+ Meer informatie

De herder en de schapen

9 minuten leestijd

Het beeld van de herder doorloopt in de Bijbel een hele ontwikkeling. We kennen het uit psalm 23 waarin David, zelf herder geweest en als koning herder gebleven (2 Samuël 24, 17), de Here zijn herder noemt. De profeten voorzeggen de komst van een die het herderschap van God over zijn volk zal waarnemen. Het is een figuur vergeleken bij wie de herders van Israël die namens God het volk geweid hebben, niets zijn. (Jesaja 40, 11; Jeremia 23, 4; Ezechiël 34, 12; Zacharia 11, 16). Deze herder krijgt de trekken van de lijdende messias, de knecht des Heren. Hij zal geslagen worden (Zacharia 13, 7).

Dan zien we in het Nieuwe Testament dat de beloofde herder de Here Jezus is, die van zichzelf zegt: Ik ben de goede Herder. Ongetwijfeld is Johannes 10 het hoogtepunt van het beeld van de herder in de Bijbel. Al wat we daarna nog over de grote Herder lezen, rust in Johannes 10.

Wat is nu eigenlijk het meest treffende in de verhouding tussen de herder en de schapen? Voor mijn besef ligt dat in die enkele woorden: „Ik ken de mijne”. Alle zorg van de herder voor de schapen komt uit dit liefdevolle kennen voort. Waarheen hij ze leidt en hoe hij ze weidt, het hangt met dit kennen samen. Dat hij zijn leven voor hen geeft is aan zijn liefde voor hen te danken.

Wanneer een predikant herder van de kudde genoemd wordt, zal het meest kenmerkende in zijn herderschap moeten zijn, dat hij de schapen kent. Wie kan voor de kudde zorgen, haar leiden en weiden, als hij de schapen niet kent?

We raken hier een van de teerste, mooiste en misschien ook wel moeilijkste facetten van het pastoraat.

Hoe leer je de gemeente kennen? Het antwoord kan eenvoudig luiden: door er op uit te gaan. Maar niet ieder die de gemeente intrekt, krijgt daarmee automatisch ook kennis van de gemeente.

Daarvoor is allereerst nodig een hartelijke liefde en grote belangstelling voor de mensen. Vaak loopt de weg naar het hart van de mensen via de belangstelling voor hun omstandigheden. De pit zit soms achter een harde bolster verborgen. Het is helemaal niet onmogelijk om die pit te raken, als men zich door de bolster maar niet laat afschrikken. Trouwens, zullen gemeenteleden van hun kant ook niet wel eens de indruk hebben dat hun predikant wat gesloten is en over zichzelf ook niet zo gemakkelijk iets loslaat. Waarom zouden we er dan vreemd van opzien dit bij gemeenteleden aan te treffen?

Deze liefde doet luisteren. Wie niet weet te luisteren, zal het hart van de ander niet kunnen vinden. Dat is ook geen wonder, want hij heeft genoeg aan datgene waarover hij zelf spreekt. Zijn niet kunnen luisteren is er een teken van dat hij aan de ander niet echt behoefte heeft.

Een echt gesprek wordt geboren, niet gefabriceerd. Je kunt maar niet zomaar gaan zitten en bij jezelf denken; nu ga ik zitten luisteren. Het kon wel eens zijn dat er juist in zo’n ogenblik niets gezegd wordt dat het beluisteren waard is. Het gaat dan ook veel meer om een bepaalde instelling, om een houding tegenover de gemeenteleden. Een pastor moet er met zijn hele wezen op gespitst zijn om de schapen te kennen. Daartoe behoort het leren kennen en het onderhouden van het kennende contact. Op dit laatste moeten we wel attent zijn. Wanneer men iemand heeft leren kennen, is het niet vanzelfsprekend dat die verhouding zo blijft. Er kan vervreemding optreden. Men kan uit elkaar groeien. Het contact moet blijven. Er zijn

*) Dit artikel was reeds geschreven vóór de serie „Het pastoraat in de knel” van prof. W. Kremer in „De Wekker” begon te verschijnen. Beide schrijvers zijn dus onafhankelijk van elkaar tot uitspraken gekomen, die voor een deel op dezelfde materie betrekking hebben. momenten dat mensen op je rekenen juist omdat ze weten dat je hen kent. Nooit zal ik die ontmoetingen vergeten met gemeenteleden, die terecht mijn bezoek verwacht hadden, terwijl ik niet in de gelegenheid geweest was om het op het juiste ogenblik te brengen. Het was net of er een vervreemding ontstaan was, of er een stuk vertrouwen moest worden teruggewonnen. Dan ben je er als predikant niet mee je te verontschuldigen en de reden van het niet komen uitvoerig uiteen te zetten. Het is beter dat juist niet te doen en eerst te proberen het contact weer te herstellen. Daarna kan dan nog wel een enkele opmerking gemaakt worden over de reden van het wegblijven. Een gemeentelid vraagt niet of de predikant een geldig excuus gehad heeft om niet te komen; hij vraagt alleen of de predikant er geweest is, toen hij er moest zijn.

Natuurlijk kan dit voor de predikant tot een knellend juk worden. Hij kan het gevoel krijgen dat hij aan al die verwachtingen en behoeften nooit kan voldoen. Ik kan daar niet zoveel tegenover stellen. Een ieder zal voor zichzelf moeten uitmaken wat hij wel en wat hij niet doen kan. Maar zijn werk als pastor zal moeten staan in het teken van: ik ken de mijne.

Er is in deze tijd een dringende behoefte aan een intensief pastoraat. De eenzaamheid van veel mensen, zelfs als ze velen om zich heen hebben, het massale van onze tijd roept om pastorale begeleiding.

Dat is natuurlijk wat anders dan een serie onbenullige bezoeken te brengen aan steeds weer dezelfde adressen. Dat is ook wat anders dan te voldoen aan de dwinglandij van die gemeenteleden, die door een voorganger frekwent bezocht werden en misschien ook wel verwend werden, en die daarom het ’goed-zijn’ van de nieuwe predikant laten afhangen van het treden in de voetsporen van zijn voorganger. Om dergelijke mensengunst heeft men niet te dingen. En verder heeft ieder zijn eigen methode van werken. Dat zal een gemeente moeten (leren) respecteren. Neen, het gaat heel eenvoudig om datgene wat vanuithet kennen van de schapen nodig is. Daaraan vooraf gaat natuurlijk datgene wat tothet kennen van de schapen nodig is.

Dan zal men een zekere mate van systematiek in het bezoeken van de mensen, het bijhouden van een agenda moeten combineren met het op zij zetten van de haast. Het is moeilijk die beide op een goede wijze te verenigen. Wie alleen met het laatste rekening houdt, komt zijn gemeente nooit rond, zodat de mensen klagen dat ze hun predikant nooit zien. Wie alleen op het eerste let krijgt de naam dat hij alleen zijn hoofd om de hoek van de deur steekt en al weg is voordat hij iets heeft kunnen zeggen. Bovendien loopt hij het gevaar dat hij achter zo veel mensen aanloopt, dat hij niemand echt ontmoet. Wie bij elk adres zegt dat hij het zo druk heeft met de gemeenteleden die nog bezocht moeten worden, zal nergens een echt bezoek brengen. Zijn pastoraat zal van deze haast ook de sporen vertonen. Of het de naam pastoraat mag dragen hangt er van af of het de toets van het kennen van de schapen kan doorstaan.

Men kan wel eens een onbetekend gesprek moeten voeren om eerst de volgende maal, of zelfs de daarop volgende maal tot een echte ontmoeting met elkaar te komen. Dat moet men er voor over hebben. Het is ook hier de pastorale intuïtie die doet weten hoever men gaan moet en hoever men komen kan.

Het kan goed zijn op deze verhouding het beeld van de omgang in het huwelijk toe te passen. Een van de voorwaarden om goed getrouwd te blijven is dat men de tijd voor elkaar neemt. Hoe goed men ook begonnen is, als het contact niet onderhouden wordt, komt er afstand. Fijne opmerkzaamheid en aandacht die door de liefde gescherpt is zal trachten dat te voorkomen, en waar het ingetreden is, het te overwinnen.

Het pastoraat kan niet zonder het gebed tot de grote, hemelse Herder in wiens dienst wij ons herderschap uitoefenen. Hoe nodig is het in regelmatig gebed elk van de gemeenteleden aan de Here op te dragen en te vragen om elk op de juiste wijze van dienst te mogen zijn. Dat betekent ook dat we het uitvoeren van onze agenda, het brengen van de voorgenomen bezoeken niet zonder gebed doen. Men zal dan merken wel eens ergens niet thuis te treffen omdat men elders harder nodig was die morgen. Een dergelijk bezoek kan door het gemeentelid zelfs van de Here afgebeden zijn.

Onze plannen en voornemens moeten in het pastoraat steeds weer staan onder de beslissende leiding van Christus. Dan zien we ook dat wij nooit zoals Hij de schapen kunnen kennen. Wij moeten het steeds weer van Hem leren. Welk een vreugde dan om te merken dat Hij zijn opperherderschap door onze dienst uitvoert. Mensen zullen dan ook niet in onze zorgen voor hen roemen, maar in onze aandacht de belangstelling en zorg van de hemelse Herder ontmoeten. Meer dan dienstknechten zijn we niet. Dat we dat mogen zijn, is een grote genade. We worden er toe verwaardigd.

Van wie moet het uitgaan en bij wie moet het beginnen? Gemeente en predikant kunnen op elkaar zitten wachten. Jammer als men zo langs elkaar heen gaat. Ik zou zeggen: de herder moet er op uit trekken. Hij is immers de gezondene.

Kom je ooit met je werk klaar als je je dit als ideaal stelt? Is dat nodig om er in elk geval aan te beginnen? Men zal zien dat de gemeente een dergelijk pastoraat weet te waarderen en ook vertrouwd raakt met de gedachte dat de predikant er is als men hem werkelijk nodig heeft. Dan kan men het ook hebben, als ander werk wel eens wachten moet. Maar wat een gemeente pijn doet en afschrikt is de teleurgestelde verwachting, het vertrouwen dat een predikant niet beantwoordt.

Paulus schrijft ergens: „Zijt niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben”. Het is

een opdracht zonder eind. Zo is het ook met het pastoraat: zijt de gemeente niets schuldig dan haar te kennen. Daarin schittert het pastoraat. Wie de gemeente leert kennen en blijft kennen heeft de wet van het ambt vervuld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.