. Die nieuwe naam: „deputaten voor het contact met de kerkjeugd” maakt duidelijk, dat niet alleen de jeugdbonden, de jeugdorganisaties, maar heel de kerkjeugd, georganiseerd en ongeorganiseerd onder de zorg en bezinning van dit deputaatschap valt. Dat is belangrijk. De kerk heeft niet alleen verenigingen, organisaties binnen haar op het oog. Zij heeft de allereerste zorg voor de enkeling.

Uit de cijfers weten we, dat meer dan de helft van onze kerkjeugd niet bij een vereniging is aangesloten. We zouden niet graag willen stellen, dat deze ongeorganiseerde jeugd ongeïnteresseerd zou zijn. Wie onder en met de jeugd werkt, weet wel beter. Hiermee zou ik niet tekort willen doen aan de noodzaak van een organisatie. Die noodzaak is er. Echter niet voor alle jeugd en elke jongere zonder uitzondering. Misschien heeft men wel eens te veel jongeren afgestoten door het feit, dat ze geen lid van een vereniging waren, al „bij voorbaat” te verklaren uit onverschilligheid.

Daarom is de aandacht voor heel de kerkjeugd belangrijk en de ontwikkeling, die in de relatie kerk en jeugd te signaleren valt, verheugend.

Nota deputaten

Gezien tegen deze achtergrond kon het haast niet anders lopen dan dat aan deze deputaten door de GS werd opgedragen „mede naar aanleiding van de nota van de jongerenbond een nota op te stellen, waarin de situatie van de jeugd van heden geschetst wordt en de richtlijnen voor het kerkelijk werk onder de jeugd worden aangegeven.” Ik mag ook hier meedelen, dat wij als deputaten in de achter ons liggende maanden ons met de inhoud van deze nota hebben bezig gehouden en de planning is, dat deze nota eind september of begin oktober zal verschijnen. De bedoeling is aan de kerkeraden een aantal exemplaren toe te zenden, dat hopenlijk voldoende is voor alle ambtsdragers binnen de ker-keraad. U kunt dus zelf daar binnenkort kennis van nemen. Op zaterdag 1 november houden wij d.v. een jaarlijkse conferentie met de jeugdouderlingen, waar dan over deze nota gesproken zal worden. Onze verwachting is, dat dan bijv. in de kerkeraadsvergadering van november door één van de ambtsdragers een causerie wordt gehouden over de nota en zo het gesprek daarover in kerkeraadskring op gang komt

— wellicht ZOU u hierbij ook vertegenwoordigers en leiders van de jeugd kunnen uitnodigen — en men zich in deze kring met op de achtergrond de plaatselijke situatie bezint op de problemen van het jeugdwerk. Het is echter tegelijk duidelijk, dat dit (nog) niet de plaats en het moment is op de genoemde nota in te gaan. Dat bestudering van dit stuk hartelijk aanbevolen wordt, zult u kunnen begrijpen.

Kerk èn jeugd — ’n misverstand

Meer dan eens, tot op de laatste GS toe, is gebleken, dat het spreken over „kerk én jeugd” verwarrend werkt. Men heeft hieruit wel eens geconcludeerd, dat de „kerk” en „jeugd” twee zelfstandige grootheden zijn, die onderling geen relatie hebben. Al ontken ik niet, dat de situatie hier en daar in het verleden deze gedachte illustreerde en helaas nog wel aangeeft, toch is het onjuist uit de verbinding tussen „kerk” en „jeugd” dit alles op te maken. Door het woordje „en” worden deze beide begrippen aan elkaar verbonden, omdat ze wezenlijk bij elkaar behoren en juist in hun onderlinge relatie tot hun eigenlijke zin en betekenis komen. Zoals wij spreken over „vader én kind”, waarbij we dan heel goed weten, dat deze twee niet van elkaar zijn los te denken, ja elkaar wederzijds bepalen

— een vader is nu eenmaal als vader ondenkbaar en onbestaanbaar zonder kind, maar wordt door dat kind juist vader, en omgekeerd — zo wil ik ook hier spreken over „kerk èn jeugd”. Of om het te zeggen met de woorden van de voorzitter der jongerenbond: een kerk zonder jeugd is geen kerk. De jeugd is een wezenlijk deel van de kerk. De kerk is niet denkbaar niet bestaanbaar zonder jeugd.

Typering

Wie vanuit deze verbondenheid van kerk en jeugd over de functionering van de relatie nadenkt, ontkomt er niet aan zich te bezinnen op wat er vandaag in de kerk en de wereld der jeugd gaande is.

Het blijft daarbij een alleen maar begrijpelijke zaak, dat een dergelijke bezinning in het bestek van dit artikel vrij generaliserend zal dienen te zijn.

Er is veel veranderd. Vaak zult u deze opmerking te horen krijgen. Hoe waar op zichzelf ook, toch zal dit een algemene en daardoor vrijblijvende opmerking zijn, wanneer we ons niet tegelijk afvragen, wat er dan zo al veranderd is en in hoeverre deze veranderingen ingegrepen hebben in het leven. Het is dan ontdekkend eens vastgelegd te zien, wat er veranderd is. In dit opzicht noem ik hier het boekje van dr. F. Boerwinkel, Inclusief denken, (1e druk eind 1966, 9e druk begin 1969), dat ons overduidelijk confronteert met de cijfers, statistieken en grafieken van veranderde situaties. Dr. Boerwinkel spreekt zelf van „cascadische stroomversnellingen” (cascade is waterval), die bezig zijn zich in de golf-stroom van het heden zo te ontwikkelen, dat men alleen tot eigen schade hiervan onkundig kan blijven. We komen te staan voor een vrij „abrupte overschakeling op de hoogste versnelling”.

In deze zich snel veranderende wereld en tijd zijn jongeren op weg naar volwassenheid Dat is op zichzelf reeds een levensfase, waarbij indrukken van buiten grote invloed hebben. Op zoek naar zelfstandigheid en houvast ontdekken ze, dat juist vandaag aan vele vaststaande waarden getornd wordt, soms door de cijfers en prestaties van de wetenschap en techniek (wie had 30 jaar geleden gedacht, dat wij ooit op de maan konden komen! Dat behoorde tot de droom-fantasie van Jules Verne) soms ook doordat zeker de jongeren vandaag door een gevel heenbreken naar wat daar achter zit. Wat daar achter zit is voor hen belangrijk. De mooie buitenkant doet hen niets, als dit slechts een camouflage is voor onecht en oneerlijk, halfslachtig en inconsequent. Juist nu om ons (ouderen) heen zoveel verandert, ontdekken jongeren niet alleen dat ouderen daardoor weleens verbijsterd en in de war gebracht worden — dat mogen ze best weten! — maar ook dat daardoor bij vele ouderen de neiging bestaat zich terug te dromen naar een verleden tijd, waarin dan alles — althans naar hun idee! — anders, ja beter was. En dat „terugdromen” (Boerwinkel) is een kwalijke zaak, als er niet meer komt. Ook deze dromen zijn bedrog. Hoe begrijpelijk het overigens mag zijn, dat men dat, wat voorbij is en tot het verleden behoort, gaat idealiseren, het getuigt niet van de werkelijkheidszin, die van een christen verwacht mag worden. En werkelijkheidszin betekent hier dan niet, dat we alles maar kritiekloos hebben te aanvaarden, wat we vandaag ontmoeten. Juist vanuit de geloofsvisie op de dingen, mensen en situaties om ons heen, betekent werkelijkheidszin, dat we in deze tijd van raket en computer midden in deze wereld staan met een vanuit het evangelie geladen, door de Geest gegeven, positief gerichte, kritische houding. Werkelijkheidszin houdt in, dat we in de dynamische ontwikkeling van deze tijd ons laten beheersen door het Woord, dat vast en zeker is, en daarom temidden van alle dynamiek rust en houvast geeft.

Wanneer prof. dr. van Oyen (geb. 1898) in een interview zegt: Mijn jeugd stond in het teken van de kerk (G. Puchinger, Christen en secularisatie, pag. 184) kan ik dat volledig plaatsen in het raam van die tijd.

Vandaag echter maken moderne communicatiemiddelen ons tot oor- en ooggetuigen van elk belangrijk gebeuren, waar dan ook ter wereld. Mee daardoor zien jongeren vandaag verder dan hun kerk lang is. Wat echter wel binnen hun gezichtsveld valt, en dat is verblijdend, is het koninkrijk. Het rijk van God. We kunnen constateren, dat de kerk als instituut en organisatie niet meer aanspreekt. Er is bij de jongere generatie in onze tijd een tendens om weinig geïnteresseerd te zijn in het verleden, het gaat vandaag immers om morgen. Men wil breken met de historisch gegroeide verworvenheden. Gemakkelijk wordt heengelopen over de verschillen die in de kerk van Christus leven.

Het is waar: er is veel historische „ballast”, dat we wel eens kwijt mogen en moeten. Maar het is even waar, dat de historie zich heus niet zo maar zonder meer buiten spel laat plaatsen, er is een continuïteit ook in de kerk en het rijk van God. Door de historie heen leidt Gods Geest de kerk naar de nieuwe wereld.

’n Generatie-Conflict ?

Alles bij elkaar genomen heeft dit nog wel eens aanleiding gegeven niet alleen tot spanningen tussen ouderen en jongeren — die spanningen zijn er altijd al geweest: 4000 jaar geleden klaagde volgens een opgegraven papyrus een egyptische vader reeds, dat de jeugd zoveel slechter was dan de jeugd van zijn generatie. Maar het is gezien de praktijk niet geheel ondenkbaar, dat de spanningen zo toenemen, dat daardoor een verwijdering tussen beide generaties zou ontstaan, waardoor men ook de wederzijdse korrektie op elkaar zou missen. En zonder deze correctie zou het geheel slechts scheef groeien. Het waardeoordeel over de jeugd mag verschillend zijn. De een spreekt van progressief en radicaal, terwijl een ander het brengt onder de noemer van onverschilligheid, wij mogen niet vergeten, dat deze jeugd toch ook gegrepen is en gedreven wordt door een visie. Daarom zal de communicatie tussen ouderen en jongeren niet gestoord mogen worden.

De jongere, ook de jongere binnen de kerk is met andere vragen bezig dan voorheen.

Wie is de mens? En hoe zal een mens zichzelf terug vinden in een vaak chaotische wereld? Hier ligt duidelijk de inzet van het evangelie. Dat evangelie van Christus, de God, Die mens werd, zoekt de mens daar op, waar hij in een laatste confrontatie met God. met zichzelf en met zijn medemens staat. Hier staan we ,,op het snijpunt van verticaal en horizontaal”.

En wat in onze kring zo’n 15 jaar geleden werd opgemerkt: „De vragen en noden van de jeugd der kerk zijn de noden der kerk zelf!” (Het jeugdvraagstuk in de chr. ger. kerken, 1952, pag. 15) is niet alleen vandaag nog actueel, maar gaat toch echt zo langzamerhand wel om een antwoord vragen. Het is niet meer waar, dat jongeren geen gezag van ouderen zouden willen aanvaarden. Wat zij vragen is: „gemotiveerd gezag” (vgl. referaat H. W. v. d. Brink, Diakonaat — nu en morgen, Ambt. Contact, pag. 873). En ik meen, dat we dat alleen maar positief mogen waarderen. Dit stelt eisen aan de gezagsdrager, i.c. de ambtsdrager. Maar temeer, omdat het hier om die kerk van morgen gaat, mogen we ons hiervan niet afmaken.

Ambtsdragers zullen over de vragen der jeugd samen dienen te spreken, zelfs samen met de jeugd op zoek gaan naar het antwoord. De jongere zal niet het idee moeten krijgen in de kerk een geïsoleerde positie in te nemen, maar dienen te ontdekken, dat ouderen vanuit de bewogenheid van het evangelie openstaan voor de vragen der jongere generatie. In het algemeen mag deze bereidheid van ons verwacht worden. Naar de praktijk doorgetrokken, zal dit gestalte krijgen in ons ambtelijk werk.

De predikant zal in zijn pastoraat duidelijk moeten maken, dat de jeugd en de jeugd-vragen voor hem niet vreemd zijn. Ik ben dezer dagen weer eens opnieuw getroffen door een woord van prof. Verkuyl, die er op gewezen heeft dat het in het christendom aanwezige pastoraat uniek is temidden van alle wereldreligies. Geen enkele godsdienst, geen enkele ideologie kent de funk-tie van herder. Noch de Islam, noch het Hindoeïsme, noch het Boeddhisme, noch de stamgodsdiensten kennen deze functie. De ideologieën kennen wel „leiders” en „verleiders”. Uit de gemeenschap met de grote Herder der schapen groeit het waarachtige pastoraat in de kerken. De pastor is geen „klusjesman”, de herder geen herdershond, maar in de persoonlijke relatie tot de ander, de jongere vraagt hij aandacht voor en antwoord op het Woord. Het is uniek, dat zeker vandaag bij alle hedendaagse vragen het Woord aan het woord kan komen. Wie pastoraal met de jeugd bezig is, zal ook het geduld opbrengen vele voor-vragen, soms zelfs veel struikgewas op te ruimen, voordat men aan de eigenlijke vragen toekomt. G. H. Plantinga heeft er in de laatste stelling bij zijn dissertatie over „Jeugd en godsdienstige vorming” op gewezen, dat het persoonlijk gesprek van de catecheet met de leerling als aanvulling van de catechese meer aandacht verdient dan thans het geval is. Vaak ligt in de catechese en het gesprek op de catechisatie een handgreep om deuren, die gesloten zijn, open te krijgen. Hierbij kunnen woorden afstoten, soms voor lange tijd, maar een enkel gebaar kan juist in dat contact ook toegang geven.

De herder bereikt de „lammeren der kudde” ook in de kerkdienst. Ik weet het: het lijkt soms uiterlijk door houding, enz. alsof jongeren passief om niet te zeggen onverschillig zijn. Hier bedriegt vaak de schijn. Het feit, dat men als jongere de gaanderij opzoekt, betekent nog niet, dat men niet wil luisteren. In de benadering via de hele dienst en niet alleen in de vormgeving van de prediking zal iets moeten uitkomen van de hartelijke belangstelling voor de jeugd der kerk. Jongeren kunnen actief bij de kerkdienst betrokken worden. Een opdracht bijv. via de catechisatie doorgegeven, zou kunnen zijn, dat jongeren samen met de predikant een voorbespreking op de preek houden. Een goede communicatie met het plaatselijk jeugdwerk zal de prediker in staat stellen van tijd tot tijd de verkondiging te richten, af te stemmen op de vragen, die door de jeugd besproken worden.

Het moet mogelijk zijn, dat jeugdwerk, catechese en prediking zich tot elkaar verhouden als concentrische cirkels. Dan ziet men verbanden. En het laatste woord wordt aan het Woord gegeven, dat overigens ook reeds als startpunt het eerste woord heeft gehad.

In deze septembermaand hadden we weer de jaarlijkse jeugdzondag. Het is gebleken, dat dit indertijd een goede greep geweest is. Uiteindelijk moet echter iedere zondag jeugdzondag zijn. We moeten af van het idee, dat op één van de 52 zondagen en andere feestdagen nu net even wat meer zou mogen en kunnen dan anders. Ik meen, dat we hiermee onze jongeren niet loyaal en eerlijk tegemoet treden.

Jeugdzondag heeft zin als startzondag voor vele kerkelijke activiteiten. Het is in feite niet meer dan een accentuering van de plaats, die de jeugd binnen de gemeente wil innemen en moet ontvangen. Het is goed, dat dit elk jaar gebeurt. Maar als zodanig mag het geen „witte raaf” temidden van de rest van het kerkelijk jaar blijven. Dan heeft ook de jeugdzondag niet aan zijn bedoeling beantwoord. Deze zondag mag niet fungeren als een kerkelijk zoethoudertje voor wat al te opdringerige jongeren, een soort fopspeen, waardoor ze dan voor een jaar weer stil zijn. De integratie van de jeugd en het werk met en onder de jeugd in de gemeente kan alleen maar plaats vinden in elke samenkomst der gemeente.

De ouderling zal met bovenstaande uiteraard ook rekening dienen te houden. Daarnaast krijgen wij althans in onze grotere kerken hoe langer hoe meer de wijkouder-lingen. Dat is in feite een verbindende schakel en een vertrouwensfiguur in zijn wijk, die naar mijn gevoelen hooguit 20 adressen mag tellen. Wanneer de ouderling zijn werk goed wil verrichten, zal hij naast het jaarlijks huisbezoek, het ziekenbezoek in de wijk, toch ook van tijd tot tijd moeten toekomen aan die onverwachte contacten. De jongere, die vanuit zijn eigen gedachtenwereld begrijpelijk minder openstaat voor het officiële van te voren aangekondigde huisbezoek, zal bereikt kunnen worden in dat „toevallige” contact en gesprek. Een handdruk bij een verloving of het behalen van een diploma van L. T. S. of Huishoudschool tot HAVO en wat dies meer zij vandaag kan wonderen doen.

Juist nu de jeugdouderling in onze kerken meer en meer een bekende figuur gaat worden — een ontwikkeling, waarmee we echt blij zijn — blijft er voor de wijk-ouderling zelf nog een belangrijke taak liggen. Hij legt verbindingen in de wijk.

Samen met de wijkdiaken kent hij de noden èn de mogelijkheden van hun wijk. En jongeren willen best in kerkelijk werk worden ingeschakeld. De diaken is hier reeds genoemd. Reeds meer en meer gaan ogen open voor wat men noemt het ge-meente-diakonaat. Hier liggen mogelijkheden te over een beroep vanuit het ambt, dat is van Godswege en vanuit de gemeenschap der gemeente te doen op de mogelijkheden bij jongeren. Jongeren kunnen in overleg een bejaarden-inrichting, een tehuis voor chronisch zieken, een kindertehuis, enz. „adopteren”. Tijdens de weekenden kunnen ze in zo’n tehuis worden ingeschakeld. Bezoek aan bejaarden en zieken, die veel alleen zijn, misschien in de omgeving niemand hebben om mee te praten — „Here, ik heb geen mens … (Joh. 5) — kan gestimuleerd worden.

Binnen de kerkeraad zal ruimte moeten zijn voor het gesprek met de jeugd der kerk. Van tijd tot tijd, bijv. naar aanleiding van het kwartaal verslag van de jeugdouderling en met het oog op bepaalde kerkelijke activiteiten, zal hiervoor aandacht moeten zijn. Een vacante gemeente, die met een „hoorcommissie” werkt, doet er goed aan daarin ook een vertegenwoordiging van de jeugd op te nemen. Jongeren kunnen meer doen dan oud papier voor de kerk ophalen of sleutelringen, enz. voor de kerk verkopen. Een betrokken-zijn bij de bezinning op bepaalde gemeentelijke activiteiten (kerkbouw, financieel beheer, evangelisatie, zending, zal de liefde tot de gemeente bewuster maken en bevorderen. In ieder geval krijgt nu concreet gestalte, dat kerk en jeugd wezenlijk bij elkaar horen en elkaar heel gewoon nodig hebben om kerk en om jeugd te zijn.

Wie de jeugd heeft.........

U kent het gezegde: wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Ik meen, dat dit in de kerk zo niet opgaat. Daar ligt de orde anders. Christus heeft de toekomst. Daarom heeft Hij recht op de jeugd. Dat moet de jeugd niet alleen maar weten en horen. Ze moet ook zien juist in ons ambtelijk werk, dat dit voor ons als ambtsdragers de grote stuwkracht is en dat wij van Christuswege een beroep doen op de jeugd. Samen leven dan de kerk van vandaag en de kerk van morgen heen naar de toekomst van haar Here.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.