+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

9 minuten leestijd

23

„In welk opzicht zijt gij er nu beter aan toe dan wij?” Een vraag, die ons in een geheel andere situatie laat blikken. De mannen van vorm en schijn hebben zich van alle kanten verdedigd tegenover de ernstige vermaningen van de Pelgrim. Voor hen stond het vast, dat zij als echte reizigers naar Sion ingang zouden bekomen in de stad der heerlijkheid. En daar in deze vastigheid de verzegeling van de Heilige Geest ontbrak, was het in de grond der zaak alleen maar de oppervlakkigheid van beschouwing. Maar nu vallen zij hem aan, door hem persoonlijk te vragen: „Ik welk opzicht zijt gij er nu beter aan toe dan wij?”

En dat verplicht hem vanuit zijn innerlijk en bevindelijk leven daarop te antwoorden. Maar gelukkig, onze Pelgrim is bereid tot verantwoording aan een iegelijk die hem rekenschap afeist van de hoop, die in hem is. „Ik volg”, zo begint hij te antwoorden, „het bevel van mijn Meester”. De beloften, die de Heere in zijn hart vervuld heeft, heeft Hij vervuld met Zijn bevel. Het ging van Hem uit, het kwam door Hem tot stand in zijn innerlijk leven. De Heere heeft in het bevel van Zijn genade niet het menselijk kunnen tot uitgangspunt, maar de almachtige kracht van Zijn genade. Bevelend vervult de Heere Zijn beloften.

Vanuit de genade des geloofs wordt altijd het bevel van de grote Meester gedaan.

Is het bevel van de Meester: „Sta op”, dan staan zij op. „Volg Mij”, dan volgen zij. „Strek uw hand uit”, en de hand wordt uitgestrekt. „Werp het net aan de rechterzijde van het schip”, en het wordt uitgeworpen. Hoe wonderlijk toch, dat het altijd de aard van het geloof is het bevel van de grote Meester te doen. Wordt daarvan door een gelovige afgeweken, dan brengt hij zich daarmee in de grootste verwarring. Bij de dichter van Psalm 119 is het in de oefening van het geloof altijd een doen van de bevelen des Heeren, die hij liefhad.

Maar tot zijn medereizigers zei de Pelgrim: „Gij handelt naar uw eigen goeddunken”. De waarheid werd door hen niet aangenomen in het binnenste des harten. Het was bij hen niet een wortelen in de waarheid tot beleven van de waarheid. Uit het goeddunken van de mens vloeit altijd een eigenwillige godsdienst voort.

„De eigenaar van deze weg houdt u reeds voor dieven en daarom vrees ik, dat gij aan het einde van de weg niet als eerlijke mannen bevonden zult worden”. Want dan zult u met hetgeen waarop gij nu vertrouwt voor de dag moeten komen. En is dat vertrouwen niet een vertrouwen waarin het beeld van de Koning, het werk van de Heilige Geest schittert, dan zult u met dat alles schipbreuk lijden. Wat een zegen zo men met zijn geestelijke zaken bij de Heere kan komen, om het merkteken van Zijn gunst en goedkeuring daarover te mogen ontvangen. Het zal niet baten, al wordt het zegel van de mens er op gedrukt. In de grote dag van het gericht geldt alleen het zegel van de Heilige Geest. En daarop wijst de Pelgrim de medereizigers, door hen te bestraffe in het verzuim dat zij plegen.

„Gij zijt hier gekomen zonder Hem, op uw eigen gelegenheid, en gij zult voor uw eigen rekening blijven, zonder op Zijn barmhartigheid te mogen rekenen”.

Hier staan deze godsdienstige mensen nu voor eigen rekening, op de weg naar Sion. In hun gedachten zijn zij rijk, houden hun godsdienstige beschouwingen voor een werkelijk bezit en hebben aan geen ding gebrek. De Pelgrim weet wat het is voor eigen rekening te staan. Toen had hij geen borg voor zijn schuld, geen God voor zijn hart en geen leidsman voor zijn leven. Dag en nacht heeft hij in het gebed geweend en geklaagd om ontferming.

Maar nu weet hij door genade, in leven en sterven het eigendom van de Heere te zijn. Hij hoort Zijn ingewanden rommelen van barmhartigheid, en daarop mag hij rekenen.

Hier hadden de vragers naar zijn innerlijk leven, naar zijn hóóp voor de eeuwigheid niet veel tegen in te brengen, doch zij zeiden slechts, dat hij maar op zichzelf moest zien. ’t Is waar, als een mens op zichzelf ziet, ziet op de verdorvenheid van zijn bestaan, ziet op het gebrek dat hem in alles aankleeft, dan zal hij zich echt zo druk niet maken met de gebreken van anderen. Maar dat is de zaak niet waarom het hier gaat. Het gaat hier niet om bepaalde zwakheden en gebreken. De Pelgrim bestraft zijn medereizigers naar de eeuwigheid, dat zij naar het Woord des Heeren met hetgeen waarop zij vertrouwen, bedrogen uit zullen komen. En hij is van Godswege verplicht, uit liefde tot hun onsterfelijke zielen, dat te doen.

Maar desniettemin weet de Pelgrim wel wat het is op zichzelf te zien. Bij het licht van het Woord des Geestes heeft hij net zo lang op zichzelf gezien totdat hij het zag gans melaats te zijn. En toen heeft hij op een Ander leren zien. Leren zien op het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.

Doch daaraan hebben deze mannen geen kennis. Zij hebben de klok wel eens horen luiden, maar weten niet waar de klepel hangt. Daar zij de wet, die van Sion is uitgegaan, niet kennen, kunnen zij niet komen tot de rechte kennis van het geestelijk leven.

„Nu zag ik, dat zij allen huns weegs gingen, zonder zich veel met elkander te bemoeien”. Van een komen tot vereniging is hier geen sprake, het komt zelfs steeds meer tot verwijdering. Al is men op dezelfde weg, in dezelfde kerk, als reizigers naar Sion, dan is het bij lange na nog niet bij allen een leven uit dezelfde levensbron. De één leeft uit een verbroken werkverbond, de ander leeft uit het verbond der genade. Wanneer het niet is een leven uit de innerlijke geloofsgemeenschap met Christus, dan leeft men nog uit de werken van de wet, al draagt men het teken en zegel van het verbond der genade aan het voorhoofd. En dat is nu door alle eeuwen heen de oorzaak van de verwarringen verwijdering in het kerkelijk leven geweest. Een verwijdering die niet weg te redeneren is, want de oorzaak daarvan zit in het hart. De innerlijke vereniging is in de enge poort, in het zoeken naar en in het beleven van de waarachtige bekering.

Zonder zich veel met elkander te bemoeien, zeiden zij alleen nog tot de Pelgrim, dat zij niet twijfelden of zij waren, wat het opvolgen van allerlei voorschriften en wetten betrof, even nauwgezet als hij. „We zien dus volstrekt niet in, waarin gij van ons verschilt, tenzij door de mantel, die gij om de schouders draagt en die u zeker gegeven is door de één of ander van uw buren om de schande van uw naaktheid te bedekken”.

Nauwgezet waren deze mannen wat het opvolgen van allerlei voorschriften en wetten betrof. En begrijpelijk, daar zij alles betrokken op het vlak van vorm en schijn. Terwijl het bij de oprechten gaat om de innerlijke beleving, waarin zij hun hart niet altijd mee kunnen krijgen. En zo is het dan de bede van hun hart, dat met steeds meer tederheid en nauwgezet te mogen betrachten.

Maar neen, „wetten en inzettingen zullen u niet baten, omdat u niet door de deur is ingegaan”. Wetende dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof in Jezus Christus, heeft de Pelgrim dat zijn medereizigers op het hart gebonden.

„En wat deze mantel betreft, die is mij gegeven door de eigenaar van de plaats, waarheen ik ga en wel om, zoals gij terecht opmerkt, de schande mijner naaktheid te bedekken. En ik houd dit voor een blijk van Zijn genegenheid jegens mij, want tevoren had ik niets dan lompen. En dan word ik vertroost door de gedachte: Voorzeker, wanneer ik aan de poorten der stad aankom, zal die Heere mij als Zijn eigendom herkennen, terwille van die mantel, die Hij mij schonk; die mantel, die Hij mij gaf uit vrije gunst op de dag, toen Hij mij mijn lompen en gescheurde klederen afnam”.

Vanuit het Goddelijk schenken is de Pelgrim dus deze mantel deelachtig geworden. En dan zegt hij weer: „Wat meer is, ik draag een merkteken op mijn voorhoofd, dat gij misschien nog niet bespeurd hebt. Eén van de meest vertrouwde dienaren des Konings heeft mij dit merkteken gegeven op de dag, toen de last mij van de schouders viel. Daarenboven moet ik zeggen, dat mij toen ook een verzegelde rol is geschonken om mij op mijn weg te vertroosten en te bemoedigen. Ook is mij gezegd, dat ik hem moest afgeven aan de poort der hemelse stad, ten einde daar te worden binnen gelaten. Nu twijfel ik er zeer aan, of gij ook dit alles hebt ontvangen, daar gij niet door de poort zijt binnen gegaan”.

‘t Is ons tot blijdschap, dat de Pelgrim door de zalving van de Heilige Geest zo krachtig en duidelijk heeft mogen spreken van de hoop die ih hem was. Laat ons dan letten op het goede, dat de Heere hem geschonken had en dat hij door het geloof deelachtig geworden was. Let op de klederen des heils en de mantel der gerechtigheid, die onze Pelgrim verkregen heeft in de weg van de waarachtige bekering tot God.

Wordt het bij ons een gaan door de enge poort, dan wordt het ook een komen aan de voet van het kruis, en dan zullen ook wij die geestelijke en hemelse zegeningen verkrijgen. Alles wat wij nodig hebben voor het gaan door de enge poort, wil de Heere ons leren in de tempel van Zijn Geest. Bij het zoeken in het Boek des Heeren treden wij in de tempel van Zijn Geest, om zo in die geestelijke zaken onderwezen te worden.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.