+ Meer informatie

Boek van op en top Urker visser

Lubbert Kramer vertelt „tot lering en vermaan"

10 minuten leestijd

URK — Onze vaderlandse pers — met z'n rijke schakeringen van uiterst links tot uiterst rechts — was enige weken geleden in groten getale naar het voormalige Urker eiland gekomen. De aanleiding: van deze persinvasie betrof de uitreiking van een boek over Urk. Gretig waren vele journalisten op de uitnodiging ingegaan om — in de sfeervolle visafslag: — aanwezig te zijn bij de uitreiking van de eerste exemplaren van dit boek.

De Urker gemeenschap — evenals trouwens de visserij — zijn van oudsher immers onderwerpen waarover graag wordt geschreven. Urk vormt een prachtig object voor „levende romantische verhalen".

De meeste Urkers hebben echter weinig waardering voor de forse stroom van publikaties, die over hun samenleving verschijnen. Veel schrijvers weten namelijk geen raad met de „vreemde" denkbeelden van de Urkers over bijvoorbeeld vaccinatie en verzekeren. Bijna altijd ontlaadt zich een felle kritiek op de Urkers bij dit onderdeel van het verhaal. Ook de „eng" godsdienstige gevoelens waren voor veel buitenstaanders een onbegrijpelijke muur om tot de ware problemen en indrukken van de Urker gemeenschap door te dringen.

Op en top Urker

Terecht werd dan ook bij de presentatie van het boek „Zee op! uit het leven van een Urker visser" gewezen op het feit dat dit boek is geschreven door een op en top Urker visser. De schrijver Lubbertje Kramer heeft de uitgave van dit boek zelf niet mogen beleven. Met medewerking van de naaste familiebetrekkingen zijn de „herinneringen uit mijn leven" bij uitgeverij Unieboek uitgekomen. De schrijver had zijn pennevruohten in eerste instantie bestemd „voor de nauwe kring van naaste bloedverwanten". „Tot lering en vermaan", aldus Lubbertje Kramer in zijn memoires.

Zijn herinneringen kregen spoedig in wijder kring bekendheid, toen in het tijdschrift „Tagrijn" uittreksels uit zijn nagelaten geschriften verschenen. Er kwam steeds grote belangstelling, speciaal voor de visserij-geschiedenis van het voormalige eiland.

Juist om de laatste reden heeft de familie Kramer dan ook gemeend om tot uitgave van dit boek te moeten besluiten. De zoon van de schrijver, F. W. Kramer, zei hierover bij de presentatie van het boek: „Het is niet de bedoeling om vader door de uitgave van dit boek op een voetstuk te plaatsen". In de slotalinea van zijn nawoord schrijft hij: „Vader was een mens van gelijke bewegingen als wij; aan hem was niets menselijks vreemd, ook niet klein-menselijkheden. Hij wist echter uit genade van verzoening door Jezus Christus. En is dat niet het voornaamste wat je van een mens kunt zeggen? Zo willen wij hem als kinderen dankbaar eren en gedenken. Nee, niet als een soort „superstar", maar die als begenadigde ons in vele opzichten tot een lichtend voorbeeld is geweest, ook in zijn optreden en gedrag naar buiten: als een lichtend licht en zoutend zout".

Gedachtenis

Vrij onverwachts kwam voor Lubbert Kramer het einde. Vlak voor het begin van de kerkdienst op een zondag in april 1970 kreeg hij een hersenbloeding en overleed enige dagen later in het ziekenhuis in Emmeloord. Onder grote belangstelling is hij op dodenherdenkingsdag 4 mei 1970 vanuit de Gereformeerde Bethelkerk ten grave gedragen. „De gedachtenis der rechtvaardigen zal tot zegening zijn", zo besluit de heer F. W. Kramer dit boek. Een boek over de visserij. Slechts zijdelings komt de figuur van Lubbertje Kramer in het boek steeds ter sprake. Naar onze mening had de markante figuur van Lubbertje Kramer in de Urker gemeenschap wel iets nadrukkelijker mogen worden getekend. Immers, in de Urker samenleving was hij een geziene persoonlijkheid. Jarenlang was hij ouderling van de Gereformeerde Kerk van Urk. Bestuurslid van diverse verenigingen op maatschappelijk, sociaal en kerkelijk terrein. Hij was mede-oprichter van de Vereniging van Verontrusten binnen de Gereformeerde Kerken en zo zouden er meer functies te noemen zijn.

Verontrust

Als „verontruste" binnen de Gereformeerde Kerken heeft hij veelvuldig de pen ter hand genomen. In het plaatselijke blad „Het Urkerland" verschenen regelmatig bijdragen van Lubbert Kramer. Allereerst over de visserij, maar regelmatig ook over de verontruste gong van de Gereformeerde kerken.

Vooral de theologische opvattingen van prof. Lever en Kuitert werden door hem fel bestreden. Veelvuldig schreef hij over de door hem zogenoemde „aaptheologie". Lubbert Kramer meende bij de beide theologen een kuit- en leverziekte te bespeuren. Het was één van die markante uitspraken, die bij de visserijbevolking niet verkeerd werden begrepen.

In zijn dagelijks optreden had hij een sterk roepingsbesef. In zijn nagelaten herinneringen schrijft hij hierover. Slechts een enkele zinsnede wordt door de zoon van Lubbert Kramer aangehaald, om zodoende de opvattingen van de schrijver te typeren. „Vanuit het geloof in onze opdracht en roeping moet alles, ook ons dagelijks werk gebeuren", zo schreef hij.

„Het is alles genade. Sola Gratia, en wij moeten dienstbaar zijn tot meerdere glorie van God: Soli-Deo-Oloria".

Politiek

Ook in de politiek was hij jarenlang actief. Diverse jaren heeft hij de Urker gemeenschap als wethouder van visserij gediend. Vele jaren heeft hij voor de ARP in de gemeenteraad zitting gehad. Vastberaden kon hij het woord voeren. Anderzijds kon hij ook luisteren naar anderen. Opmerkelijk was, dat hij als ARP-raadslid zich heeft ingezet voor het dragen van bestuursverantwoordelijk van de SGP. Vanuit het verleden heeft de ABP in de Urker gemeenteraad de SGP altijd buiten het college van b. en w. gehouden. Juist Lubbert Kramer meende echter deze partij recht te moeten doen. Er zijn slechts enkele herinneringen, die niet in het boek zijn vermeld. Een dergelijke pretentie meent de uitgever met dit boek ook niet te voeren. Of hiermee helemaal recht is gedaan aan de opvattingen van Lubbert Kramer om zijn herinneringen „tot lering en vermaan" voor het nageslacht op schrift te stellen, laten wij in het midden. Feit is echter, dat de geschiedenis van Urk, door dit boek is bewaard gebleven. In de inleiding van dr. H. A. H. Boelmans Kranenburg — secretaris van de Stichting Nederlandse visserij en het visserijschap te Den Haag — komt reeds een aantal ontwikkelingen in de visserij vanaf de tweede helft van de 19e eeuw aan de orde. De persoonlijke ervaringen van Lubbert Kramer gecombineerd met de verbazingwekkende feitenkennis van alles wat met de visserij en Urk samenhing, maken dit boek tot een interessant geheel.

Storm

In het eerste deel van het boek gaat de schrijver uitvoerig in op de jeugdherinneringen. Ook een aantal geschiedkundige overleveringen over de visserij in die tijd komen ter sprake. Een enkel voorval uit zijn eigen vissersloopbaan willen wij hier vermelden. Als 13-jarige knaap beleefde hij de storm van zes op zeven oktober 1904. „Er zijn wel vijftien of zestien Urker vissers in de Noordzee gebleven. Het was een nacht om nooit te vergeten.

De UK 65 was de zondag voor de storm aan Urk. Op maandag vroeg werd gevaren. Wij gingen het Vliegat uit en visten die nacht aan de noordkant van de stenen. Toen het dag was, werd gehaald en onze maat gepraaid. Deze maat was de UK 36. De 36 was een botter gelijk aan de 66. Met het praaien werd het aantal gevangen tong genoemd, want veel tong werd in die dagen niet gevangen. Er was toen een topbries uit het W.N.W. Het weer leek niet erg gunstig, maar er was ook geen reden om naar binnen te gaan. De schipper besloot om naar bakboord door te zeilen. Het weer werd niet minder. In de namiddag waren we zo ongeveer in 't west-noord-west van Kijkduin, hoewel we geen land konden zien.

Een paar uur voor donker zagen we twee botters die voor de wind liepen, kennelijk met het doel om in het dichtstbijzijnde Molengat binnen te lopen. Toen zij echter onze beide botters over B.B. zagen zeilen, werden de zeilen weer bij de wind gezet en gingen zij niet naar de wal. Later bleek, dat dit de UK 1 en 79 zijn geweest. De laatste is nog diezelfde nacht verongelukt".

Lubbert Kramer beschrijft dan verder hoe zijn oom Harmen (de schipper) steeds de barometer bekeek. Het was voor de schipper een teken als de barometer opeens aanmerkelijk was gezakt. Alles moest in gereedheid gebracht worden. „Meteen was het halen en de olievellen moesten voor". Uitvoerig beschrijft Kramer ook de werkzaamheden die toentertijd op een botter moesten gebeuren. „Voor de wind ging het daarna op Texel aan. Met regen heb je echter geen zicht en men durfde niet naar binnen". De vuren aan de wal en de betonning waren ook nog niet wat ze nu zijn. Zij durfden dit dan ook niet aan en daarom maar zeilen over B.B. om tegen de morgen van de andere dag boven IJmuiden te zijn. De pieren van IJmuiden konden altijd worden aangedaan. Maar om zover te komen.

Angst

„Als kleine jongen, pas dertien geweest en zonder oliegoed, mocht ik niet aan dek. Beneden blijven was het parool. Vandaaruit hoorde je de geluiden op het dek. Het stampen van de botter, de bries die steeds in kracht toenam, de overkletsende zeeën. Het liep tegen middernacht en het weer werd eerder erger dan beter. De wind loeide en floot zo geweldig door de zeilvallen en andere touwen van het vaartuig, zoals ik het later nooit meer heb gehoord. De petroleumlamp wierp een zwak schijnsel door het vooronder.

Ik was te loevert onder de kastjes gekropen en hield me krampachtig vast om niet naar de lij geworpen te worden. Als vanzelf werd je slaperig op deze leeftijd. De greep van de vingers verslapte en met een smak vloog ik dan weer aan lij tegen de plank, als de botter door een zee weer sterk op de zij werd gelegd. Druipend liep het water langs het gele oliegoed van Oom Jan toen hij even beneden kwam om een verse pruim te pakken. Tegen mij, de jongen die hem met bange slaapoogjes aankeek, zei hij: „Ik geloof kind, dat je nu nooit je moeder weerziet". De volle zwaarte van dit gezegde kon ik toen niet verwerken. Het drong niet goed tot mij door wat dit inhield".

Rouw

Het zou te ver voeren uitvoerig te verhalen hetgeen zich die nacht aan boord verder afspeelde. In ieder geval gelukte het om de volgende ochtend binnen te komen. Lubbert Kramer schrijft achteraf: „Door Gods goedheid kwamen we binnen. Ieder dankte de Heere dat het zo was afgelopen. Onze maat, de UK 36, was al eerder binnen gelopen. Een uurtje later kwam het bericht dat een botter boven Wijk aan Zee was omgeslagen. Dit bleek de UK 57 te zijn geweest met als schipper Hendrik Kramer. Verscheidene weduwen op Urk verloren in deze storm één of meer zoons. De UK 79, die wij de vorige dag nog hadden gezien, was in de buurt van Castricum op het strand gelopen. De twee zoons van weduwe Nentjes en een zoon van weduwe Pasterkamp kwamen om het leven. Zo waren er meer.

De volgende dag was de storm bedaard. De levenden konden de volgende dagen op Urk door de verwanten worden begroet; de getroffen families rouwden om hen die nooit zouden terugkeren. De gebeden gingen op naar de Beheerser van winden en stormen of de geliefden toch nog op het kleine kerkhof van Urk mochten worden begraven. Er zijn nog enkelen gevonden, maar voor de meesten bleef de zee het graf tot de Almachtige de laatste wekroep zal laten uitgaan en de zee hare doden zal moeten weergeven".

Misschien was het ook deze herinnering, die Lubbert Kramer deed besluiten om samen met o.a. T. de Vries, onderwijzer te Urk, naspeuringen te doen naar de in de loop der eeuwen in zee omgekomen Urker vissers. Een en ander resulteerde tenslotte in de onthulling van het bekende vissersmonument door H.M. de Koningin op 11 mei 1968.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.