+ Meer informatie

Gods barmhartigheid over de schuldige zondaar

7 minuten leestijd

Maar mij is barmhartigheid geschied. 1 Tim. 1 : 13m.

Welk een heerlijke belijdenis legt Paulus hier af aangaande de genade Gods hem bewezen. Hij verklaart hier, dat hij twee dingen in zijn leven goed geleerd heeft. Ten eerste, dat hij een groot zondaar is. Ten tweede, dat God groot is in barmhartigheid over de schuldige in Christus. Ja, met wat tederheid der ziel zijn deze woorden uit zijn pen gevloeid. Dit woord schrijft hij neer, als hij bijna aan het einde van zijn loopbaan is. Ja, hij mag hier, bij Gods licht nog eens terugblikken over de weg des Heeren, met hem gehouden. Als hij dan alles saam vat, vanaf het begin tot het einde van zijn levensweg, moet hij betuigen: „Mij is barmhartigheid geschied”.

„Mij”, zegt hij. Daar valt voor hem de nadruk op. Dat krijgt hij niet uitgewonderd, als hij weer terugdenkt hoe de Heere hem als een vijand in Zijn genadekoorden gearresteerd heeft. Ja, als hij teruggeleid wordt naar hetgeen hij eertijds was, o dan moet hij zich wegschamen voor de Heere. Dan vloeien de tranen van smart. Hij belijdt het eerlijk, dat hij tevoren een godslasteraar was, een vervolger en verdrukker van de gemeente des Heeren. Doch dan volgt hier het „maar” der genade Gods. Dit was wenen uit liefde. O Heere! waarom was het op mij gemunt? Het daarom op zijn waarom vindt hij in het Goddelijk welbehagen. Het is en wordt hem al meer een wonder, juist nu, nu hij bij Geestes licht mag terugzien, dat de Heere hem niet verstoten heeft. God had hem voor eeuwig te schande kunnen stellen. Hoe erkent hij hier zijn verdoemelijke staat in zichzelf. Dat is genadelicht, dat hem dit geleerd heeft. Hij verfoeit zich nu nog dieper voor God, meer nog dan toen God hem greep en stilzette, voor het eerst zondaar, schuldenaar maakte. O, als Hij met hem gedaan had naar waardigheid, had hij naar recht een plaats in de hel moeten ontvangen. Ja, hij is al dieper aan zijn schuld en doemstaat ontdekt geworden. Daaruit voortvloeiend noemt hij zich de minste der apostelen, de voornaamste der zondaren, daar hij de gemeente Gods vervolgd had.

Kan hij nu rustig leven en getroost sterven? Ja! Dit heeft hij niet van zichzelf. Hoe verheft hij hier de genade in Christus. Wat roemt hij deze, als hij schrijft: „Maar mij is barmhartigheid geschied”. Barmhartigheid Gods. Dit getuigt van Goddelijke mededogen, waardoor Hij genegen is een ellendig schepsel uit te helpen uit al zijn nood. Het vertolkt de innerlijke beweging van Gods ontferming over een, die alles verzondigd heeft. Barmhartigheid. Wat is die Paulus dierbaar! Was God niet barmhartig, dan moest hij verdoemd worden.

Doch nu zocht Hij hem, verheerlijkte Zijn genade aan hem. Het behaagde Hem Zijn Zoon in hem te openbaren. Die hem met God verzoent.

In verbrijzeling wierp de Heere hem neer op weg naar Damascus. Dat was reeds barmhartigheid, dat Hij de woesteling, blazende nog dreiging en moord, stilzette. De Heere uit de hemel zag naar hem om. Hij moet het uitwonderen, dat Hij hem te sterk werd; hem gegeven heeft wat hij nooit wilde, nl. het geloof in Jezus. Ja, in zijn oprichting in Damascus verscheen de Heere hem weer in Zijn ontferming. Hij kreeg personeel de goedertierenheden Gods te smaken. Daarbij werd hij ambtelijk verwaardigd tot het apostelschap. Hij was de Heere een uitverkoren vat, om Zijn Naam te dragen voor de heidenen en de kinderen Israëls. Hoe meer de Heilige Geest hem deed opwassen in de genade, des te stralender vertoonde de barmhartigheid zich over hem. Ja, hoe langer hij op de genadeweg was, hoe groter zondaar hij innerlijk voor God werd. Groter zondaar worden in eigen oog, minder zonden doen. Hoe rijker werd hem ook de barmhartigheid Gods.

Dit woord schrijft hij ter bemoediging voor hen, die zichzelf uit Geestes ontdekking recht schuldenaar voor God leren kennen, terwijl de duivel hen bestrijdt, dat zij te lang, te veel gezondigd hebben, en er geen behoudenis voor hen is. Mij is barmhartigheid geschied. Schep moed uit mijn behoudenis. Gods volk wil het Paulus wel eens niet gewonnen geven, dat hij de grootste der zondaren is. Dit zeggen zij dan van zichzelf. Doch wie heeft de gemeente Gods vervolgd als hij, in haat tegen Jezus? Hij zegt in vers 16: „Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven”.

Zijn er onder de lezers, die terugziende, insgelijks moeten spreken? Is er een verleden bij u, dat u kan doen zuchten en beven? Hoe was het eertijds met u? Hoe is het nog met u? Nog genadeloos? Of is de Heere u te sterk geworden? Misschien weet gij niet precies het uur van stilzetten, zoals Paulus? Doch, hebt gij uzelf uit Geestes ontdekking ook leren kennen als vijand van God, van Christus en vrije genade? Dit kunt gij toch niet zonder tranen en innerlijke smart, pijn en berouw beleven? Heeft de Heere u uw vrome kleed ook uitgetrokken? O, moet gij het dan eens niet uitwonderen, dat gij nog niet verdoemd zijt, nog niet in de hel ligt? Of zijt gij nog een vroom, godsdienstig mens in uzelf, en weet gij niet waarvoor gij barmhartigheid nodig hebt? Denkt ge nog als een farizeër naar de hemel te gaan? De Heere moet ons wederbaren, uit ons zondig levensbestaan, ook dat der eigengerechtigheid, losmaken. Als Hij dit doet, is barmhartigheid. Dan leert gij ook voor en onder God bukken in schuldbelijdenis. Zijn oordeel over u goedkeuren, doch ook om genade bidden. Dan leert gij betuigen: „Naar recht Heere moest ik aaar de hel”. Doch zalige ure als Hij dan in Zijn ondoorgrondelijke barmhartigheid het jog des geloofs voor Christus ontsluit, het Hem behaagt. Zijn Zoon in u te openbaren en gij door het geloof Hem krijgt te omhelzen in toeëigening.

Driewerf gelukkig, die in de Borg bedekking vindt voor God, in Wie Hij al Zijn barmhartigheid opluistert. Hier mag de ziel in Gods hart inblikken. Zijn deugden roemen. Dan gaat ook zij zingen: „Maar mij is barmliartigheid geschied”. Daarin wirdt geleerd, lat de zondaar op het diepst vernederd en God op het hoogst verheerlijkt wordt. Dat het enkel barmhartigheid is, die behoudt, en niets van de mens zelf. Die valt er in zichzelf totaal buiten. Zeker, dit zal niet altijd even levendig blijven in de ziel. Dit wordt hier afgewisseld door tijden van inzinkingen en dorheid. Doch heerlijk als de Heere weer een terugblik geeft. Dan wordt het oude weer nieuw. Zeker, de bevinding is geen grond. Dat is Christus. Wat rijk als Hij in Zijn trouw bij vernieuwing Zijn barmhartigheid hoopvol voor uw zielsoog doet blinken, waarin gij niets zijt en de Heere alles is. Rampzalig, die geen barmhartigheid verkrijgt, die gaat niet in tot het leven, doch naar de eeuwige dood. Doch, welgelukzalig die barmhartigheid verkrijgt, die gaat in tot het eeuwige leven met God. De barmhartigheid roemt tegen een welverdiend oordeel. Dit, opdat Hij, nl. Christus, zegt de Catechismus, onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde.

Behoort u ook tot die ons? Kunt gij zeggen met Paulus: „Maar mij is barmhartigheid geschied?” Ja, barmhartig is de Heere en zeer genadig. Hij lere u er op pleiten, het beleven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.